De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

14 minuten leestijd

VIII

PROF. DR. S. VAN DER LINDE

Zondag 4.

De vorige Zondag eindigde ermee, dat God niet werkeloos of toegefelijk is, maar dat Hij alle dingen regeert , , naar de raad van Zijn wil".

Dat wordt allereerst in de Schepping openbaar, die daarom een groot belang heeft voor het kennen van God. We zouden zelfs wel kunnen zeggen, met een variatie op een bekend spreekwoord: , , Zeg mij, hoe gij over de Schepping denkt (gelooft!), en ik zal u zeggen, hoedanig uw God is". Immers wanneer God gedacht wordt op de wijze van het pantheïsme, dat God en wereld in elkaar laat opgaan, is er voor een schepping geheel geen plaats. Wanneer de al eens genoemde deïsten God wel erkennen als de , , constructeur" van het heelal, maar die daarna dit schone geheel aan zichzelf overlaat, kan er van een schepping in de volle, diepe zin evenmin gesproken worden. Want de schepping, zoals ze in het christelijk geloof wordt verstaan en beleden, betekent juist een zeer bepaalde blijvende band tussen God en Zijn wereld, zoals die uitkomt in de belijdenis van een voorzienig bestel, dat blijvend over de geschapen wereld gaat. En niet alleen dat, maar een zodanige wereld, hoezeer ze diep van God onderscheiden is, moet dan ook wel de tekenen van Zijn wijsheid en goedheid vertonen.

De catecheet vraagt aan zijn leerling: Waarom voeg je daar aan toe, dat Hij de Schepper van hemel en aarde is ? Het antwoord luidt: Omdat Hij Zich aan ons geopenbaard heeft door Zijn werken, moeten wij Hem daarin zoeken. (Psalm 104; Rom. 1 : 20). Want ons kenvermogen is niet in staat. Zijn Wezen te begrijpen. Maar de wereld is ons a.h.w. een spiegel, waarin we Hem kunnen aanschouwen op een wijze, die voor ons vruchten afwerpt.

De Schepping is dus openbaring Gods. Hij treedt ermee buiten Zichzelf; doet op deze wijze, hoewel Hij zelf als Geest onzichtbaar moet zijn. Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid gestalte aannemen en geeft Zich zo aan ons te kennen. Als we dat zo zeggen, roept dat natuurlijk meteen een hele reeks vragen op: Als de schepping ook al openbaring is, doet dat dan niet te kort aan de betekenis van Christus, als van de openbaring Gods, buiten Wie om immers geen werkelijk kennen van God mogelijk is ? Het zal ons wel bekend zijn, dat vooral Karl Barth hier grote bezwaren en gevaren ziet, die hij met name betreffende de betekenis van de Schepping oppert, wanneer die tot een tweede (eerste!) openbaringsbron buiten Christus om wordt beschouwd. Daar dreigt, wat hij noemt een , .natuurlijke theologie", waarbij men uit , , natuurlijke" gegevens , , geestelijke" conclusies tracht te maken. Daar hebben zich vele protestantse theologen volgens hem aan schuldig gemaakt, waaronder kennelijk ook Calvijn; nog veel sterker dreigt dit gevaar bij de Rooms Katholieken, die God en Schepping zo makkelijk in analogie zien. Daartegenover stelt Barth, dat God werkelijk God, de levende God! is, Die daarom met niets en niemand mag worden gelijkgesteld. Hij is op geen enkel andere wijze te kennen dan door Zijn openbaring in Christus, welke openbaring in alle opzichten een bijzondere en geen algemene is, ook daarin, dat in de vleeswording van het Woord aan de dag treedt, dat Gods openbaring altijd tevens een verberging betekent. Van natuurlijkheid, algemeenheid of redelijkheid kan daarbij dus geen sprake zijn.

Ziedaar zeer kort samengevat, waarom Barth een verklaard vijand is van alle aanschouwelijke, ongebroken theologie en daartegenover stelt de theologie van de paradox, van de ergernis en van het Kruis van Christus.

We merkten al even op, dat hij daarin ook Calvijn in gebreke stelt, evenzeer Art. 2 van de Nederl. Geloofsibelijdenis en de Scheppingsleer, zoals ze in de Gereformeerde theologie voorkomt, te rijk aan „glorie" en te arm aan „Kruis" vindt.

Wat zullen we daarop antwoorden? Zeker wel eerst dit, dat, blijkens Zondag 4, Calvijn het dilemma: Schepping of Christus niet accepteert. Reeds uit de wijze, waarop hij sprak over het aandeel der drie goddelijke personen in de ene goddelijke , , huishouding", (Zondag 3) bleek ons, dat zowel Vader, Zoon als Heilige Geest ten nauwste bij de Schepping zijn betrokken. Reeds daaruit moet wel volgen, dat men God geen eer bewijst, als men de schepping zo omlaag haalt. Bij Barth leeft ten diepste, naar ons inzicht, een tegenstelling van stof en geest, van tijd en eeuwigheid, die op een andere wijze gevuld wordt dan de Schrift dat doet. Waar de Drieëne God Zich op zo intieme wijze met de schepping heeft willen verbinden, kan Calvijn er stellig niet toe komen, deze schepping kortweg bij de natuurlijke dingen in te delen. De tegenstelling: natuurlijk-geestelijk ziet hij kennelijk anders en we menen te mogen zeggen, dat voor Calvijn deze schepping eerder iets geestelijks moet betekenen, wat ze niet is, krachtens eigenmachtigheid, maar krachtens Gods welbehagen.

Hoewel Calvijn er van weet, dat Christus de Weg, de Waarheid en het Leven is en dat het Woord de Koninklijke weg is, om tot een levend kennen van God te komen, maakt hij toch niet de logische conclusie, dat dus de schepping in deze helemaal niets betekent. Is hij dan niet ontrouw aan zijn belijdenis aangaande de uitsluitende openbaring in Christus? We menen van neen, omdat het niet te veel moeite kost, op te merken, dat de kennis van God de Schepper, zoals de aanschouwing van Gods werken die wekt, geen positieve en rijke inhoud heeft. Merkwaardigerwijze stelt Calvijn aangaande deze kennis dat ze ons mensen behoort te brengen tot een kennis van God de Schepper en dat dit zou moeten en kunnen, maar hij bedoelt nooit, dat iemand uit de schepping God zou kunnen kennen op een wijze, die de Heere Jezus Christus enigermate zou overbodig maken. Deze kennis heeft vooral die zelfde negatieve kant, die de kennis, die door de Wet gewerkt wordt, ook heeft. Calvijn zegt er vaak van: deze kennis, zeer onvoldoende in zichzelve, heeft vooral de betekenis, dat ons alle onschuld ontnomen wordt. Wij konden weten en behoorden te weten, wanneer wij niet door onze zonde inzake de aanschouwing van God in Zijn werken zo blind waren geworden. Daarmee komt overeen, dat pas, wanneer de kennis, ook aangaande schepping en natuur, uit het Woord geput door ons wordt verkregen, het tot een volle en werkelijke kennis van Schepper en schepping komt.

Calvijn is dus minder systematisch dan Barth en, naar het ons dunkt, minder wijsgerig ingesteld. Zoals hij het bederf van de mens als volkomen erkent, laat hij, inconsequent naar het schijnt, nochtans staan, dat ook déze mens enkele vonkjes Godskennis zijn gebleven. Daarmee wordt de mens niet in de hoogte gestoken, maar God de Schepper geprezen. In diezelfde lijn moet het liggen wanneer de blinde mens nochtans iets van Gods goedheid en grootheid uit Zijn schepping opvangt, die in hun gebrekkigheid een , , tuchtmeester" naar het Woord, naar Christus zijn.

Zo openbaart God Zich in Zijn werken en daarin wil Hij gezocht zijn, ook al spreekt vooral Rom. 1 : 20 op aangrijpende wijze uit, hoe ver het vinden van het zoeken af ligt. Paulus was in Athene niet ontrouw aan zijn opdracht het evangelie te verkondigen, toen hij op gelijke wijze de Atheners ervan sprak, hoe het Gods bedoeling was, dat Hij a.h.w. getast zou worden in de concrete schepping. Hij bedoelde zo, op een apologetische wijze de natuur onderzoekers tot discipelen van Christus te maken. Dat het resultaat pover was, heeft hij erkend en dat heeft hem wel moeten bedroeven, maar niet te zeer .moeten verwonderen. Immers de weg van , , vonkjes" naar de zon is in geen opzicht een natuurlijke.

Dat Calvijn het zo practisch en ook apologetisch stelt, blijkt uit de woorden, dat het Wezen Gods ons volkomen ontoegankelijk is. Ons kenvermogen heeft nooit het vermogen gehad, zo hoog te stijgen en nu, na onze val, zeker niet. Maar als dan de rechtstreekse weg gesloten is, dan werd ons een middelijke geopend: de weg van de spiegel, die een verkleind beeld van het onbereikbare origineel binnen de kring van ons bevattingsvermogen stelt. Dat beeld van de spiegel gebruikt Calvijn graag en veel. Hij ontleent het kennelijk aan Paulus (1 Cor. 3 : 18) en moet wel sterk mèt Paulus hebben meegevoeld, hoe gebrekkig die spiegels en lenzen in de oude tijd waren, zodat er maar een zeer gesluierd en vervormd beeld door werd ontworpen. Dat wij ons, door middel van onze ken- en constructiemethoden op een triomfantelijke wijze van de kennis van God uit de natuur zouden kunnen meester maken, ligt al heel ver buiten zijn gezichtskring. Op allerlei wijze is de afbeelding van het origineel een verkleining en versobering. Ook daarin, dat God niet meer van Zich laat kennen dan zich verdraagt met Zijn hoogheid en onze geringheid.

De leerling heeft daar gesproken van hemel en aarde. Dat zijn nogal algemene aanduidingen die met concrete inhoud willen worden gevuld.- Daarheen leidt de catecheet het, door te vragen: Versta je onder hemel en aarde ook niet de overige schepselen? En het antwoord kan moeilijk anders luiden dan: Ja zeker, maar ze zijn in die twee woorden inbegrepen omdat ze alle of hemels of aards zijn. De bedoeling is duidelijk: onder , , hemel" moet ook verstaan worden al het hemelse en de „hemelingen", terwijl onder de aarde ook vallen alle aardse dingen en de aardbewoners. (, , de aarde en haar volheid". Psalm 24). Go'ds scheppingswerk gaat dus over die alle en ook Zijn Voorzienig bestel gaat aan geen ervan voorbij.

Daar spreekt de volgende vraag van, die luidt: Waarom noem je God alleen Schepper, waar toch het instandhouden en bewaren der schepselen veel meer betekent dan het ze eens geschapen hebben? De leerling geeft daarop het antwoord: (Inderdaad!) Er wordt daardoor dan ook niet alleen aangeduid, dat Hij op eenmaal Zijn werken in het aanzijn riep, om ze daarna in de steek te laten, zonder er verder naar om te zien. Maar we moeten het zo opvatten, dat, zoals de wereld in den beginne door Hem is gemaakt. Hij ze nu ook in stand houdt, zo, dat hemel en aarde en alle schepselen slechts bestaan door Zijn kracht. Verder, daar Hij zo alles in Zijn hand houdt, volgt daaruit, dat Hij er het bestuur en de macht over heeft. Daarom, waar Hij de Schepper van hemel en aarde is, leidt Hij door Zijn goedheid, kracht en wijsheid heel de loop der natuur, zendt regen en droogte, hagel, stormen en mooi weer, vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid, gezondheid en ziekten. Kortom, Hij heeft zeggenschap over alles om er zich van te bedienen naar Zijn goeddunken.

Als we Zondag 9 en. 10 van de Heidelberger hiernaast leggen, moet de verregaande overeenstemming ons wel treffen.

Olevianus heeft de Geneefse Catechismus goed gelezen en niet weinig gebruikt. In beide gevallen treft ons, hoe fel Calvijn opkomt tegen een opvatting als van de Epdcureën, die de goden in de hemel laten feestvieren, onbekommerd om wat op aarde voorvalt. Maar evenzeer maakt Calvijn front tegen de opvatting van de Stoïcijnen, wier leer juist ter zijde van de Reformatie in de z.g. Renaissance zeer sterk opleefde. Daar regeert een ijzeren noodlot de wereld, waar de goden ook al niet tegen opgewassen zijn en waartegen de wijze, die dit doorziet, zich wapent met kalmte en berusting, omdat ijzer immers nooit met handen is te breken en een noodlot onontkoombaar moet zijn. Wanneer Calvijn zo'n Stoïsch noodlot ten scherpste afwijst en de teugels der wereldregering in Gods hand ziet, dan kan dat een totaal andere levenstrant wekken dan de Stoïcijnen dat kenden. Dan vermelden we hier reeds, dat dus Calvijn's belijden aangaande de Verkiezende God ook niets van een zodanig noodlot kan hebben, maar dat zijn belijdenis van de in Christus verkiezende God evenzo grond geeft tot een levensstemming, als waartoe zijn leer van de schepping opwekt. Daar we vooral letten op hetgeen de Heidelberger zo niet heeft, vinden we geen reden, extra op dit antwoord in te gaan. Als zo nadruk gelegd is op het feit, dat God de teugels vast in de hand houdt, wekt dat bij velen, ook bij de catechisant, toch wel weer vragen. Dat het gezegde geldt van de christenen, van hun loop en strijd, van de rechtvaardiging, kan niet bevreemden. Maar, zo rijst de vraag: Wat de duivels en de bozen betreft: zijn die Hem ook onderworpen? Daarmee is een teer punt aangeraakt. Logisch en consequent geredeneerd moest het antwoord luiden: óf wel: Nee, want daar heeft God de Heiligde niets mee van doen. Of: Ja, want deze macht en regering Gods gaat immers over alles. De Hervormer Zwingli, de meest wijsgerige der Hervormers, ging deze laatste weg en aarzelde niet, de zonde en het kwaad regelrecht op te nemen in Gods bestuur en raad. Dat doet Calvijn niet. Hij is inconsequent, hij weigert speculatieve-verstandelijke conclusies te trekken, noemt God in géén geval de oorzaak van zonde en kwaad, maar laat de duivels evenmin vrij spel. Het antwoord van zijn catechismus luidt: Hoewel Hij hen niet leidt door Zijn Heilige Geest, houdt Hij ze wel in bedwang, zo, dat ze niet zouden kunnen bewegen zonder Zijn toestemming. En zelfs dwingt Hij ze, om Zijn wil uit te voeren, hoewel dat ingaat tegen hun eigen bedoelen en plan.

We worden gewaar, dat Calvijn hier hoge stukken aansnijdt. De Heidelberger liet ze liggen, maar Calvijn, die zich zijn leven lang het mikpunt zag van een demonische vijandschap die ver uitging boven zijn persoon, heeft zich menigmaal bezonnen op dit punt. Het komt dan ook in diverse van zijn werken voor. Zijn bedoeling is wel duidelijk. Hij onderscheidt hier, zij het wat vaag. tussen algemene en bijzondere voorzienigheid. De bijzondere, die vooral kerk en gelovigen betreft, houdt in de leiding van alle waarheid, door de Heilige Geest. De algemene, vooral waar ze op satan en de goddelozen ziet, kent niet die innerlijkheid, maar beperkt zich tot , , politiemaatregelen". We zien een pendant ervan in Calvijn's leer van de Wet in algemene zin vergeleken bij die van het Evangelie. Ook daar staat het in toom houden en tot gehoorzaamheid brengen tegenover het leven in de intimiteit van Gods huisgezin. Hoewel het ons niet moeilijk lijkt, op deze kijk critiek te leveren, zo b.v. in de vorm van de vraag, of zo'n gedeeldheid in God wel mogelijk moet geacht worden, omdat zo immers Zijn hele persoon niet achter elk van Zijn wilsuitingen staat, hebben we de overtuiging, dat critiek, zeker hier, gemakkelijk is, maar de kunst van verbeteren moeilijk. Wij voor ons achten ons daartoe bepaald niet capabel.

En wat troost ligt er nu in dit alles! ? We menen de Heidelberger te horen, maar horen eerder, ook daar, de Calvijnse Catechismus. De vraag is: Waartoe dient het zo, dat alles te weten ? Antwoord: Veel, want het zou erg zijn wanneer de duivels en de bozen de macht hadden, iets te doen tegen Gods wil in. En we zouden zelfs nooit rust in ons geweten hebben, wanneer ons van hun kant gevaar dreigde. Maar als we weten dat God hen de teugel strak houdt, zodat ze niets kunnen dan door Zijn toestemming, hebben we aanleiding, daarin te rusten en ons te verblijden, waar God belooft, onze beschermer te zijn en ons te verdedigen.

De rust, die de belijdenis van God de Schepper en Onderhouder geeft, is geen zorgeloze, maar eerder een rust, te midden der woedende golven. Deze vraag van Zondag 4 staat vlak vóór Zondag 5, waar nader over Christus wordt gesproken en na Zondag 2, waar Christus aangewezen werd als de vaste grond van een levend vertrouwen op God. We vinden in deze slotvraag bevestigd, wat we al opmerkten: de kennis van God de Schepper uit de natuur is zeer ten dele, zeer getemperd en zeer onvoldoende. Maar ze heeft haar doel toch geheel bereikt, als ze tot Christus brengt, om in Hem te bezitten, wat elders vergeefs gezocht wordt.

Ut                                      v. d. L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's