De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vrouw en het kerkelijk ambt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrouw en het kerkelijk ambt

8 minuten leestijd

De discussie over de vraag van de vrouw en het ambt is vrijwel vastgelopen, zodat wij elkaar niet veel meer te zeggen hebben. Eigenlijk gaat het nu in de kerk alleen nog maar over de vraag, wie de meeste stemmen kan winnen, dus feitelijk : welke partij is de sterkste ? Mij dunkt, dat in zo'n verhouding geen verantwoorde kerkelijke beslissing over een zó ingrijpende kwestie kan genomen worden. Het lijkt mij onjuist, wanneer het recht van de sterkste over de toelating van de vrouw tot de ambten zou moeten beslissen. Daarom zullen wij er best aan doen deze zaak te laten rusten, totdat God ons meer zekerheid geeft over de weg, die wij samen hebben te gaan. Zou het niet wenselijk zijn in de eerstkomende tien jaar geen beslissing te nemen ? Op een geschiedenis van 20 eeuwen is toch een dergelijk uitstel geen onoverkomelijk offer? Wanneer wij ervan overtuigd zijn, dat het Gods wil is, dat de vrouw tot de ambten toegelaten wordt, zullen wij ook geloven, dat Hij haar het ambt zal geven. Alleen zou, wanneer wij op dit ogenblik van een beslissing afzien, de kerk ervoor bewaard mogen worden, dat zij toegelaten werd op een manier, die stuitend is en onrust baart.

Geen zekerheid.

Als wij de tot dusver gevoerde discussie overzien, blijkt, dat ons op dit punt de duidelijkheid van de Heilige Schrift ontbreekt. De tegenstanders leggen de nadruk op het een en de voorstanders op het ander, zonder dat het iemand gelukt is werkelijk boven de tegenstellingen uit te komen. De Schrift is voor geen van beide partijen zo klaar geworden, dat men daardoor de ander overtuigen kan. Ook dat moet ons nopen van een beslissing in het huidige stadium af te zien. Wanneer wij op deze wankele basis verder gaan, is er geen enkele garantie, dat wij als kerk in de waarheid Gods geleid worden. Als de Heilige Geest de Kerk een nieuwe, weg doet zien en een nieuwe opdracht geeft, brengt dat ongetwijfeld een grotere helderheid met zich mee, dan waarover wij nu beschikken. De verhoudingen binnen de Kerk getuigen meer van onzekerheid en verwarring, dan van zekerheid des Geestes.

Schrift stelt geen eis.

De Schriftgegevens pleiten stellig niet voor de toelating van de vrouw tot het ambt. Ook door de voorstanders wordt toegegeven, dat de bijbelse situatie de vrouwelijke ambtsdrager niet veronderstelt. Ik meen te mogen zeggen, dat niemand er in geslaagd is duidelijk te maken, dat de Schrift de toelating eist. In de discipelkring, onder de apostelen, ook onder de diakenen, treft men geen vrouwen aan, ondanks 't feit, dat vrouwen de eerste boodschappers van de opstanding waren en de Heilige Geest werd uitgestort op alle vlees. Dat laatste zou juist verwachtingen wekken, die in de bijbel niet vervuld worden. Wel heeft de Heere Jezus vrouwen stellig niet buiten zijn omgeving gehouden. Uit de groeten (b.v. in Rom. 16) te concluderen tot het voorkomen van vrouwelijke ambtsdragers,  is een geforceerde exegese, die dus buiten de discussie moet gehouden worden.

Dit klemt temeer, waar het zeker niet te bewijzen valt, dat de vrouw in de Nieuw Testamentische tijd nog in een soort slavernij leefde. Van verschillende kanten is gewezen op een tegengestelde beweging. Ook overigens heeft het de Heere Jezus en zijn apostelen niet aan revolutionair elan ontbroken. Een eventueel conflict met de tijdgeest ging men niet uit de weg.

Gelijkwaardig, maar onderdanig.

De gelijkwaardigheid van man en vrouw is niet in strijd met de onderdandgheid van de vrouw. Die onderdanigheid is juist een scheppingsorde, die in 't Nieuwe Testanient krachtig wordt onderstreept en tot een analogie wordt van de verhouding tussen Christus en zijn gemeente. Deze scheppingsorde brengt een zekere rangorde, een verschil in positie, met zich mee. Dit is de contekst, die bij de verklaring van de z.g.n. zwijgteksten in acht genomen moet worden.

De bijbel ziet man en vrouw niet alleen in hun gelijkwaardigheid, maar ook in hun eigen waarde, waarin het voorgaan van de man en het volgen van de vrouw belangrijke elementen zijn. De schepping van de mens naar Gods beeld als man en vrouw, mag niet zo worden geëxegetiseerd, dat daardoor het uitzicht op deze onderschikking zou worden verduisterd. Daarom zijn daaraan ontleende argumenten voor de huidige discussie onzakelijk.

Tijdgebondenheid.

In de discussie over de gegevens mag de tijdgebondenheid niet tot een verklaringsprincipe worden, waarbij de tijd en het milieu van beslissende betekenis worden voor de uitleg van de Schrift. Het is niet zo, dat de tijd en het milieu het Woord belichten, maar het behoort veeleer zó te zijn, dat het Woord de tijd en het milieu belicht, eventueel critisch belicht. Anders zou de tijdgebondenheid dezelfde functie krijgen als de traditie in de roomse kerk. Als de behoeften, die in een bepaalde tijd leven, van doorslaggevende betekenis gaan worden voor de visie op de Schrift, lijkt mij het gevaar groot, dat wij met volle zeilen aansturen op de klippen van de natuurlijke theologie. Tijd en milieu konden dan wel eens dezelfde waarde krijgen als bloed, bodem en geschiedenis in de Duitse kerk in de dertiger jaren. Wij doen er dan goed aan de verklaring van Barmen niet te vergeten.

Het argument, ontleend aan Gal. 3 : 28, is theologisch volstrekt niet ter zake, omdat het verband daar niets met het ambt heeft uit te staan, maar met de rechtvaardiging door het geloof en de verzoening met God door Christus. De volkomen gelijkwaardigheid in dit geheimenis der godzaligheid, mag niet zo overspannen worden, dat daardoor de bijbelse visie op de verhouding van man en vrouw, ook hun positie in de ambtsvervulling, wordt bepaald en scheef getrokken.

Schrift moet de weg wijzen.

Men hoort vaak argumenteren vanuit de leiding van de Heilige Geest, die ons er in dit tijdsgewicht toe nopen zou de ambten voor de vrouw open te stellen. Maar dit argument dus nietszeggend, zolang niet is aangetoond dat de Schrift zelf ons deze weg wijst. Het is toch een van de kernpunten van de reformatie, dat de leiding des Geestes niet losgemaakt mag worden van het getuigenis van de Schrift. Wanneer het rechte verband tussen Woord en Geest verzwakt wordt, leidt dat tot spiritualisme. Dit subjectivisme hebben de reformatoren juist met kracht bestreden als een wezenlijk gevaar voor het gezonde leven van de Kerk. Dit pleidooi voor de vrouw in het ambt zou een stadium kunnen zijn van de weg van Geneve naar Munster.

Wij zullen ons niet op een dwaalspoor mogen laten brengen door een argumentatie vanuit de bekwaamheid van de vrouw en de noodzaak van het vrouwelijk element in de leiding van de Kerk. Niet de bekwaamheid, maar de roeping wordt immers in twijfel getrokken. Over de noodzaak mag niet beslist worden vanuit de gebleken bekwaamheid van de vrouw, maar vanuit de Schrift. Wij zullen er terdege voor moeten oppassen ons niet te laten leiden door gevoelsmatige overwegingen, maar door de gehoorzaamheid aan het geopenbaarde Woord van God.

Geen ambt, wèl dienst.

Het gaat natuurlijk niet om de uitschakeling van d!e vrouw uit het kerkelijk leven, maar wèl om de vraag of de Schrift ook ruimte laat voor de vrouw in het regeerambt van de Kerk. Wanneer wij het laatste afwijzen, zullen wij ons terdege moeten bezinnen op de dienst van de vrouw. Daarvoor wijst de bijbel een duidelijke ruimte aan, die nog lang niet is uitgeput.

Het geeft te denken, dat nu bij deze tweede ronde het beroep op de Schrift bij de voorstanders belangrijk zwakker is dan destijds tijdens de eerste ronde.

Dat is een gevaarlijke ontwikkeling, waar toch de leiding van de Heilige Geest een toenemende verdieping van het inzicht in de Schrift met zich mee zou moeten brengen. Was het goed, dan zou de Schriftuurlijke weg ons gaandeweg  duidelijker moeten zijn geworden.

Maar in werkelijkheid zijn wij steeds dieper in de mist geraakt en hebben juist de niet-bijbelse, de psychologische en culturele argumenten aan kracht gewonnen. Daarom temeer zal de uiterste voorzichtigheid betracht moeten worden.

Dispensatie onwaardig.

Wanneer de vrouw tot het predikambt zou moeten worden toegelaten, dan is het de vrouw en der kerk onwaardig, als die weg alleen zou geopend worden met behulp van dispensaties. Overigens is het onjuist en gevaarlijk, wanneer de omvang en de draagkracht van deze dispensaties in het geheel niet omschreven worden.

Nood der tegenstanders.

Overgangsbepalingen zijn niet in staat de nood van de tegenstanders op te heffen. Dit zijn toch immers maar tijdelijke bepalingen, waardoor op de duur de tegenstanders toch komen te staan voor die situaties, waarvoor men ze nu nog wil beschermen. Deze overgangsbepalingen dienen toch niet om het verzet langzaam te breken ?

Men zal wel moeten bedenken, dat de aanvaarding van deze voorstellen het vele trouwe leden van de Kerk bijzonder moeilijk zal maken om het ambt in de ambtelijke vergaderingen te vervullen.

Wat gebeurt er, wanneer straks velen besluitvorming, waaraan door vrouwelijke ambtsdragers is meegewerkt, niet als wettig in de Kerk van Christus' zullen kunnen en dus willen accepteren ? Men zal de moeilijkheden en de spanningen, die hieruit ontstaan, niet mogen onderschatten. Ongeveer de helft van de Kerk is immers nog steeds tegen. Zodoende zou het wel eens kunnen blijken, dat men demonen heeft opgeroepen, die men niet meer bezweren kan. En wij zullen het wel heel goed moeten weten of de onderhavige zaak dit (grote) offer wel werkelijk waard is.

Men doet de tegenstanders onrecht aan, wanneer men hun een reactionaire houding verwijt of zelfs beschuldigt van het voeren van obstructie. Wij zullen althans moeten beginnen met oog te hebben voor de gewetensnood waarin zij verkeren. Ook de voorstanders zeggen, dat het voor hen een gewetenszaak geworden is. Dat maakt de hevige spanning rondom deze vraagstelling zichtbaar. Mij dunkt : voordat men van Godswege het recht heeft de orde in de Kerk na 20 eeuwen te veranderen, zal men eerst het uiterste moeten doen elkaar van deze gewetensnood te verlossen. Dat is toch de eenvoudige eis van broederlijke liefde, die van elk lidmaat van de Kerk van Christus wordt gevraagd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De vrouw en het kerkelijk ambt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's