De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De geestelijke nood

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De geestelijke nood

van deze tijd in het licht van de Gereformeerde belijdenis 1)

17 minuten leestijd

Wij zijn vanavond samengekomen tot het houden van een landelijke bidstond voor de Hervormde kerk, nu door de generale synode zo belangrijke beslissingen staan genomen te worden. Het al of niet openstellen van de ambten, geheel of gedeeltelijk, voor de vrouwelijke lidmaten, zal het hoofdagendapunt uitmaken op haar zomervergaderingen van dit jaar. De aard van een bidstond bepale ons onderwerp. Deze aard laat het niet toe, dat wij op kerk-politieke wijze handelen over dit onderwerp. Het gebedskarakter van dit samenzijn geeft ons de vrijmoedigheid, om voor de God der waarheid, voor Wiens aangezicht wij staan, open en eerlijk de noden uit te spreken, waarin de kerk zich heden bevindt. Het gebed vraagt altijd ootmoedige oprechtheid. Het feit, dat wij vanavond ons volk hebben te leiden tot het gebed, vraagt eveneens om bij dat volk die' gebedsgezindheid op te wekken, die nodig is, en inhoudelijk dat gebed voor te bereiden.

Het is de kerk, die ons gebed vraagt en het is de kerk in haar hoogste vergadering, die ons gebed vraagt. Al te veel hebben wij op de kerk en op haar synode onze kritiek en al te weinig worden hun zaken en hun werkzaamheden gedragen door het gebed van het volk. Helaas maakt het Gereformeerde deel van het volk daarop geen uitzondering. De kerk is het toch, die ons naar de orde van het verbond gebaard heeft en de synode is het geweest, die ons volk, ook ons Gereformeerde volk, hoe dat dan ook was, geleid heeft. De psalmbundel, het gebedenboek der kerk, gaat er ons in voor in het gebed het welzijn van Sion van God te begeren en tevens te dragen de arbeid van de geestelijke leidslieden van de gemeente van Israël. De Nieuw-Testamentische gemeente toont ons in de Handelingen der Apostelen niet minder, hoe de gemeente van het Nieuwe Verbond de noden en de belangen van de kerk in haar geheel en van de kerk in haar leiding gedragen heeft. Mogen dan de liefde voor de kerk, de belangen van de gemeente, die de Hervormde kerk uitmaakt, en de nood, waarin wij te samen verkeren de verheven ernst uitmaken van deze gebedssamenkomst. En moge de wetenschap, dat Israel's Wachter sluimert noch slaapt, en dat Zijn oren zijn tot het gebed Zijns volks ons het geloof schenken, dat Hij ons niet zal afslaan, wat wij gelovig van Hem bidden.

Als het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond als onderwerp voor deze bijeenkomst opgaf: , , De geestelijke nood van deze tijd in het licht van de Gereformeerde belijdenis", dan kan men zich afvragen of het woord „geestelijke nood" niet wat te zwaar geladen is en of de questie van de toelating van de vrouw tot de ambten zoveel met de Gereformeerde belijdenis te maken heeft. Op deze vragen willen wij nader ingaan.

Is de geestelijke nood van deze tijd werkelijk groter dan die van andere tijden? Er kan gesproken worden van noden in de oud-christelijke tijd, toen het Evangelie een heidenwereld binnentrad in ons werelddeel, en bijzonder toen de aanvankelijk ontstane Christelijke gemeenten op weerstanden begonnen te stuiten, die vervolgingen van allerlei aard ten gevolge hadden. Er kan gesproken worden van geestelijke gevaren, toen de kerk erkend werd en toen deze erkenning en algemener aanvaarding vervlakking met zich brachten. In de oud-christelijke tijd waren de noden groot, ze vormden zelfs de bloedperiode van de kerk, maar zij waren in zoverre minder ernstig om dat zij te zien zijn als de geboorteweeën van een komende Christelijke kerk. Men kan spreken van de geestelijke noden bijvoorbeeld in de tijd van de Nadere Reformatie. De gedachte leefde, dat de Reformatie wel was doorgedrongen in de leidende kringen van de meer ontwikkelden en van de topfiguren van de kerk, maar dat het dringend nodig was, dat deze nu zou doordringen tot in het grondvlak van de kerk. De klachten van de bekende theologen en predikers van de Nadere Reformatie zijn er om te bewijzen, dat de situatie van de kerk, vooral geestelijk gezien, niet veel minder desolaat was dan die in onze tijd. Als wij dan toch spreken van een noodtoestand van de kerk, dan doen wij dat in tegenstelling met de twee genoemde voorbeelden daarom, omdat de kerk thans op ernstige wijze op haar retour is, naar het ons voorkomt. Toen waren er de noden van een opkomende kerk, nu zijn er de noden van een inzinkende kerk, die haar greep op het volk deels verloren heeft, deels bezig is te verliezen. Van dit invloedsverlies is het synodevoorstel om de vrouw toe te laten tot de ambten, een symptoom. Enerzijds verwachten de voorstanders van 't voorstel winst uit deze aanpassing van de kerk aan de wijze van doen in andere levensgebieden, anderzijds, verwachten de tegenstanders van het voorstel, dat deze winst illusoir zal blijken te zijn en dat het verlies aan trouwe kerkleden niet illusoir zal blijken te zijn. Als wij, de voorstanders op hun best nemen, dan zal het hun eerlijke bedoeling zijn, om op deze wijze breder armslag te krijgen in het volksleven. Maar die breder armslag heeft in die kerken, die reeds lang vrouwen in de ambten hadden, tot nu toe weinig van zich laten merken.

Nemen wij de tegenstanders serieus, dan zou hun , , non possumus", wij kunnen niet, althans naar deze zijde verlies voor de kerk betekenen, zo al niet van hun persoonlijk lidmaatschap, dan toch van hun gewetensvrije toewijding voor de kerk. Hier staat een hopelijke winst tegenover een zéker verlies voor de kerk. Hier staan wij voor een reëele nood van de kerk, voor een nood, die er is en die ons samen drukt en een nood, die boven de tegenwoordige bovendien dreigt.

De nood van de kerk is echter dieper te peilen, als wij zien hoe het voorgestelde de kerk in twee groepen verdeelt, die niet in kerkordelijke, bestuurlijke opvattingen, maar in geestelijke zin van elkander verschillen. Hoe de stemverhoudingen ook liggen, hoe klein of groot de verschillen ook zijn, hier treden geestelijke verschillen naar voren, die onder de vroegere of nog bestaande richtingsverschillen niet zijn onder te brengen. De traditie van een eeuwenlang kerkelijk leven is in het geding. Men moge over traditie oordelen hoe men wil, men moge een overdreven staren op wat was en hoe men deed, als traditionalisme brandmerken, dit staat toch wel vast, dat traditie een hoog goed is. Zeker in de kerk is zij een heilig goed, omdat de kerk nooit los te denken is van wat voorgeslachten waren, van wat zij leerden, van wat zij deden. Zelfs bij de overgang van het oude naar het nieuwe Verbond werd heel de dienst des Heeren voortgezet, met al de veranderingen die Christus' offer te weeg bracht.

Thans wordt een zo ingrijpende breuk met de traditie gemaakt, op dit punt, dat geestverwanten elkander niet herkennen en dat niet-geestverwanten elkander op dit punt erkennen. De tegenstemmers zien een traditie verbroken, die hun daarom heilig is, omdat zij die rechtstreeks aflezen uit de Heilige Schrift. Het is hun een raadsel, hoe de voorstanders in de Heilige Schrift het optreden van de vrouw in ambtelijke handelingen in de kerk menen te kunnen lezen, zonder dat ergens in de kerkgeschiedenis van een verbod op deze gewoonte of van een breken met deze gewoonte wordt melding gemaakt. Op zichzelf zou een nieuwe wijze van doen tot een goede traditie kunnen worden en op geen verzet stuiten, maar een Christelijke kerk, naar Gereformeerde geest, erkent toch geen traditie of zij moet haar duidelijke wortels hebben in de Heilige Schrift zelve.

Zo komen wij aan dat, wat ons ten diepste de nood van deze tijd toeschijnt en dat is het verlaten van het gebruik der Heilige Schrift, zoals de Schrift zelf gebruikt wil zijn en zoals de belijdenis dat voorschrijft te doen. Als men zou willen opmerken, dat de nood der prediking en de nood der geesteloosheid en de nood ener voortgaande ontkerkelijking de eigenlijke noden van deze tijd zijn, dan moet men wel beseffen, dat deze alle teruggaan op de wijze, waarop men met de Heilige Schrift omgaat. Voordat wij nog willen uitmaken wat de Schrift over een zaak zegt, zal moeten vaststaan of men aan de uitspraken van de Schrift een absoluut en Goddelijk gezag toekent of niet, of men aan die Schrift gehoorzamen wil of niet.

De Geloofsbelijdenis en nog wel de Nederlandse, waarmee de Nederlandse Hervormde kerk wel in de eerste plaats rekening dient te houden, zegt in artikel 5 „dat wij daarnaar ons geloof hebben te reguleren. En wij geloven zonder enige twijfel al wat daarin begrepen is en dat niet zozeer, omdat ze de kerk aanneemt en voor zodanig houdt, maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat ze van God zijn". Het is in de zaak van de openstelling van de ambten voor de vrouw niet een quaestie van Schriftbeschouwing, maar van Schriftgelopf, Allerlei oude dwalingen aangaande het geloof in de Schriften doen thans opnieuw opgeld. Ze worden openlijk gelanceerd in de discussie; rondom de vrouw in het ambt. Maar deze dwaling is nieuw, dat men vanuit impulsen der Schrift verder wil redeneren, zonder dat echter die impulsen in de Schrift te vinden zijn. Dit Schriftgebruik: zónder de Schrift verder dan de Schrift moet zelfs te bar zijn voor elke ketter, die dan toch zijn letter wil hebben. De meest wetenschappelijke voorstanders erkennen dan ook wel, dat het Schriftbewijs voor toelating zwak te noemen is. Wij voor ons menen, dat het Schriftbewijs voor toelating niet zwak is, maar niet aanwezig is. Wat wel aanwezig is, dat is de algemene lijn der Schrift, die de ambtsvervulling aan de man opdraagt; en wat wel aanwezig is, dat is een spreekverbod in de gemeente voor de vrouw.

De waardering, die men aan de Schrift toekent op deze wijze, is niet dan gevaarlijk te noemen. Wat de Schriftbeschouwing aangaat zitten niet de vrijzinnigen in het schip bij de midden-orthodoxen, maar omgekeerd zitten de middenorthodoxen in het schip van de vrijzinnigen. De vrijzinnigheid, mits niet op haar organisatie gelet, kan zich dan ook bij de huidige gang van zaken niet onbehagelijk voelen. Waar het Schriftgezag op vrijzinnig spoor gezet is, daar zal de inhoud der Schrift stellig blijken mee op dat spoor gezet te zijn. Het is alvast een heel belangrijk ding, dat het ambt en de ambtsvervulling naar die wijze wordt opgevat. Immers aan het ambt en de ambtsvervulling zijn toebetrouwd de sleutelen van het koninkrijk der hemelen. Zij vormen zelf een sleutelpositie tussen het Woord en de Sacramenten enerzijds en de kerk anderzijds. Herhaaldelijk is gezegd, dat er groter bezwaren zijn tegen het kerkelijk leven van deze tijd, n.l. dat er vrijzinnige prediking is in de kerk. Ik meen van degenen, dit dat zeggen, te moeten verschillen. Door de voorstellen, uitgaande van een dergelijke visie op de Heilige Schrift, worden het ambt en de ambtsvervulling zelf in vrijzinnige geest gebracht. Vroeg of laat zullen de gevolgen daarvan in de kerk gezien worden.

In elke belijdenis, hetzij een Gereformeerde, hetzij een Lutherse, hetzij' een Anglicaanse of een Rooms Katholieke, raakt het belijden aangaande de ambten op een zeer directe wijze het geheel van de belijdenis. Als artikel 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, handelend over de ambten, zegt: , , En daarom verwerpen wij alle menselijke vonden, en alle wetten, die men zou willen invoeren, om God te dienen en door deze de concientiën te binden en te dwingen, in wat manier het zoude mogen zijn. Zo nemen wij dan alleen aan, hetgene dienstig is om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren, en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods", dan leggen deze ambtsartikelen een direct verband met b, v. de artikelen 2 tot 7 van de belijdenis. De stukken van de belijdenis vormen evenzovele schakels van een niet te verbreken keten. Maakt men één schakel uit het geheel los, om die door een andersoortige te vervangen, dan heeft men het geheel geraakt. De aanneming van het voorgestelde ontwerp zou dan ook wijziging van de belijdenis met zich moeten brengen. In elk geval zondigt men op meer dan één manier tegen het geciteerde art. 32 van de N.G.B. Hier worden menselijke vonden ingevoerd, wel is waar (wij willen aannemen, dat dit de eerlijke bedoeling is van de voorstellers en van de voorstemmers) om God te dienen, maar dan toch menselijke vonden. En hier worden consciëntiën gebonden. En hier wordt de eendrachtigheid en de enigheid niet gevoed en niet bewaard. Hier zondigt men aldus op drieërlei manier tegen het geloofsartikel van de orde of tucht der kerk. Het wordt wel een heel kwaad ding als de orde der kerk tegen de orde der geloofsbelijdenis gaat indruisen. Dat moet op gewetensconflicten uitlopen. De belijdenis zegt: , , dat geeft gebonden en gedwongen consciëntiën". Zelfs als men zich naar deze voorstellen voegen zou, dan zou elk die het ambtsgeloof van de belijdenis deelt, deze band blijvend gevoelen. Een consciëntie laat zich hoogstens maar voor een tijd binden.

De kerk zal de voorstellen moeten terugnemen en haar Gereformeerde belijdenis moeten trouw blijven of zij zal haar Gereformeerde belijdenis moeten prijsgeven en dan deze en dergelijke orderegelen volgen. Een tweeslachtige houding is op de duur niet vol te houden.

Als wij> alzo getracht hebben de geestelijke nood van deze tijd te peilen bij het licht van de Gereformeerde belijdenis, dan willen wij die nood niet zo groot maken, dat wij daardoor alle goede dingen van deze tijd en van onze kerk over het hoofd zien. Wij willen gedenken aan het woord van 2 Kronieken 12 : 12: , , Ook waren in Juda nog goede dingen". Maar wij ontveinzen ons de ernst der dingen niet. Ik denk dat althans in dit geslacht kerkelijk zo spannende dagen niet beleefd zijn. Reeds bij het vervaardigen van de kerkorde is de zaak van de vrouw in de ambten aan de orde geweest, maar dat hebben wij als kerkvolk niet geweten. Nu reeds enkele jaren geleden is de zaak achteraf wel aan de orde gesteld en de classes hebben in behoorlijke meerderheid ongunstig geconsidereerd. De meerderheid in de synode was toen voor aanneming en zou de voorstellen toen reeds, ondanks de consideraties, aanvaard hebben, had niet het moderamen onder voorzitterschap van ds. Wesseldijk besloten, de voorstellen met goedvinden van de synode terug te nemen. Dit echter met de bepaling erbij, dat de voorstellen opnieuw bestudeerd en opnieuw aan de orde gesteld zouden worden, . Thans is het dan zover, dat de commissie haar voorstellen heeft ter tafel gelegd. De consideratle's van de classes zijn nagenoeg binnen, in meerderheid voor, in beduidende minderheid tegen. De Synode zal hebben te beslissen. Worden de voorstellen verworpen dan kunnen de voorstanders zich getroffen gevoelen in hun geweten, maar niet, in de zin van artikel 32 van de belijdenis, want dat spreekt van een binding van het geweten, door niet bijbelse wetten. Aan hün positie in de kerk verandert niets, dan alleen dit, dat zij zien dat in de kerk niet alles kan. Worden de voorstellen geheel of gedeeltelijk aanvaard (men dient de voorstellen zo aan te nemen of niet aan te nemen !) dan komen de tegenstemmers wel in een gewetensconflict in de zin van art. 32 van de belijdenis. Het zal hun niet mogelijk zijn met een vrij en goed geweten tegenover Gods Woord deze wetten te gehoorzamen. Daar zullen er zijn, die zij het dan met pijn, bet hoofd in de schoot zullen leggen, maar er zullen er ook zijn, die dat niet zullen doen. Dit is een zaak, die niet alleen de ambtsdragers raakt, maar evenzeer het kerkvolk. Als ik de consideraties goed heb kunnen peilen, dan zijn de meeste tegenstemmen gevallen in die delen van de kerk, die het meest kerkgaand zijn. Daar waar de kerkelijke bevolking gemengd is en in de kerkelijke vergaderingen zullen conflicten niet te vermijden zijn. Het ziet er ditmaal niet naar uit, dat een wet, als zij eenmaal enige tijd van kracht is, rustig geaccepteerd wordt. En het ziet er ook niet naar uit, dat een wet, als zij niet voldoet, gemakkelijk weer afgeschaft kan worden. Zeker niet een wet als deze, als die eenmaal bepaalde leden der kerk in de ambten gebracht heeft. Het is geen financiële bepaling, die men wel opvolgt, het is geen orde van dienst, die men kan gebruiken of niet gebruiken. In meerdere of mindere mate heeft de hele kerk er mee te maken,

, , De kerk moet vooruit, de kerk moet verder!" het is de slagzin die men veel hoort. Zal men dat nog zeggen, als men ziet dat men het volk verliest ? Beter konde men zeggen : De kerk moet terug naar het Woord, terug naar de belijdenis. Onder het kerkvolk en in de kerkelijke vergaderingen is die verwachting ook gewekt, toen de kerkorde werd ingevoerd. Hoe is men dan nu ineens van toon veranderd ? Ik kan niet zeggen, dat niemand aan afscheiding denkt. Verschillende vooraanstaande mannen hebben in ernst overwogen of het maar niet beter en christelijker is, om op een eerlijke en vreedzame manier uit elkaar te gaan en elkaar het leven niet langer te bemoeilijken. Ondanks de modaliteitenvisie, leven de verschillende groepen uit andere vooronderstellingen, ik moet zeggen, uit andere beginselen. Het onderhavige Synode-voorstel maakt duidelijk twee groepen openbaar, die elkander niet kunnen bagatelliseren, Hier spreekt tweeërlei Schriftgeloof.

Het tweede wat overwogen is, is de mogelijkheid van een modus Vivendi, waarbij een bepaalde groep binnenkerks een eigen leven zou kunnen leven, op de wijze waarop de Waalse gemeenten dat doen. Hebben de Walen daardoor tenslotte een bescheiden plaats in het geheel gekregen, doordat sinds eeuwen de toevloed uit België en Frankrijk heeft opgehouden en doordat de Zuidelijken tenslotte voluit Nederlander geworden zijn, niet alzo zou het zijn als bijvoorbeeld voor de Gereformeerd gezinden zulk een modus geschapen zou worden. Deze zou een belangrijk deel der kerk omvatten en een levenskrachtig deel.

Op al deze overwegingen hebben degenen, die dit overwogen hebben, maar één antwoord gevonden. Niet; Wij kunnen niet, maar : wij willen niet. Het feit, dat deze dingen overwogen zijn, moge de ernst van de toestand illustreren, Wij ontveinzen het ons niet, dat behalve deze zaak er dingen zijn, die de positie van de Gereformeerden in de kerk hoogst ernstig maken. Tegenover die moeilijkheden zeggen wij : , , Wij kunnen niet", tegenover een onttrekken zeggen wij : , , Wij willen niet". Ten diepste; Wij hebben de kerk lief, meer dan enig ding, wij hebben deze kerk lief. Naar de orde van het verbond der genade voelen wij ons, ondanks veel, toch ook verbonden aan de anderen. Het heeft ons veel innerlijke worsteling gekost, gebed en strijd, om dit antwoord te vinden. Wij bekennen dat eerlijk. Tegenover de kerk, tegenover deze kerk is ons antwoord; Gij hebt blijkens de consideraties van de classes de macht (hoewel een zwakke macht) om dit te doen. Wij hebben de macht niet om het te verhinderen. Eén macht staat boven u en ons, namelijk de macht van God en Zijn Woord. Christus is Koning van Zijn Kerk. Zult gij besluiten om de vrouw toe te laten in de ambten, dan zullen wij u in deze zaak niet gehoorzamen. Wij konden in andere dingen wel eens wat meer gehoorzaam zijn. Alleen in deze zaak kunnen wij het niet en zullen wij het niet!

Maar wij zullen u niet kunnen verlaten.

In deze ook voor de kerk in haar geheel, ook voor de Synode, spannende maanden zal ons gebed tot de God der Waarheid, tot de God en Vader van onze Heere Jezus Christus zijn. En onze God is machtig ons Gereformeerde volk, onze Synode, onze hele kerk te leiden in de weg der gehoorzaamheid aan Zijn Woord. En onze God ontfermt Zich op het gebed.

1) Rede, gehouden in de Jacobi-kerk te Utrecht op 23 april 1958

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De geestelijke nood

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's