De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

12 minuten leestijd

XI

Zondag 7 .

Waarom noem je Hem Gods Enige Zoon, waar God ons toch allen Zijn kinderen noemt?

Deze vraag wordt gesteld, als nu verder gesproken wordt over de Heere Jezus Christus. We herinneren ons, dat de Heidelberger haar precies zo formuleert en daarom moet het antwoord ook wel gelijk luiden, n.l.: Dat wij kinderen Gods zijn, is niet van nature, maar alleen door genadige aanneming (adoptie), omdat God ons zo wil beschouwen. Maar de Heere Jezus, voortgekomen uit de substantie van de Vader, en met Hem één van Wezen, heeft er wel recht op, de enige Zoon te heten (Efez. 1 : 5;  Joh. 1 : 14; - Hebr. 1 : 2). Want Hij alleen is natuurlijke Zoon.

Het verschil tussen Christus en christen ligt dus in die , , aanneming tot kind", die we uit het Romeinse recht kennen als de adoptie, een figuur die, als we ons niet vergissen, ook in ons Nederlandse recht zal worden opgenomen. Die adoptie betekent, dat iemand a.h.w. wordt losgemaakt van zijn verleden, en zijn oude naam verliest, terwijl hij de naam gaat dragen van degene, die hem tot kind wilde aannemen. Op deze wijze zijn verschillende slavenkinderen, via deze adoptie, zelfs tot de Romeise Keizerstroon gekomen. Daaruit begrijpen we, dat het bij deze adoptie dus niet gaat, om edele aanleg en medewerking van de zo geadopteerde, maar integendeel dat een onbekende en onbelangrijke zo tot hoge stand gebracht wordt. Daarom komt dit beeld in de Schrift voor, om de genade van God, zoals ze in het Evangelie-wordt geopenbaard en door (zondaars) geloof aangenomen, uit te beelden. Het beeld komt bij Calvijn heel vaak voor, hij ziet er kennelijk en begrijpelijk het hart van het Evangelie in.

In deze gang van zaken wordt zo'n geadopteerde in rang gelijk gesteld met gewone, , , natuurlijke" kinderen. We zetten dit woord tussen aanhalingstekens, omdat we er op moeten letten, dat dit woord hier gebruikt wordt in een gunstige zin (natuurlijk = naar recht), terwijl elders in de Schrift het woord natuurlijk (, , de natuurlijke mens") in de ongunstige betekenis van, : de gevallen en zo juist rechteloos geworden mens betekent.

Zo staat het oók met Christus en christen. Hij zelf, van Zich uit, ziet niet uit de hoogte neer op de slavenkinderen, die door Zijn bemiddeling opgenomen zijn in het huisgezin van Zijn Vader, Voor hun besef is het verschil tussen Hem en hen onmetelijk groot; , maar Hij schaamt zich niet, hun Broeder te heten. De aangenomen kinderen en de ene , , natuurlijke" Zoon delen gelijk op in de grote erfenis; de Vader ziet in Christus Zijn aangenomen kinderen aan met een liefde, als waren ze ook naar hun natuur en waarde Zijn kinderen. Maar christelijke zelfkennis en bescheidenheid kan toch nooit vergeten: onze aanneming tot kind is er alleen door de Eéne , , echte" Zoon. Als Hij Zich zo aan Zijn broeders gelijk maakt, mogen zij dit beschaamd en toch dankbaar laten gelden, zonder intussen eigen afkomst en waarde te vergeten.

Je wilt dus zeggen, dat deze eer Hem alleen eigen is. Hem van nature toekomt, maar dat ze ons wordt meegedeeld als genadegave, omdat wij Zijn leden zijn ? Zö vat de predikant de korte inhoud van het vorige samen. Leerling en meester zijn het eens: Zo is het. Maar wegens dat meedelen wordt Hij elders genoemd: de eerstgeborene onder vele broeders (Rom. 8 : 29; Coloss. 1 : 15). Calvijn haalt hier zeer bekende teksten aan; hij had ook wel kunnen wijzen op het Paasgebeuren: de eersteling of eerstgeborene uit de doden kon zich met recht Eerste en Laatste noemen, dus onvergelijkelijke. En toch juist Hij liet bij Zijn opstanding aan Zijn ontrouwe discipelen boodschappen: Zeg aan Mijn broeders, dat ik ze voorga naar Galilea. Steeds weer die onbegrijpelijke genade en trouw, die dan ook de enige grond zijn, waaraan wij ons delen in deze genade hebben af te meten.

Wie daarin, hoe verfijnd , , geestelijk", toch nog iets dacht te zijn, moet wel vrezen, daar alleen buiten te kunnen staan. Aan de armen wordt dit Evangelie verkondigd. Wanneer in de vraag uitgesproken wordt, dat wij kinderen Gods zijn, wanneer (omdat) wij in Christus' lichaam zijn opgenomen, dan moet dat op deze wijze verstaan worden. Dan ziet dat niet vooral op Christus' verheerlijkte lichaam en ook niet allereerst op de Kerk, die immers evenzeer Zijn lichaam is. Maar de grond van het opgenomen zijn in dat lichaam van Christus moet zijn, dat we met Hem één zijn geworden in de schuld, dus in dat lichaam, waarin Hij onze zonde en schuld gedragen heeft'. Calvijn gaat hier overal van het Evangelie uit en daarom willen zijn woorden ook van daar uit verstaan zijn.

Hoe is Hij onze Heere? Antwoord: Omdat Hij door de Vader gesteld is, om over ons heerschappij te hebben, om Gods gezag uit te oefenen in hemel en op aarde en hoofd van engelen en mensen te zijn. Vreemd, dat deze vraag en dit antwoord alleen in de latijnse editie voorkomen en niet in verschillende franse uitgaven. Dat lijkt ons boekdrukkerswillekeur, een kwaal, waaronder vorige eeuwen zwaar gezucht hébben, want het antwoord moet wel heel Calvijn's hart gehad hebben.

Het woord, waar het hier om gaat, is het griekse woord kurios, aanduiding van een grote machtsvolheid. Het klassieke grieks kent het in de eenvoudige aanduiding van Heer (en Meester), d.w.z. iemand, die het op het een of ander gebied voor het zeggen heeft. De beroemde griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuaginta, heeft dit woord gekozen, om de godsnaam Jehova te vertalen en als onder het Nieuwe Testament de Heere Jezus deze titel ontvangt, omdat Hij alle macht heeft in hemel en op aarde, dan voelen we, hoe dit woord op een diepzinnige wijze samenvat, wat Hij als Zoon van God bezat en wat Hem, door Zijn vernedering heen, in nog hoger en dieper zin, is toegevallen: de Naam boven alle Naam. Calvijn haalt niet eens zo breed uit; hij wijst er alleen op, dat de Vader aan Zijn Zoon macht verleende. Hem tot Koning van Zijn Kerk maakte, om Gods Koningschap en gezag uit te oefenen over al wat leeft. Calvijn denkt hier zeker met name aan het slot van 1 Cor. 15. Zo is de Heere Jezus Christus het Hoofd der Kerk (inplaats van , , mensen" lezen diverse uitgaven , , gelovigen"), waarbij echter de engelen mede worden betrokken. Calvijn gaat daar niet breder op in; wij doen het daarom ook niet, maar wijzen wel even aan, dat de engelen bij Calvijn groter plaats innemen, dan bij lateren (bij ons ? ). Hij noemt ze althans hier, bij het begin van het Nieuwe Testament uitdrukkelijk, wat ons wel dringen moge de vraag te overwegen: Zouden de engelen dan niet zijn uitgeschakeld? Hebben ze voor ons thans niets meer te betekenen? Het behoort stellig tot de verdienste van de veel gesmade Kuyper, dat hij een boek schreef over De Engelen Gods, waarheen we hier wel eens mogen verwijzen.

Wat wil zeggen, hetgeen er op volgt? (De predikant bedoelt: ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria). Dit wordt aldus beantwoord: Het verklaart, hoe de Zoon van God door de Vader is gezalfd, om onze Heiland te zijn. Dat wil zeggen : door ons menselijk vlees aan te nemen en al het tot onze verlossing nodige te volbrengen, zoals dat hier is opgesomd. Zo leidt Calvijn dat grote onderwerp van de vleeswording des Woords in. Hoe belangrijk, hij dit vindt, maken we op uit het feit, dat hij in deze vraag er eerst a.h.w. een inleiding op geeft en pas daarna de delen ervan bespreekt. Die inleiding is alweer weinig speculatief en van een grote soberheid. Theologie (dogmatiek) beoefenen betekent voor Calvijn: gehoorzaamheid aan de Schrift betonen, ook daarin, dat we ons houden aan de perken, die zij aan hoofd en hart wijst. In de loop der tijden is juist inzake de Vleeswording des Woords veel gespeculeerd. B.v. in de vorm van de vraag, of de Heere Jezus Christus ook zou zijn mens geworden, wanneer Adam niet gevallen was? Daarop is menigmaal bevestigend geantwoord (Chantepie de la Saussaye Sr.). Christus, de ware mens zou ook verschenen zijn buiten de zonde om, om de diepe eenheid van God en mens te bezegelen. Ons treft in deze Catechismus de afwezigheid van zulke speculaties, die Calvijn als onvruchtbaar heeft moeten beschouwen. Hij drukt de Vleeswording en haar zin in dit ene uit, dat de Vader de Zoon stelde (zalfde), om onze Heiland te zijn. Daar ligt onze zonde in en achter en daaraan kunnen we de handen zo vol hebben, dat we niet toekomen over bespiegelingen aangaande wat er had kunnen gebeuren, wanneer de zonde nu eens niet gekomen was. We moeten even opmerken, dat b.v. Voetius in zijn dogmatiek veel minder sober is dan Calvijn, die hij in deze kennelijk niet geheel navolgt. De Vleeswording des Woords betekent, dat de Vader tot die prijs ons een Heiland beschikte, die niet alleen niet ver van ons bleef, maar onder ons kwam wonen. Maar die ook geen vreemde van ons bleef, omdat Hij onze natuur, ons vlees aannam en daardoor ons in alles gelijk wilde worden, uitgezonderd de zonde. In die lage staat (waarover men met profijt moge lezen Kohlbrugge's bekende(? ) geschrift over Mattheüs 1), heeft het vleesgeworden Woord alles gedaan, wat tot het heil van verloren mensen kan en moest gedaan worden. Daarom is Hij die volkomen Zaligmaker, om met de Heidelberger te spreken.

Wat versta je onder die beide woorden: ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria"? Vlak tegen de in zijn tijd wijdverbreide leer der Dopers is, volgens wie Christus enkel door Maria werd voortgebracht, maar niet uit haar, legt Calvijn alle nadruk op het grote feit, dat Christus inderdaad Zoon van David wilde worden. Tweede Adam en dat Hij ook alleen zó ons een volkomen Heiland kan zijn. De Dopers vergeestelijken de Heere Christus zo veel mogelijk en dat kunnen ze doen, omdat ze zichzelf zo , , geestelijk" achten en zo aan vlees en stof ontheven. Dat is Calvijn allerminst: daarom kon hij Menno Simons' loochening van Christus' echte mensheid noemen een aan Gods Kerk ontroven van haar kostbaarste pand. Er is nog wel enig onderscheid tussen de wijze waarop Calvijn en Kohlbrugge over het , , vlees" spreken, maar in het centrale zijn ze hier geheel en al èèn. Mensen van vlees hébben niets aan een vergeestelijkte Christus, die ze alleen maar zouden hebben na te volgen. Mensen van vlees hebben een Christus nodig, die hen in alles gelijk werd, maar zonder zonde. En, zo verzekert Calvijn: die Christus hèèft de Vader ons gegthonken. Buiten Hem is gèèn andere te zoeken.

Christus aan de ene kant geheel mens geworden, Zoon des mensen. Maar zonder daarom op te houden, Zoon van God te zijn. Hét antwoord, luidt dan ook: Hij is gevormd in de schoot van Maria uit haar eigen hoedanigheid (vlees) om zaad van David te zijn, zoals voorzegd was (Ps. 132 : 11). Maar dat is echter geschied door de wondere werking van de Heilige Geest, zonder dat een man daarin deelde (Matth. 1 : 1 en 16; Luc. 1 : 32, 55. De „tweenaturenleer", leer der Oude Kerk wordt hier beaamd, maar we voelen, hoe grote, mysterieuze spanningen hier worden erkend. Het is immers ook het geheimenis der godzaligheid: God geopenbaard in het vlees! We voelen hier tevens, hoe de pogingen, van vrijzinnige zogoed als van zekere , , orthodoxe" zijde, ondernomen, om de geboorte uit de maagd als onbelangrijk voor te stellen, waarmee het geloof in Christus niet staat en valt, afsteken bij wat hier wordt beleden. Als de maagdelijke geboorte werkelijk valt, (is dat niet het oude doperse motief? ) dan valt ook de werkelijk vleesgeworden Christus weg. Dan zijn we nóg in onze zonde, want een , , christusgeest", zoals die op , , doperse" paden pleegt te worden uitgevonden, is niet de Heiland, die al de vloek van ons heeft weggenomen, omdat Hij voor ons leed in ons vlees !

Calvijn is , , theoloog van de Heilige Geest". Dat zijn de Dopers ook en uiteindelijk de Roomsen niet minder. Maar dan toch op een heel andere wijze dan hij, nl. zo, dat zij aan de klem van het vlees menen te ontsnappen en Calvijn integendeel vasthoudt, dat het wonder van Pinksteren (dat is het volle wonder van Christus) juist is, dat de Heilige Geest, om Christus' wil, wordt uitgestort op alle vlees. Hoezeer Kohlbrugge hier tot Calvijn nadert is duidelijk; hetgeen verbindt is meer, dan hetgeen onderscheidt.

Was het dus nodig, dat Hij ons eigen vlees aannam? Antwoord: Ja, omdat het nodig was, dat de gehoorzaamheid, door de mens tegen God begaan, verzoend werd in de menselijke natuur (Rom. 5 : 15). En ook kon Hij anders onze Midde­laar niet zijn, om ons met God, Zijn Vader, te herenigen. (1 Tim. 2 : 5-, Hebr. 4 : 4 en 5 : 1). In het eerste deel ontmoeten we Gods gerechtigheid, (nader: Gods strafeisende gerechtigheid), die we bij de Dopers en andere , , geestesmensen" zo geheel en al missen. Zonder deze diepe ondertoon klinkt de daar zo geliefde melodie van de navolging van Christus te hoog en dus vals. De , , Vleeswording des Woords" is allereerst een harde eis van God en voor ons een diep beschamende, omdat wij haar, hoe billijk ze is, niet kunnen vervullen. Deze vleeswording spreekt ons dus aan in onze eigen taal, een taal, die wij gaarne verloochenen, maar die ons juist zo des te meer openbaar maakt. Wij willen de Christus van Jesaja 53, die de Christus van het Lijdensevangelie is, altijd weer wat aannemelijker maken voor de smaak van kerkmensen en buitenkerkelijken. Maar Hij was en is ons alleen , , aannemelijk" en welkom, wanneer Hij ons de Heiland van volkomen onaannemelijke mensen werd, mensen van vlees. Want alleen zo, als Man van Smarten, zonder gedaante of heerlijkheid, werd en blijft Hij ons begeerlijk.

Blijkbaar neemt Calvijn maar moeilijk afscheid van dit kernstuk der christelijke religie. Het wórdt dan ook geen afscheid; het blijft in heel het vervolg de ondergrond en achtergrond. Samenvattend wordt nog gevraagd: Dus je zegt, dat Jezus Christus mens moest worden, om het ambt van Heiland te vervullen, als het ware ingaande in onze eigen persoon ?

Zo is het en niet anders. Dit, de Vleeswording des Woords, is de Koninklijke weg tot God èn tot onszelven. Want in Hem moeten we terugkrijgen, alles, wat in onszelf ontbreekt, wat op geen andere wijze kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's