De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

14 minuten leestijd

VII

Zondag III.

We wezen er vorige maal al op, dat de Geneefse en de Heidelberger Catechismus daarin overeenstemmen, dat ze, over het geloof sprekend, dit het best menen te kunnen doen door zich aan te sluiten bij de Apostolische Geloofsbelijdenis. Trouwens — bij ons weten doet vrijwel elke catechismus dat.

De wegen lopen echter iets uit elkaar, als het komt tot een verdeling van die Twaalf artikelen. De vraag luidt : In hoeveel delen zullen we die belijdenis verdelen om haar goed en compleet te verklaren ? Wie bij de , , eenvoudige Heidelberger" is opgegroeid, voelt het daar gegeven antwoord op zijn lippen branden en zal verwachten, dat ook Calvijn wel met de Heidelbergers zal antwoorden : In drie delen: over Vader, Zoon en Heilige Geest. Maar dat doet Calvijn toch niet, want als antwoord lezen we: In vier voornaamste delen. En als dan wordt gevraagd, welke 4 dit zijn ? wordt opgenoemd: Het eerste zal over God de Vader handelen. Het tweede over Zijn Zoon Jezus Christus, waarin verhandeld wordt heel de geschiedenis van onze verlossing. Het derde over de Heilige Geest. Het vierde over de Kerk en over Gods genaden (genadegaven) tegenover haar.

We merken, dat Heidelberger en Geneefse Catechismus beide , , trlnitarisch" te werk gaan, d.w.z. vragend naar de betekenis van Vader, Zoon en Heilige Geest. Dat is een gelukkige en veelbelovende wijze van behandeling, waarbij verzekerd is, dat alle stukken des heils, vanuit de , , huishouding" van de Drieëne God, worden belicht. Het verschil bij Calvijn is, dat hij met nadruk en met name in het stuk van de Heilige Geest, de Kerk noemt. Die wordt in de Heidelberger ook wel degelijk zo verstaan en behandeld, maar het blijft toch wel sprekend, dat Calvijn de kerk en het leven van — en in de kerk uitdrukkelijk wil verstaan hebben van uit de Heilige Geest. Dat betekent, dat Calvijn, die in sterke' mate een theoloog van de Heilige Geest mag genoemd worden, evenzeer een door en door kerkelijk denkend man is. Niet maar in de Pinksterkerk wijst hij zo graag dat samengaan van Kerk en Geest aan, maar heel zijn arbeid in Geneve had tot inzet, dat deze twee elkaar vinden en doordringen zouden. We merken op, dat deze nauwe verbinding van Kerk en Heilige Geest onder de gereformeerden van alle eeuwen diepe indruk heeft gemaakt, wat veroorzaakt heeft, dat de engelse Puriteinen, die vol critiek zaten voor een kerk, die ze arm aan Geest vonden, toch op uitzonderingen na (de Independenten) bij. die kerk bleven. In ons land is hetzelfde te zien, hoewel de Labadie vele gebreken in de Geref. Kerk hier te lande aanwees en tot een uittocht, een afscheiding nodigde, hebben betrekkelijk zeer weinigen dit , .sirenengezang" gevolgd. Men had van Calvijn geleerd, dat Gods gewone weg is. Zijn Heilige Geest te schenken en uit te storten in de weg der kerk en van de dienst der kerk, dus van Woord en Sacramenten. Daarmee is meteen gezegd, dat geestdrijverij, wat de theologen graag spiritualisme noemen, op gereformeerd terrein niet werkelijk thuis kan zijn. Dat we die toch wel vinden in diverse gereformeerde kringen in ons land, stellig ook niet zo weinige in onze eigen kring, moet wijzen op een wanhopen aan kerk en kerkelijk leven, waarvan men tenslotte weinig of niets meer verwacht.

Als wij er hier blijk van geven, daarvoor wel enig begrip te kunnen hebben, moeten we nochtans verzekeren, dat de vruchten van de Heilige Geest, die men op onkerkelijke wijze denkt te oogsten, toch bepaald niet meevallen. Wie de vruchten en gaven van de Heilige Geest denkt te oogsten in een weg van genieten, heeft er al zeer weinig oog voor, dat de Schrift en door haar heen Calvijn die oogst alleen kermen door strijden en kruisdragen heen, waaronder ook hoort kerkelijke strijd en kerkelijk kruis niet gemakzuchtig ontlopen. Calvijn's kerk en gemeente was vól gebrek, zeker niet minder dan onze kerken nu. Toch liep hij er niet uit weg, maar streed er ten bloede toe, ter ere Gods Deze man was een man vol des Heiligen Geestes. Wie zijn levensstijl niet deelt zal ook zijn oogst niet kennen.

Zoveel dan voor het ogenblik over die bepaald veelzeggende erkenning van de betekenis van de kerk. Hierin is iets, dat Calvijn met Rome en Luther verbindt, die ook beiden zeer kerkelijk zijn gezind, maar begrijpelijk op onderscheiden wijze. Het scheidt Calvijn diep van Dopers en Geestdrijvers, die van de kerk en haar prediking en zielszorg niets verwachten, maar daarmee op paden buiten Wet en Getuigenis komen, waar geen dageraad wacht.

We hopen later ter plaatse nog wel iets ter aanvulling van deze enkele opmerkingen te geven. Alleen merken we op, dat Calvijn in deze nieuwe catechismus toch weer de orde van zijn Institutie aanhoudt, waar hij een zelfde verdeling van heel de bijbels-dogmatisch stof in 4 boeken voorstaat, die samenvalt met de hier in zondag 3 gegevene.

We zeiden zoeven: Calvijn bespreekt de geloofsleer trinitarisch, naar het aspect van de Drieëenheid Gods. Daarop haakt de voorganger meteen in, als hij vraagt: Er is toch maar één God ? Wat brengt je er dan toe, te spreken van Vader, Zoon en Heilige Geest, dus van drie (personen) ? Daarop wordt ten antwoord gegeven: Daarom, omdat we in het ene Goddelijke Wezen de Vader moeten beschouwen als begin en oorsprong, als de eerste oorzaak van alle 'ingen; vervolgens de Zoon als Zijn eeuwige Wijsheid; de Heilige Geest, die Zijn kracht en mogendheid is. Die over alle schepselen is uitgebreid en toch voortdurend in Hem blijft wonen. We herinneren ons, dat .de Heidelberger veel minder diep en breed op deze zaak ingaat, daarin meer , , pastoraal" en wat minder , , theologisch" is. Toch merken we wel, dat ook Calvijn er niet aan denkt, zich tot allerlei speculaties te begeven, om dat stuk van de Drieëenheid j Gods te doorlichten. In zijn Institutie berispt hij zijn vereerde leermeester Augustinus in deze en vermaant hem, meer zijn kracht te zoeken in een , , geleerde ongeleerdheid". Hij had ook kunnen zeggen; zijn kracht alleen te zoeken in een discipelschap des Woords. Dat brengt hij zelf in practijk, daar en hier, door zich aan de grenzen van het Woord te houden. Dat bewerkt, dat hij op een sobere wijze belicht, wat Vader, Zoon en Heilige Geest aan eigens hebben, hoewel we wel opmerken, dat. hij tot een speculatief uitwerken van de Drieëenheidsleer, waarvan de geschiedenis van de theologie zoveel voorbeelden biedt, stellig zeer goed in staat zou .zijn geweest, We proeven in de , , pastor" Calvijn toch gedurig de peinzer, meer nog dan de denker; de man, die er altijd op uit is, om zover dat mogelijk is, samenhangen op te merken. Hij betreedt hier die weg, zover de Schrift hem dat toelaat en zegt, dat de Vader moet worden aangemerkt als niet alleen het Begin, maar ook als de Oorsprong en Bron van alle dingen. Op gelukkige wijze tekent hij daarin, hoe God een band heeft aan Zijn schepping: Hij is er het begin, van, alles komt uit Hem voort. Maar God gaat daarmee nooit in de schepping op, zoals de pantheïsten het voorstellen: Hij blijft de Oorsprong, de Bron, die wat anders en meer is, dan hetgeen er uit stroomt. Practisch gesproken bedoelt Calvijn, al zegt hij het hier nog niet, dat God dus de Schepper en Onderhouder is. Daarnaast stelt hij de Zoon, van Wie hij alleen zegt, dat Hij Gods eeuwige wijsheid is. Ons dunkt, dat deze zo korte opmerking toch wel veel te weinig zeggend kan heten. Wie wil verstaan, wat Calvijn eigenlijk bedoelt, moet bv. de Institutie opslaan en' die vindt daar zijn gedachten over wat we wel mogen noemen , , het scheppingsmiddelaarschap" van Christus, die hij met name aan Johannes 1 ontleent. Deze aanduiding bleef niet onbestreden, maar schijnt ons toch zeer ter zake. Calvijn ziet het aandeel van Vader en Zoon aan het scheppingswerk daarin, dat de Vader, in Zijn mogendheid, bewerkt, dat alles ontstaat, terwijl de Zoon bewerkt, hoe alles wordt. Daarin werkt zich dan Zijn Wijsheid uit. De Heilige Geest tenslotte is Gods eeuwige kracht, uitgebreid over alle schepselen, maar toch voortdurend in Hem blijvende. De persoonlijkheid van de Heilige Geest, die Calvijn elders zo krachtig belijdt, blijft hier onuitgesproken, hoewel zeker bedoeld. De Heilige Geest is de levendmaker van wat Vader en Zoon schiepen; Hij is als zodanig uitgestort op alle schepselen, maar niet op een pantheïstische wijze, waarbij Hij in die schepping zou opgaan. We proeven, juist in Calvijn's, korte uiteenzetting van die Drieëenheid Gods in dit catechisatieboekje, wat een macht in, zijn dagen dat pantheïsme is geweest. Met de Renaissance, de herleving van de antieke wereld, kwam ook het pantheïsme van die oude tijd weer met kracht naar voren, zo bv. ook in Servet en de extreme Humanisten.

We begrijpen hier de felheid van Calvijn's polemiek met Servet en zijn wijzen op de blijvende onderscheidenheid Gods van de schepping, bij alle intieme aanraking. Het kan hier de plaats zijn, een paar vreemde woorden te verklaren: zowel het pantheïsme, dat God en wereld vermengt als het deïsme, dat ze volkomen scheidt, wordt hier afgewezen. Wat Calvijn bepleit, plegen we theïsme te noemen : geen scheiding, wel onderscheid.

Calvijn zal op catechisatie hiervan zeker een en ander verteld hebben. Hij vraagt nog aan z'n leerling: Daar wil je dus mee zeggen dat er niets tegen is, dat in één enkele Godheid wij onderscheidenlijk drie personen opvatten, en dat God toch niet is gedeeld ? Daarmee vat hij de kern. der zaak samen en gebruikt nu wèl het woord persoon. Tegenover de vele aanvallen van de Socinianen cs., o.a. Servet, welke laatste de Drieëenheid een driekoppige hellehond(!) beliefde te noemen, waarbij men vaak het oude, koude verstandelijke spelletje poogt te spelen, dat 3 toch geen 1 kan zijn, houdt Calvijn staande, dat er één God en één Goddelijk Wezen is. Maar daarbinnen, als een 'Goddelijke , , 'huishouding" drie personen, of bestaanswijzen, die ons doen verstaan, hoe bij fundamentele éénheid er toch in God bewogenheid en verscheidenheid kan bestaan, bv. die van recht en genade, van schepping en verlossing. De critiek op het stuk der Drieëenheid Gods is doorgaans op wijsgerige, verstandelijke gronden gevoerd, maar is als zodanig onmachtig, om aan dit stuk recht te doen, dat, evenals die andere grote , , ergernis" (en toch een rots des 'heils !) de leer van de verkiezende God alleen verstaah wordt vanuit de practijk der genade en des geloofs. De proef op de som is, dat, wie de Drieëenheid Gods loochent en dus 'n Antltrinitarlër is (als tegenstelling tot Trinitariër), daarmee ook prompt een Verkiezende God loochent en alleen van een algemeenheid in de , , genade" kan spreken, die intussen zo geen genade meer is.

De leerling beaamt de religieuze zin van de Drieëenheid Gods met een zo is het en wordt dan opgewekt: Zeg nu het eerste deel van de belijdenis eens op ! Daarop wordt gereciteerd Ik geloof in God de Vader de Almachtige, Schepper van Hemel en aarde. Dit antwoord lokt dan weer de vraag uit: Waarorn noem je Hem Vader, en als het antwoord klinkt : Dat gebeurt met het oog op de Heere Jezus Christus, Die het eeuwige Woord is, door God voortgebracht eer de eeuwen begonnen. Die daarna, in de wereld geopenbaard, door de Vader erkend en verklaard is Zijn Zoon te zijn. Maar waar God de Vader van onze Heere Jezus Christus is, volgt daaruit, dat Hij ook onze Vader is. Met deze woorden is de bijzondere openbaring aangeduid en ontsloten in de Heere Jezus Christus. In Hem heeft de Vader niet maar een woord of woorden gesproken, maar het verlossende Woord. En waar een woord voor ons altijd nog iets moellijks heeft, het is onaanschouwelijk, een ademstoot, daar heeft Hij het ook daarbij niet gelaten. Maar dat verlossende Woord van God, dat ook een verlossende Wijsheid is, heeft zelfs niet geaarzeld, vlees te worden, daarin een weg gaande, die het vlees dwaas dunkt, maar die Gods hoogste Wijsheid blijkt. Het is ons niet onbekend, dat er in 'het griekse woord Logos, dat onze Statenvertaling met Woord vertaalt, nog we'l meer zit, maar het lijkt ons in Calvijn's stijl, wanneer we dat in een catechismusverklaring laten rusten. Dit is in alle geval de kern der zaak. Calvijn denkt kennelijk aan die , , dwaasheid" van het kruis, waarover het vlees het waanwijze hoofd schudt, daar het denkt, dat er zo van alles niets terecht komt. Maar dan zinspeelt Calvijn op het begin van Romeinen 1 : de , , dwaasheid" Gods is gerechtvaardigd in de opstanding van Christus, Die zo bewezen heeft de Zoon van God te zijn in kracht. De Wijsheid Gods is zo gerechtvaardigd door haar éne Zoon, ten bate van al haar dwaze kinderen. Zo heeft de Vader het offer van Zijn Zoon erkend en aangenomen, zo werd in Hem dan geopend de aanneming tot kinderen, waarover Paulus zulke 'bewogen woorden heeft mogen schrijven en waarin Calvijn ook zo sterkleeft. Waar God immers, de Vader van onze Heere Jezus Christus is, en Hij die Zoon aangenomen en erkend heeft, met alles, wat Hij deed en heeft, daar weten verloren zonen en dochters, dat ze in Hem een genadige en barmhartige Vader In de Heme'l hebben teruggekregen; dat ze in 'Christus hebben de aanneming tot kinderen, waarin de Heilige Geest als Geest, dier genade doet zeggen: Abba, mijn eigen Vader !

Nadat zo over de belijdenis aangaande God de Vader is gesproken, wordt daaraan meteen vastgeknoopt de vraag : En wat versta je daaronder, dat Hij almachtig is ? Geantwoord wordt: Dat wil niet alleen zeggen, dat Hij macht zou hebben, zonder die uit te oefenen, maar dat - Hij alle schepselen in Zijn hand heeft, zodat ze Hem onderworpen zijn; dat Hij alles beschikt door Zijn voorzienigheid; de wereld regeert door Zijn wil en alles leidt zoals het Hem behaagt. We nemen daar meteen het volgende bij, omdat daaruit blijkt, wat Calvijn in die almacht Gods het belangrijkste vindt. De predikant vraagt nl. verder: Dus je wilt zeggen, dat Gods macht niet werkeloos is, maar altijd bezig en dat er niets gebeurt buiten Hem om, maar alleen met Zijn toestemming of bevel. Het kind antwoordt : Zo is het inderdaad.

Op deze wijze getuigt Calvijn van de levende God, die sluimert noch slaapt, die tot nu toe werkt, die alfa en omega is, begin en eind.

We merken in de beide laatste vragen op, hoe Calvijn zich schrap zet tegen, wat we pas noemden het deïsme. Dat leerden b.v. de Epicureën van de oudheid, wier leer in de tijd van Renaissance en Reformatie herleefde. Ze laten de goden in de hoge hemel wonen en feestvieren, zonder dat ze zich iets aantrekken van het nietig aards gewemel. Daarmee wordt kennelijk de kleine mens tot een kleine godheid gemaakt: hij moet het zelf weten en doen, want hij is aan zichzelf overgelaten. Van die afgodische verhouding wil Calvijn niets weten. Geen God, die toeschouwer, onverschillig aanhangsel zou zijn. Hij is de Almachtige en Hij blijkt het te zijn: alle schepselen zijn in Zijn hand; Hij regeert alles naar Zijn bestek; leidt alle dingen naar het doel dat Hij zich ste'ldei. Hoewel Calvijn Gods voorzienigheid en Zijn verkiezing onderscheidt en b.v. de Verkiezing in géén geval berust op een geloof, waarvan Hij vooruit zag dat het zou leven in enig mensenhart, verstaan we toch wel, dat er verband bestaat. Het heil van de mens wordt niet In zijn eigen hand gelegd, maar als we van ons deel in Christus bewust zijn, dan kunnen we alleen van daar opklimmen tot de verkiezende God, van Wie het komt.

In deze Catechismus zwijgt Calvijn van het stuk der verkiezing. Hier komt het wel even in het gezicht, alleen het gebruik van voorzienigheid en verkiezing is verschillenid. De voorzienigheid toch is een algemene en is van te voren bekend. 'De verkiezende liefde Gods is niet algemeen en wordt , , na dezen" verstaan, d.w.z. uit de practijk van geloof en gebed. Vandaar dat Calvijn in zijn Institutie pas in Boek IV over de verkiezing Godis 'handelt. Zo zou hij het ook in deel 4 van onze catechismus kunnen gedaan hebben. Heeft hij het dan verzuimd ? Nee, maar hij heeft het in volop pastorale vorm gestoken. Wie zoals hij, zó van zonde en genade, van geloof en 'rechtvaardiging spreekt, die looft, prijst gedurig de verkiezende God, ook al doet hij dat niet in bepaalde dogmatische bewoordingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's