De catechismuspreek
IV
Na het voorafgaande komt nu de catechismusprediking, de eigenlijke uiteenzetting van het Heidelbergse leerboek in de „namiddachse predikatiën" onder ons gezichtspunt. Moet die worden ingezet met een prediking, welke als „Inleiding" kan gezien worden en waarin dan de herkomst, historische bijzonderheden, de auteurs en wat meer tot recht verstaan kan dienen — beknopt natuurlijk — worden gegeven ?
In de homiletische handboeken, welke speciaal aan de catechismusprediking een korter of langer hoofdstuk wijden, heb ik over dit punt geen aanwijzing of raadgeving gevonden. Ik kan dat heel goed begrijpen. De 1e zondagsafdeling van ons leerboek is reeds als „Inleiding" te zien. Men zal in de genoemde handboeken hebben aangenomen, dat de gemeente uit de catechisatie wel genoegzaam op de hoogte is gebracht met de origine van de catechismus en wat daarmede samenhangt. Zo moest het ook zijn. Zo zou het ook wezen, indien de catechisatie niet maar was het stiefkind der gemeente, doch haar troetelkind. Dat is helaas niet hét geval. Zonder overdrijving kunnen we constateren, dat in steden en dorpen een betrekkelijk groot percentage van de kinderen der gemeente het onderwijs der Kerk niet volgt, of slechts ongeregeld. Dientengevolge hebben we een kerkvolk — uitzonderingen daargelaten —dat in de catechismus en zijn geschiedenis niet is onderlegd. En waar het historisch besef, en daardoor de interesse voor de geschiedenis gemeenlijk vandaag aan de dag niet bijster groot is, dienen we de lacunes in dezen zoveel mogelijk weg te werken. Want het is nodig de historische achtergrond van ons leerboek, althans in hoofdzaken, te kennen, zal men de rechte betekenis van het leerboek verstaan' en het waarderen en liefkrijgen om zijn uitnemende, Schriftuurlijke inhoud. Recht begrip van deze dingen zal onder de leiding van de Heilige Geest de zegen op de prediking bevorderen.
Om alles, wat hiervóór in het licht is gesteld, pleit ik voor een inleiding op de prediking van de catechismus, met name, wanneer men in zijn eerste gemeente begint met de behandeling van het leerboek. Gelijk de catechismusprediking zelve, kan ook deze historische verdieping voor de prediker zelf grote winst afwerpen.
Ik spreek hier uit eigen ervaring. Ik ben nog altijd de consulent mijner eerste gemeente dankbaar, dat hij mij, toen ik met de catechismusprediking zou beginnen — nog nooit was in die gemeente deze prediking gehouden — aanried een inleiding daaraan te laten voorafgaan. Hij zelf, zo vertrouwde hij mij toe, deed het steeds, wanneer hij opnieuw met de catechismusprediking aanving.
Nu spreekt het wel vanzelf, dat men, zó de catechismusprediking inleidend, de gemeente niet moet vergasten op een louter historische uiteenzetting, noch een stroom van feiten en jaartallen over haar moet uitgieten. Het zou als een koudwaterbad werken.
Men zou in dezen kunnen handelen gelijk men ook wel doet op bijzondere gedenkdagen, als, om deze ene slechts te noemen, de herdenking van de Kerkhervorming. Dan wordt gemeenlijk een tekst gekozen, waarin het gaat over de „daden des Heeren", om zo te schetsen wat God in de reformatie tot openbaring bracht. Men heeft dan gelegenheid in het licht te stellen de genade Gods, welke die mannen en voortrekkers, die helden Gods, aangreep en dreef, om zo de gemeente te spreken van de bezieling des Heiligen Geestes, de Geestdrift, daardoor gewerkt, om brandende harten! te wekken en de vertroostingen Gods uit te reiken.
De Bijbel geeft meerdere teksten om van daaruit Gods gave in het leerboek van Heidelberg ons gegeven, in het licht te stellen en het hoge belang de gemeente op het hart te binden, dat zij ook in haar tijden ga in het spoor, daarin getekend. Ik denk hierbij aan een woord als 1 Tim. 6 : 20 : „O, Timotheüs, bewaar het pand, u toebetrouwd". Men kan ook zijn keus doen uit gedeelten, waarin het gaat over de Heilige leer. Een en ander; hier genoemd — ik deed maar een enkele greep — is voor wie enigszins thuis is in de Heilige Schrift, genoegzaam aan te vullen.
Zo kan, mits God het zegene, bij de gemeente iets van heilige interesse gewekt en gewerkt worden voor het oude leerboek, dat haar zo, reeds in de aanvang, getekend wordt als een kostbaar kleinood en een rijke schat. Zij zal het op deze wijze kunnen zien als een boek, geboren uit de bewogenheid voor de ganse reformatorische gemeente, de jeugd inbegrepen, en als een geschrift, dat juist daardoor zo uitnemend de Kerk van toen heeft gesterkt en getroost, doordat het om niets anders ging dan haar te funderen in het Woord Gods en te doen leven, in alle tribulaties, uit het eeuwig Evangelie.
Na het voorafgaande, komt thans de behandeling zelve aan de orde. Hoe moet die zijn ? Niet of wèl gesplitst ? Moet men geregeld één zondagsafdeling in haar geheel nemen, of is het aan te bevelen meerdere preken aan één afdeling te wijden?
Op dit punt zwijgen de homiletische handboeken niet. Er zijn er, die een zekere splitsing aanbevelen. Ik hoop op dit , , gesplitst" preken nog terug te komen, en ga er dus hier niet op in.
De aangewezen weg, lijkt mij, vooral wanneer men voor het eerst de catechismus preekt, en ook wanneer men na de eerste gemeente met de catechismusprediking een aanvang maakt, telkens voor één preek één afdeling te nemen. Daartoe is het leerboek in 52 zondagen ingedeeld. Ik weet, dat deze indeling ook bedoelde in één jaar de catechismus , , rond te preken", doch daarmede is dan ook onderstreept de ongesplitste behandeling.
Nu is dit waarlijk geen geringe opgave. Het eist bezinning op de materie, degelijke bestudering en vooral een scherp in het oog vatten van wat in de te behandelen afdeling de kern en hoofdzaak is.
Men zal bij de bestudering van wat aan de orde is, gewoonlijk niet te klagen hebben over te weinig stof, veeleer bemerken diat 't , , werk wijd en groot" is, .
Daarom is de raad, door een hoogleraar in de , , practische vakken" gegeven, het eerst en vooral niet te laat met de voorbereiding van de catechismuspreek te beginnen, alleszins waard ter harte genomen te worden. Dit kan, omdat men bij de catechismuspreek niet de moeilijkheid van tekstkeuze heeft. De tekst, om zo te zeggen, is gegeven door de zondagsafdeling, welke aan de beurt is.
Wat nu de overvloed van stof betreft, , men trachte vóór alles het onderwerp, waarover het gaat, in het oog te vatten, en dat in heel de prediking - te laten overheersen. Vanuit dit gezichtspunt, komen, dan de verschillende onderdelen wel tot hun recht. Voor de prediker zelf en voor de gemeente, welke hem hoort, is van groot belang, scherp het thema, het onderwerp te stellen. Men heeft dus toe te passen het: , , qui bene distinguit, bene docet", d.i. wie juist onderscheidt, zal vruchtbaar onderwijzen. Juist bij deze wijze van werken krijgt men de zaak onder de knie en kan de gemeente worden gefundeerd en gebouwd.
Uit hetgeen ik tot nu toe ter overweging gaf, blijkt wel, dat mijn voorkeur uitgaat naar het synthetisch preken over de catechismus.
Het analytisch preken, het preken over de catechismus in de trant van : , , laat ons onze zondag op de voet volgen", vermoeit gemeenlijk, houdt de aandacht niet gespannen, is te weinig geladen en doet zo licht het gevaar lopen van saai en eentonig te worden. Het behoeft niet. De meesters in het vak kunnen het en boeien tot het uiterste. Doch , , meesters" zijn er betrekkelijk weinige. Maar welke methode men wil kiezen, ook hiersta: , , ieder genre isgoed, behalve het vervelende". Die waarschuwing gelde vooral bij de catechismuspreek, omdat die toch al belast is in de algemene opinie, en de gemeente voor een meer of minder groot percentage van mening is dat preken over de catechismus uit de aard der zaak niet zo smakelijk zijn. Wie liefde voor de catechismus heeft, zal het zich tot een eretaak rekenen, hem in zijn prediking te doen spreken in zijn rijke inhoud, in zijn treffende actualiteit, in één woord iets te doen glanzen van zijn , , eeuwige jeugd".
*•*
Niemand kan de catechismus preken zonder voorstudie op het terrein van dogmatiek en ethiek. Nu kan men zich ter voorbereiding verdiepen in oude en nieuwe handboeken op beide terreinen.
Wie dit in zijn studententijd heeft gedaan, en zich, om dat ene te noemen, verdiept heeft in de Insititutie van Calvijn, daarin werkelijk heeft gestudeerd, ligt een stuk voor als het aankomt op de praktijk van de catechismusprediking.
Maar ook die zal zich genoodzaakt zien, een speciale verklaring van de catechismus te, bestuderen. Er zijn er vele en goede. Wat de ouderen betreft is vooral Ursinus' Schatboek aangewezen. Ursinus is immers een van de opstellers van het leerboek.
Van de nieuweren is te noemen het werk van O. Thelemann: , , Handreichung zum Heidelberger Katechismus". Wie dit boek kent en de verklaringen van dr. A. Kuyper Sr. v. E. voto Dordraeeno bestudeert, zal merken dat ook Kuyper op de hoogte was van Thelemann.
Natuurlijk is ook 'het zo pas genoemde , , E voto" een niet te versmaden bron. Het geeft vaak een scherpe afbakening van wat nu precies het onderwerp in de te behandelen zondagsafdeling is. Het is alleen, vooral na de eerste zondagen uitermate uitvoerig, zodat men gevaar kan lopen door de overstelpende uitvoerigheid het grote, waarom het gaat, uit het oog te verliezen. Zo, om deze alleen maar te noemen, bij zondag 21, de zondag van de Kerk, aan welk stuk hij eerst een behandeling yan de Verkiezing laat voorafgaan. Het loont zeer zeker deze uiteenzetting te bestuderen, doch men houde in het oog, dat ze de inleiding en toeleiding is tot het eigenlijke, waarom het in de bewuste zondag gaat; Wie de techniek van studeren heeft geleerd, zal, ondanks de uitgebreidheid van het boek, profijt van de bestudering van dit standaardwerk over de Catechismus hebben. En daarom raad ik-de' bestudering daarvan aan. Maar men doe het met oordeel des onderscheids.
Om de hoofdzaak en de lijn van een zondag te leren kennen, is zeer dienstig het boekje van prof. dr. H. Visscher: , , De Heidelbergsche Catechismus of Onderwijzing in de Christelijke leer, die in onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk moet geleerd worden" , , uitgave met leidraad bij het onderwijs" (Kemink en Zoon te Utrecht). Vooral de „leiddraad" kan zeer de juiste onderscheiding dienen. Men neme die niet klakkeloos over, menend dat men dan genoegzaam de stof kan beheersen. De bewerking is gegeven om in de stof in te komen en door deze , , opening" de leer, die naar de godzaligheid is de gemeente te verkondigen.
Het is niet nodig meer „bronnen" te noemen. Ik herhaal, er zijn er vele. Vruchtbaar voor de prediking kan ook zijn, kennis te nemen van meerdere goede prekenbundels over het leerboek.
Op één zaak wijs ik nog. Het is niet nodig om in één preek, alles wat de betreffende zondag ons geeft, te behandelen. Het gaat om het hoofdaspect. En men vergete niet de oude' spreuk : „omne nimium nocet, alle overdaad schaadt".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's