De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

13 minuten leestijd

Predikantenvergaderingen — „De dominees-driedaagse" — , , Zaken, die haken" — Prof. Kraemer over „gemeenteopbouw" en de discussie Buskes-De Wilde — In retraite — „Saecularisatie geen spooksel" — „Kerugma en communicatie" — „Vertalen van het Evangelie" — In „chronisch gesprek" — „In onze talen" — De „grote werken Gods" — „Tale Kanaans" — Over liturgie en biecht — Vrij Evangelische predikanten — Trouwe opkomst — Nijverdal en Utrecht — Dr. G. P. van Itterzon tot hoogleraar benoemd.

Elk jaar opnieuw zijn de predikantenvergaderingen en met name de Utrechtse, die dus van de ned. hervormde predikanten — , , de traditionele domineesdriedaagse" genoemd — een evenement, een betekenisvol gebeuren. En dat niet alleen, doordat de dominees na de •wintercampagnes eens even kunnen uitblazen, er echt eens uit zijn, om dan voorts enige wetenschappelijke verdere fundering of oriëntering te ontvangen, maar ook zijn ze van belang voor de gemeente. Deze kunnen uit onderwerpen en besprekingen wel een indruk krijgen, als ze het anders nog niet wisten, wat zo al de brandende kwesties zijn in het kerkelijk leven.

Vooral wanneer aan de orde gesteld wordt een onderwerp of bespreking als: , , Zaken, die haken." Deze formulering was nl. gekozen als verzamel-onderwerp voor eventueel te stellen vragen op de begroetingsavond, welke dan door een forum zouden worden beantwoord. Dat is/was een novum, iets nieuws. Men heeft daarop niet bijster ingehaakt; hoewel wel 'n 2000-tal uitnodigingen waren rondgezonden, had men slechts een zevental vragen ingediend. In het verslag, dat de N.R.Crt. d.d. 17-4-'58 gaf, waren ze niet alle vermeld de voornaamsten wei; naar ik vermoed. Allereerst is gehandeld over de vraag, , , hoe de gedachte van gemeenteopbouw verder of opnieuw gestalte kan krijgen in de kerk". Prof. dr. H. Kraemer — hij hoopt dezer dagen zijn 70ste verjaardag te vieren •— antwoordde daarop: , , dat de situatie sinds 1947 totaal is gewijzigd, dat van de leidinggevende mensen uit die dagen vrijwel geen meer over is of werkzaam, en dat het de vraag is hoe deze zaken thans, ruim tien jaar later, te formuleren. Prof. Kraemer zag thans andere vragen als zeker even belangrijk, n.l. wat de plaats is van de Hervormde Kerk in verband met de Nederlandse natie en in de gehele wereldsituatie. Hij zag wel vaag zich lijnen aftekenen, maar voelde zich nog niet in staat dit alles in concreto in de actuele Nederlandse situatie uit te werken".

Ook de discussie Buskes—De Wilde kwam aan de orde, waarbij , , beide discussianten zich niet onbetuigd hebben gelaten". Prof. Kraemer zeide in dit verband: , , 'dat een discussie, zoals die door beide schrijveirs in een kerkelijk blad is gevoerd, voor de kerk toch blijkbaar niet de gunstigste weg schijnt te zijn. Spreker vroeg zich af of een goed voorbereide retraite met een scherp om­schreven programma niet beter resultaat zou afwerpen. Zijn oordeel bleef, dat men in het dokteren aan deze separatie niet ernstig genoeg nam wat het betekent naar de opdracht van de Heer samen kerk te zijn. In het licht, zoals het nu schijnt, blijft de vraag klemmen — zoals ook in de discussie bleek — of men nog wel bij elkaar hoort".

Dat laatste onderstreep ik. En ik beantwoord de vraag met een hartgrondig: neen.

Bij de opmerking betreffende de „retraite" moest ik denken aan wat wijlen prof. Daubanton eens op college zeide over de toenmalige controversen op theologisch en kerkelijk gebied, in dezer voege, dat men de coryphaeën en leidslieden samen moest brengen op de Mookerheide met de bepaling daar te blijven, totdat ze tot overeenstemming waren gekomen. Dat was naar de vorm iets anders, doch naar het wezen wel ongeveer in dezelfde lijn. Of het effect zou gesorteerd hebben? — Misschien ware dit een weg om , , na bedaard overleg", om met wijlen ds. Molenaar te spreken, tot een vreedzaam uiteengaan te komen, en het met de vrijheid te wagen. Dan behoefde men ter jaarvergadering van de Gereformeerde Bond ook niet meer te klagen over , .steeds meer onaanvaardbare synodale maatregelen", gelijk woensdag 23 april j.L, naar het verslag van , , Trouw" d.d. 25 april j.L, dr. Bout, 2e voorzitter, bij afwezigheid van prof. Seyerijn, in zijn openingsrede deed. Hoe dan ook, voorshands zijn wij nog in de moeilijkheden door de onmogelijke figuur van de , , quadratuur van de cirkel". Tenminste, tot een andere typering van de huidige situatie in de Hervormde Kerk kan ik nog steeds niet concluderen.

„Saecularisatie geen spooksel"; met dat opschrift vestigde het verslag van de N.R.Crt., waaruit ik reeds citeerde, de aandacht op het referaat van prof. dr. J. de Graaf, hoogleraar in de theologische faculteit der Utrechtse universiteit, 15 april j.l. ter vergadering gehouden over „Kerugma en communicatie". Ter kennisname van het door hem gesprokene het volgende citaat: „De allesbeheersende vraag is: hoe moet de kerk haar boodschap (kerugma) in de wereld uitdragen, d.w.z. communicatie met haar verkrijgen? Een wereld zonder kerugma voert tot atheïstisoh nihilisme. Maar een kerk zonder communicatie pleegt verraad aan haar Heer en aan de wereld. Zo'n kerk verstompt en sterft. De inleider vond in 1 Joh. 1 : 1—4 de opdracht aan de kerk in de wereld getuige van God te zijn. Deze communicatie met de wereld is niet een methode om te , , bekeren", maar zij is het fundamentele, goddelijke feit en de inhoud van haar tweevoudige opdracht". En verder: , , Er moet een gesprek ontstaan tussen de gelovige en de ongelovige. De kerk mag de waarheid niet objectief voorhouden als een arsenaal van bepaalde waarheden, waar een ander zijn waarheid of ideologie weer tegenover stelt. Dit alles heeft geen zin meer. Een chronisch „gesprek" moet ontstaan. Geen fundamentalisme of verlicht dogmatisme tegenover een andere opvatting heeft nog enige betekenis: de moderne mens wil dit niet meer. De verkondiging, het kerugma, moet een actuele reële ontmoeting van de mens met God mogelijk maken. Ook Stalin bijv. verwierp met felheid een opvatting van het marxisme, dat niet anders zou zijn dan een systeem van tijdloze dogma's".

Om een en ander concreet toe te lichten, nam prof. De Graaf als , , specimen", als proeve , , van saecularisatie" het communisme en zeide in dit verband:

, , Voor de Westelijke christenen verschijnt het communisme primair als materialisme, secundair als atheïsme, en in de derde plaats als een foutieve antropologie. Maar deze volgorde is onjuist: primair was de politieke strijd, als gevolg kwam het atheïsme, en slechts in de derde plaats, als tegenwicht tegen spiritualisme en idealisme, het materialisme, aldus ging prof. de Graaf voort. Maar het marxisme is niet in staat het brood des levens te produceren. Het voert de mens tot nihilisme of tot de kerk, als. deze haar opdracht verstaat. De ware communicatie brengt voor gelovige èn voor ongelovige aan den dag wat de Bijbel van de mens en van de wereld denkt; doet de kerk ook inzien de schuld van een verkeerd gebracht kerugma. Maar omgekeerd zal het idealisme van het communisme gaan vragen naar wat het materialisme overwint".

Met het mij passend respect voor de goede bedoelingen van prof. De Graaf meen ik toch, dat hij het communisme in een veel te gunstige belichting heeft gesteld, en nagelaten heeft het als de vijand van het, , kerugma" te signaleren. Hij voert ons zo een weg op, die wij niet mogen gaan, juist om het „kerugma", naar ik meen een weg, welke doet denken aan wat dr. Berkhof op een „voorlichtingsvergadering" indertijd uitsprak, toen hij zeide: „Want zelfs onder een russische bezetting valt te leven". (Men zie Kroniek d.d. 9-1-'58).

Het spreekt haast wel vanzelf, dat in een referaat als prof. De Graaf ter predikantenvergadering hield, ook ter sprake kwam wat men wel noemt het , , vertalen van het Evangelie voor de moderne mens". Ik denk aan wat hij opmerkte in de uitspraak: „men moet de wereld zelf ontmoeten om te leren, hoe tot haar te spreken en tegelijk eigen opdracht beter te verstaan. Dan zal veel in haar vormen in spraakgebruik en geloofsvoorstellingen moeten veranderen". En ook memoreer ik nog weer de uitspraak — ze is te vinden in het 2e citaat, dat ik in het begin reeds gaf — „de moderne mens wil dit (nl. fundamentalisme en verlicht dogmatisme) niet meer". Voeg daarbij nog, dat, gelijk hij in het begin van zijn referaat had verteld, dat Engels, een der vaders van het moderne materialisme (Marxisme) , , op grond van een verlate en ouderwetse preek" atheïst was geworden, en men voelt, dat dit de moderne mens aanspreken in zijn eigen taal het non plus ultra van de , , verkondiging" wordt.

Nu is het zeer zeker eis voor de prediking, dat zij gebracht wordt in een taal, welke de mens, aan wie verkondigd wordt, verstaat.

In Handelingen 2 horen we als aangrijpende reactie uit de menigte opklinken; „wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken", (vs. 11). Dat was geheel enig, ik weet het. Maar de kern vormden toch , , de grote werken Gods" Die waren het een en het al. En juist omdat de apostelen daaruit leefden en spraken, kwam die reactie.

En nu bekruipt mij vaak de vrees als ik hoor en lees over wat prof. De Graaf noemt in , , chronisch gesprek met de wereld", dat juist , , die grote werken Gods" daarin niet opklinken. Zeker, de spreker zeide wel, dat , , niet haar opdracht: haar geloof, dat God Zich in Jezus Christus met deze wereld bemoeien wil" moet veranderen. Doch daarin lees ik niet het machtige van Handelingen 2:11. Zie, het is mogelijk, en helaas vaak een feit, dat men , , het Evangelie vertalende", het Evangelie niet meer hoort. Het is dan om zo te zeggen: wegvertaald. En dan houden we een lege schaal over. Dat voert tot nihilisme.

Er is nog iets. Paulus zegt, dat het Evangelie niet is ., , naar de mens". Met al het „vertalen" en peilen van de behoeften van de moderne mens is er gevaar, groot gevaar, een Evangelie te brengen pasklaar voor de mens. Men is dan bezig, de scherpe kanten van het Evangelie af te vijlen.

Ach, ik weet wel, men zal zeggen dit niet te bedoelen, doch de feiten wijzen het tegendeel uit. Ik schuw geen , , chronisch gesprek met de wereld", maar dan in de zin van Paulus, en de groten in Gods Kerk. En in die weg zullen we met Kohlbrugge ook nog durven spreken over het goed recht van de , , tale Kanaans". Zo zullen we in een situatie, die, bij vorige eeuwen vergeleken, veranderd is, ja waarlijk onrustbarend veranderd, toch niet tornen mogen aan geloofsvoorstellingen, die ook wat de vorm betreft, nodig waren om het geloof, eenmaal den heiligen overgeleverd (Judas 1:3), te vertolken, met de bede dat God de Heilige Geest de weg bane tot de harten.

Dat de weg door prof. De Graaf in zijn referaat getekend, niet bepaald ongevaarlijk is, blijkt wel, als het slot van het verslag ons meldt:

„De kerk die op deze wijze de roeping in de wereld verstaat, kan nimmer de weg van de leertucht van de een op de ander mogelijk achten, aldus besloot spreker".

De week vóór de Hervormde predikanten-vergadering zijn de predikanten der Gereformeerde Kerken samen geweest. Hun bijeenkomst was wel sterk liturgisch geaccentueerd, d.w.z. zij hebben het stuk der liturgie van verschillende zijden zien belichten en daarover hun mening en zienswijze gegeven.

Het , , bulletin" no. 16 Persbureau Ned. Herv. Kerk meldde:

, , Tijdens de vergadering van de vereniging, die verleden week te Utrecht plaats vond, stond de liturgie in het middelpunt. Een der inleiders betoogde, dat zowel in de theologie als in de gemeente, behoudens enkele gunstige uitzonderingen, de liturgie in de Gereformeerde Kerken niet de belangsteling heeft, die ze verdient. De verhouding van de liturgie tot het gewone leven is niet die van oase tot woestijn, zo zei hij. Zowel de verlevendiging van het liturgische besef, als de liturgische vormgeving zullen in gereformeerde kring zaken van diepgaande bezinning moeten worden".

Ook is het vraagstuk van de biecht aan de gezichtseinder verschenen. Niet, dat over dit punt is gerefereerd. Het , , bulletin" voornoemd meldt:

, , Het bestuur van de vereniging van predikanten van de Gereformeerde Kerken in Nederland zal een prijsvraag uitschrijven die over de biecht handelt. Het gaat om de vraag: kan- een onderzoek worden ingesteld naar de theologische verantwoording en praktische wenselijkheid van een biecht in de gereformeerde kerken? De inzending sluit op 1 februari 1960".

Het laat zich dus aanzien, dat in dat jaar ter predikantenvergadering over de biecht zal gehandeld worden. Het schijnt dus wel, dat er vragen rondom de biecht leven in de kring der Gereformeerde Kerken, doch ze beroeren nog niet in zulk een mate de gemoederen, dat een behandeling op korte termijn urgent is.

Er zijn rondom, Pasen nog andere predikantenvergaderingen gehouden, o.m. die der vrijzinnige theologen in Amsterdam. Ook de predikanten der Vrij- Evangelische gemeenten waren samen te Nijverdal en wel op 15 en 16 april. Het verslag zegt, dat , , vrijwel alle predikanten aanwezig waren". Ik vermoed, dat geen der andere predikantenverenigingen op zulk een trouwe opkomst kon bogen.

Ds. Enter Jr. sprak over het beroepingswerk. Dat kan een bijzonder interessant en vruchtbaar onderwerp geweest zijn, want het is van grote en wondere verscheidenheid. Woensdag 16 april was de hoofdschotel: , , De benadering van de moderne mens".

, , Trouw" d.d. 17-4-'58, waaraan ik ook het bovenstaande ontleende, geeft daarvan het volgende overzicht: , , Spreker ging uit van enkele stellingen waarin hij poneerde, dat de mens alleen dan echt leeft, als hij leeft in de juiste verhouding tot God en tot de naaste. Aan de hand van deze stelling werd de nood van de moderne mens getekend in zijn eenzaamheid, gebrokenheid en verlorenheid. Bij de vraag naar de wijze, waarop de mens van vandaag in zijn ontkerstening en ontkerkelijking in aanraking gebracht kan worden met het evangelie, werd uitgegaan van de stelling, dat wij ons hier zullen moeten rich­ ten naar het voorbeeld dat God zelf ons gaf in de overgave van Zijn Zoon en de menswording van Christus. Deze inleiding gaf stof tot intense bespreking, terwijl de gedachtenwisseling tevens gelegenheid bood tot het uitwisselen van praktische plannen en ervaringen op dit terrein in stad en dorp".

Wat het onderwerp betreft, was er overeenkomst tussen Utrecht en Nijverdal. Maar in Nijverdal was men naar mijn mening meer in de lijn van de Heilige Schrift en niettemin afgestemd op de nood dér wereld.

Met bijzondere voldoening heb ik kennis genomen van het bericht, dat in de plaats van prof. dr. M. van Rhijn, die eind mei afscheid hoopt te nemen als hoogleraar in de kerkgeschiedenis te Utrecht is benoemd dr. G. P. v. Itterzon, hervormd predikant te Den Haag. Onze hartelijke gelukwensen aan de benoemde !

Meerderen wisten, wat , , Trouw" d.d. 21 april j.l. meldde, dat hij reeds driemaal op een voordracht voor hoogleraar heeft gestaan. Waarom hij dan niet eerder werd benoemd? Dat werd niet vermeld en valt slechts te gissen. Ik meen, dat wie dr. Van Itterzon enigszins kennen en tot oordelen bevoegd zijn het er wel over eens zijn, dat het niet aan zijn bekwaamheid ligt. Ik verheug mij erover, en ongetwijfeld velen uit onze gelederen met mij, dat deze benoeming geschiedde. Dr. Van Itterzon; leerling van prof. dr. A. Eekhout, onder wie hij promoveerde — was het niet cum laude? — op een proefschrift over Franciscus Gomarus, deed zich daarna kennen als een uitnemend kerkhistoricus. Hij is voorzitter van de Schoolraad en 2e voorzitter van , , de Unie een School met den Bijbel" en, als zodanig heeft hij vele verdiensten voor het christelijk onderwijs, waarvoor hij, als het nodig is, met grote overtuiging op de bres staat. Men herinriere zich de kwestie-Hardegarijp.

In de bezetting van de Utrechtse leerstoel door dr. Van Itterzon is m.i. een versterking te zien van de gereformeerde gezindte aan de Academie, aan welks oprichting de naam van Voetius zo nauw verbonden is. , , Sol justitiae illustra nos", d.i. Zonne der gerechtigheid, verlichte ons, is haar devies. Die zon zij de nieuwe professor tot licht en bezieling. God de Heere zegene hem en stelle hem tot zegen in dit werk, dat zij tot welzijn van wetenschap en kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 mei 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's