DE CATECHISMUS VAN CALVIJN
X
PROF. DR. S. VAN DER LINDE
Zondag 6
Uit de Heidelberger is ons bekend, hoe gedurig de uiteenzetting uitloopt op de vraag: En wat nut hebt gij daarvan ? We merken bij de aanhef van zondag 6, niet voor de eerste keer, evenmin voor de laatste, dat ook in dit opzicht de Geneefse Catechismus geen andere weg gaat.
Nadat zondag 5 een begin gemaakt heeft met de bespreking van persoon en werk van Christus, begint zondag 6 met de vraag: Heeft dat enige vrucht voor je ? En het antwoord luidt: Het strekt alles te onzen bate. Want Jezus Christus heeft al deze gaven ontvangen, om ze ons deelachtig te maken, opdat wij allen uit Zijn volheid ontvangen zouden (Joh. 1 : 16). Wie in de Institutie deze.zaak naslaat, merkt, dat Calvijn hier de kern der zaak op een, zeer gelukkige en bewogen wijze samenvat. We merken zeker wel op, hoe , , ruim" en direct Calvijn zijn leerling laat spreken. Calvijn gaat inderdaad uit van de geopenbaarde dingen, van Wet en Evangelie en benadert ook zo alleen de verborgene. Na hem hebben velen zich daaraan gestoten en ze hebben veel meer gepoogd, vanuit de verborgen dingen (de Verkiezende God) door te dringen tot de geopenbaarde. Gevolg daarvan kon en kan alleen zijn, dat de werkelijk onbekrompen aanbieding van het heil, van het Evangelie, daarmee niet is te verenigen en daarom dan maar opgeofferd werd. Wie dat doet, zal dat moeten verantwoorden, maar mene s.v.p. niet, dat dit extra of zelfs maar gewoon gereformeerd zou mogen heten. Calvijn deed althans zo niet en had daar goede redenen voor. Calvijn confronteert de mens (de zondaar) met de Heere Jezus Christus. Omdat van deze mens uit niets is te verwachten, spreekt hij alleen van de Heere Christus uit. Hij bedoelt ons begerig te maken, ons te trekken en te nodigen tot de Goede Herder, als hij van Hem alle goeds zegt en tekent, welk een-Heilandshart en Heilandstoerusting Hij 'heeft. Hij heeft door Zijn lijden, sterven en opstaan heen grote schatten verworven, de oorlogsbuit uit Zijn heilige oorlog. Daar Hij de strijd alleen streed, mocht Hij zeggen; Dat houd ik voor Mijzelf, daar krijgt niemand iets van. Zo plegen mensen te doen en ze openbaren zo, hoezeer ze mens zijn in de smalle en arme zin. Maar de Heere Jezus Christus toont, wat Hij is, als Hij zegt, dat Hij al die verworven , , oorlogsbuit" met Zijn broeders wil delen, juist alsof ze, man voor man, naast Hem hadden gestreden. U weet, wie Hij Zijn , , broeders" noemde. Hij overtrof er Jozef in, die op vorstelijke wijze een broeder in nood bleek. Hij schaamt Zich niet voor mensen als Petrus of als al die andere discipelen, die karakterloos Hem in de steek hadden gelaten.
Als wij van onszelf niet meer verwachten kunnen dan Petrus en zijns gelijken, hebben wij evenzeer als zij gesmaakt, hoezeer de Heere Jezus Christus het heil, de genade verwierf, om ze uit te delen onder wederhorige mensen, om er de niet-deelgerechtigen toch deelgenoot van te maken. Hij werd groot, door Zijn opstanding en door Pinksteren heen, niet om ons af te schrikken, maar om alle bedelaars en schuldigen en alle mensen, die om deze , , Losser" verlegen zijn, uit Zijn volheid om niet te schenken genade voor genade.
We hebben even uitgewijd en a.h.w. even gepreekt. Toch wel geoorloofd, want zó en in deze toonaard heeft Calvijn gepreekt om de Heere Christus groot te maken in de schatting van kleine mensen.
Hoewel in dit eerste antwoord al zo veel was gelegen, wil de catecheet z'n leerling toch nóg nader bij de zaak brengen. Hij vraagt daarom: Verklaar me dat eens breder! En hij krijgt dan te horen: Hij heeft de Heilige Geest en al Zijn genadegaven in volheid ontvangen, om er ons van te schenken en mee te delen, aan iedeir naar de mate, die God voor hem nodig oordeelt (Efeze 4 : 7). En zo putten we uit Hem als uit een fontein alles wat wij hebben aan geestelijke goederen.
Ook hierin geeft Calvijn zijn dogmatiek en prediking, die voor hem zeer nauw samenhoren, op een warme wijze in het kort weer. En ons dunkt, dat niemand van ons zal willen zeggen, dat het hier gezegde ons niet zou raken. Een van de zwakste, meest kwetsbare punten in de gereformeerde dogmatiek en het gereformeerde geloofsleven in de persoon en het werk van de Heilige Geest. Aan het besef van de onmisbaarheid van Zijn inwoning en gaven zijn niet zovelen onzer onkundig. Maar ze worden gewaar, dat ze daarmee weinig vorderen. Dat zou wel eens kunnen komen door deze oorzaak, dat ze de Heilige Geest zo scheiden van de Heere Christus en menigmaal er op uit zijn, om tot een kennis van de Heilige Geest te geraken, buiten de Heere Christus om. Maar buiten Hem om is er immers geen weg; hoe zou Hij anders de Weg kunnen heten? Hiermee gepaard gaat, dat men ook inzake de Heilige Geest veel te veel in de verborgen dingen zoekt in te dringen, inplaats van zich tevreden te stellen met de kennis van de geopenbaarde dingen alleen, zoals die hun hart en middelpunt in de Heere Christus hebben. Dat doet Calvijn niet en daarom spreekt hij hier met een diepe eenvoudigheid en een ootmoedige verzekerdheid, waarvan nochthans niet weinigen durven zeggen, dat het nogal oppervlakkig en voorwerpelijk en veel te algeimeen is.
Calvijn benadert zowel Christus als de Heilige Geest vanuit de roeping, vanuit het Evangelie. Misschien zeggen we nog beter, dat hij zich in de roeping en in het Evangelie door de Heere Christus en door de Heilige Geest benaderd wèèt. Hij zegt van de Heiland, dat die de Heilige Geest met Zijn gaven en volheid ontvangen heeft. Alweer niet, om die voor Zichzelf te houden, maar om die mee te delen aan elk, die erom verlegen is.
De twee woorden uit de Franse tekst, die we beter door het ene woord schenken vertalen, duiden in alle geval op en souverein en genadig meedelen, dat valt te vergelijken met het schenken van gratie. Zó wordt aan de armen het evangelie verkondigd en zo wordt het ons ook eigen gemaakt.
Uit dit gekozen beeld volgt ook, dat het genadebetoon van Christus niet automatisch geschiedt, maar een zeer peroonlijk karakter heeft. Calvijn weet al te goed, dat de gaven en bedelingen van de Geest verschillend zijn. De één ontvangt, het 5 of 10-voudige van wat een ander kent en dat heeft in kerk en gezelschap menigmaal de jalouzie open deuren gegeven. Merkwaardig voor Calvijns bescheidenheid: hij kent zichzelf elders bepaald niet een volheid van geestesgaven toe. Hij acht, dat Patriarchen en Profeten ver boven hem uitsteken en dat hij, bij hen vergeleken, maar enkele, .druppels" de zijne kan noemen. En om hem heen zullen er dan wel moeten zijn, die bij één enkele, , druppel" blijven staan.
Hoe dat komt? In zijn Catechismus antwoordt Calvijn, dat de uitdeling geschiedt naar de mate van Gods wijsheid en naar de mate, waarin Hij die gaven voor deze en die noodzakelijk en vruchtbaar acht. Hier ligt een teer punt in het christenleven. Luie, verachterde christenen zullen zich wel graag beroepen op die slagboom en het zich betreffende de strijd en groei des levens wat gemakkelijk maken. Onnodig te zeggen, dat zomin , , de oude Adam' als deze ongelijke verdeling der geestelijke gaven bestemd zijn voor zo'n onheilig bedrijf.
Het zal, goed begrepen, ook hier mogen gelden, dat de hand van de vlijtige gezegend wordt: dat een groei in de genade het normale is en Gods verborgen bedeling vooral bedoeld is als troost, wanneer, ondanks alle planten en natmaken, de wasdom toch uitblijft.
Zo wil Calvijn hier putten uit de fontein Christus. Dit beeld, bijbels en oudtestamentisch bedoeld, is fijn gekozen. Wie uit een fontein put of drinkt, kan daarmee geen hoog-opgericht mens blijven, maar moet weten, wat knielen en bukken is. In de hoogte is het dor: voor levend water moeten we in de laagte wezen. De lijdende, gekruiste, opgestane Christus heeft het laagste punt bereikt, dat er viel te bereiken; zo is Hij geworden tot dat onwaardeerbare, levende water, dat, wanneer wij het dronken en nog drinken, de diepste , , eeuwige" dorst wegneemt. En zo wordt dankbaar en ootmoedig erkend, dat wij geen geestelijke kapitalen in eigen beheer bezitten, maar dat alles, wat wij aan geestelijk goed ontvingen, om er rentmeester over te zijn, van Hem stamt en van Hem blijft. Dat wil tevens zeggen, dat we de Heilige Geest en Zijn gaven alleen kennen, in de mate dat we de Heere Jezus Christus kennen, in eenvoud en waarheid. Maar niets nevens Hem !
Het spreken van Christus' Koninklijk ambt bracht al even Zijn Koninkrijk ter sprake. Daarop wordt nader ingegaan: Waartoe dient ons Zijn Koninkrijk ? We hebben eerder uiteengezet dat we Koninkrijk ook kunnen vertalen als Koningschap. Calvijn denkt o.i. aan die beide, dus. aan het zichtbare en het onzichtbare, als hij laat antwoorden: „Hiertoe dat we, door Hem gebracht tot vrijheid van geweten en vervuld met Zijn geestelijke rijkdommen, om te leven in gerechtigheid en heiligheid, ook de macht hebben, om de duivel, de zonde, het vlees en de wereld, die de vijanden van onze ziel zijn, te overwinnen"
De vrucht van de rechtvaardiging als goddeloze, noemt Calvijn hier: dat ons geweten, dat ons aanklaagt tot zwijgen en tot vrede wordt gebracht. Dat hij van de vrijheid (bevrijding !) van het geweten spreekt, doet ons even denken aan wat hij elders zegt van de christelijke vrijheid, die een zelfde inhoud heeft, nl. dat we, op de Heere Christus, zoals we Hem kennen mogen door Woord en Geest, steunende, de aanklacht van Wet en Satan weten af te wij'zen, vastgeworteld in de barmhartigheid van God in Christus.
Dit bevrijde geweten staat niet op zicbzelf. Als er macht ontvangen wordt, om Kind van God te heten, door de rechtvaardiging heen, dan is er ook de macht om de eis en roeping tot heiliging van dit bevrijde leven geen loutere eis te laten blijven. We stoten hier op een kerngedachte van Calvijn en de Gereformeerde Reformatie, nl. de levende samenhang van rechtvaardiging en heiliging. We hopen later betere gelegenheid te hebben, daarop breder in te gaan, maar wijzen hier al even aan, dat hier een kernprobleem van theologie en vroomheid, mogelijk wel het kernprobleem ligt. Want in hun aard zijn die twee diep onderscheiden. Gerechtvaardigd worden betekent: als doodschuldige gratie te hebben gekregen. Daar was geen heiliging van onze kant bij. Maar wanneer het ons hiermee bittere ernst was, geen onheilig spel, om goedkoop van onze schuld af te komen, maar , , existentiële" werkelijkheid, dan kan het niet missen, of deze genadedaad Gods wekt in ons een intense schaamte en afkeer van dit ons oude leven, dat zo de vloek over zich haalde en een even intense begeerte, om van nu voortaan in alle goede werken Gods te leven.
Als de kracht daartoe maar bestond ! Wanneer Calvijn de heiliging even breed zag worden als de rechtvaardiging, zou hij op de trant van Dopers en Geestesmensen in een perfectionisme moeten eindigen d.w.z. in de leer, dat de christenmens volmaakt heilig kan worden. Dat ontkent hij intussen met nadruk; de heiliging blijft hier een beginsel, een geknotte levensboom. Maar dan te meer moge blijken, dat het toch een levensboom is, daarin, dat er de levensdrang in zit, om voortgaand te wortelen in de levensgrond Christus en zo ook Gods vrucht te dragen. Als Calvijn hier met nadruk leert, dat christenzijn betekent, macht te hebben ontvangen, om duivel, vlees, zonde, wereld te overwinnen, wil dat niet absoluut verstaan worden, ook al worden wij „meer dan overwinnaars". Want het beste deel van het christenleven blijft hier met Christus verborgen in God, verborgen in hoop en beginsel. Maar zo wacht het ook, met vertrouwen op de dag van Christus, waarop hetgeen nu verborgen en gesluierd bleef, mèt Hem zal openbaar worden in heerlijkheid.
Na het Koningschap het priesterlijke ambt. De predikant vraagt: (Waartoe dient) Zijn priesterschap ? Hem wordt geantwoord: Ten eerste, dat Hij, daar Hij onze Middelaar is, ons rnet God Zijn Vader verzoent. Vervolgens, dat wij door middel van Hem toegang hebben, om ons ook de Heere ten offer aan te bieden, met al het onze. Zo zijn wij a.h.w. deelgenoten van Zijn priesterschap.
Het grote in Christus' Hogepriesterschap vindt Calvijn allereerst in Zijn Middelaarschap. Die heeft ons een verse en levende weg ontsloten, een weg, door bloed ingewijd, maar daarom ook de weg der verzoening. Dat deed de Heere Christus alleen; dat kunnen heiligen noch zaligen met Hem delen. Maar ook weer hier blijft dat ons toegerekende (vgl. de rechtvaardiging) niet koud en ver van ons staan. Graag zegt Calvijn: Christus kan, als Hij in ons woont, niet werkeloos blijven. Dat komt in het tweede deel uit: Als Christus Zich zó voor ons heeft willen offeren en ons zo in Zijn Lichaam heeft willen opnemen, dan wordt dat als een vuur in, ons, een vuur van schaamte en dankbaarheid, dat ons stenen hart warm en week maakt en dat ons de ene zin van dit ons geschonken leven doet zoeken en vinden in een ons Gode offeren, met al wat Hij ons schonk. We staan hier bij een brandpunt in het christenleven, bepaald bij dat van Calvijn zelf, die immers als wapenspreuk koos een hand, die een hart aanbiedt. En daaromheen schrijft: Ik breng mijn hart bloedend Gode ten offer. En hoe menige spreuk in deze onze wereld een holle leus blijft, deze spreuk van Calvijn heel zeker niet! Daarom mag ze dat in ons leven evenmin blijven, zal de christennaam ons geen roof of leus zijn.
Zo wordt deel ontvangen en deelgenomen in Christus' priesterschap. Tenslotte komt het profetische ambt: Nu blijft de profetie nog over. { = Wat betekent Zijn profetisch ambt ? ). Antwoord : omdat dit ambt aan de Heere Jezus Christus is gegeven, opdat Hij Meester en Leraar der Zijnen zou zijn, is er het doel van, ons te brengen tot een ware kennis van de Vader en van Zijn waarheid, zodat wij leerlingen en huisgenoten Gods zijn.
Vooral in de gereformeerde nadruk op de heiliging, zoals we die zoëven weergaven, heeft men nogal eens het gevaar gezien van een overschatten van de christen, in zijn heiligheid en geestelijke toerusting. We ontkennen niet, dat deze ontsporing aan de rand van het gereformeerde leven niet is uitgebleven; maar ons dunkt, dat Calvijn, zoals we hem o.i. loyaal interpreteerden, daartoe geen enkele aanleiding geeft.
Een krachtig bewijs vinden we daarvan nog in de wijze, waarop hij het profetisch ambt van Christus en christen weergeeft. We hebben vorig maal gezegd, dat we geen diepere betekenis zoeken achter die volgorde der ambten, de Heidelberger omkeert. Dat houden we nog staande, al zouden we kunnen opperen: koos Calvijn mogelijk die volgorde, om aan het besluit de koninklijk en priesterlijk toegeruste christen nog eens zo profetisch te verootmoedigen ?
Wat doet hij n.l.? Hij zet die strijdende offerende christen blijvend op de catechisatie- en kerkbank. Dat is doorgaans een wat harde en ongemakkelijke plaats, waar nochtans meer kan geprofiteerd worden dan op de behagelijke plekken dezer wereld. Christus werd Profeet, om in Zijn Kerk Meester en Leraar (, , Doctor" staat er eigenlijk) te zijn en te blijven. Dat betekent, dat tegenover Hem niemand zelfstandig of groot wordt. Op Zijn catechisatie- en kerkbank wordt ons de Vader en Zijn waarheid verklaard. Dat is een zeer critische en verootmoedigende waarheid, die alweer geen grote christenen kweekt. Zo worden ze leerlingen en huisgenoten Gods, in een , , huisgezin", waarin de kinderen, in de Middelaar, zich zo dicht bij de Vader mogen weten, om toch nooit te vergeten, hoe ver zij zelf van Hem afstaan. De spanning van rechtvaardiging en heiliging, de betekenis van het kleine offer tegenover het Ene Grote, blijven zo onder zeer heilige tucht staan, die toch niet ophoudt, mild te zijn, omdat ze bij Christus houdt.
De leerling heeft het goed en diep verstaan, hoe eenvoudig de uiteenzetting ook was. Dus je wilt besluiten, dat die titel Christus de drie ambten omvat, die God dan Zijn Zoon heeft gegeven, om de vrucht en kracht ervan aan de gelovigen mee te delen? Met de leerling antwoorden wij van harte: Ja.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's