DE CATECHISMUS VAN CALVIJN
PROF. DR. S. VAN DER LINDE
XII
Zondag 8.
Deze zondag vervolgt de uiteenzetting van de leer aangaande de Here Jezus Christus (de christologie), met name de Vleeswording desi Woords, wanneer nu nog gevraagd wordt: Waarom is dat (de maagdelijke geboorte) geschied door de Heilige Geest en niet door het toedoen van een man, zoals dat de natuurlijke orde is ? De spanning vlees-Geest, waarvan ook zondag 7 zozeer sprak, wordt hier weer voelbaar. Het antwoord luidt: Omdat het menselijke zaad uit zich zelf verdorven is, moest de kracht van de Heilige Geest tussen beide komen in deze ontvangenis, om onze Here voor zulke besmetting te bewaren en Hem met heerlijkheid te vervullen.
Speculatieve theologen zouden hier heel anders antwoorden dan Calvijn. Ze zullen stellig uitweiden over dat merkwaardige, dat de Heilige Geest hier plaatsbekledend intreedt, wat de verhouding van Christus en de Heilige Geest in een zeer bepaald licht zet. En ze zullen ook licht er op voortborduren, dat krachtens de algemene genade het vermogen, dat God aan de schepselen schonk, om leven voort te brengen, een gave van de Heilige Geest moet heten. Op die wijze zou de geboorte van de Here Jezus Christus uit de Heilige Geest vanuit de algemene genade kunnen worden belicht. Als we letten op de wijze, waarop b.v. Augustinus de Drieëenheid Gods uit vergelijkbare processen in de natuur toelicht, vatten we, welke verzoeking hier ook tot Calvijn komt. Maar, sprekend voor hem: hij gaat deze weg volstrekt niet. Hij komt niet tot de bijzondere genade uit de algemene, maar omgekeerd. En hij doet hier geen moeite, om Christus' geboorte uit algemener beginselen af te leiden, maar laat het in al z'n bijzonderheid staan, het op louter bijbels-religienze en niet wijsgerige wijze uiteenzettend. Hij antwoordt immers, dat wij mensen het vermogen niet hadden en hebben, om een volkomen Reine voort te brengen. Wij zijn aan de kant gezet, hoewel we naar de kant der verantwoordelijkheid op onze oude plaats blijven staan. Omdat het zo moest, maar van ons uit niet kon, heeft God het Zelf in de hand genomen, om vrede te maken, met ons, over ons en zonder ons. Door dat tussentreden van de Heilige Geest is het gekomen tot een ontvangenis zonder zonde. We merken weer, hoe Calvijn de speculatie weg dringt, als hij er heel geen smaak in blijkt te hebben om te gaan overwegen, hoe het langs, deze weg tot een echt menselijke ontvangenis kan komen. Dat hij het zo bedoelt is duidelijk, maar hij past hier op een fijne manier toe, wat hij nogal eens zegt: Beter een , , geleerde onwetendheid" dan een brutale kennis. Een kennen van God, dat niet in de grond aanbidding zou zijn, moet voor Calvijn louter blindheid en onkunde verraden.
Zo is ons aangetoond, dat Hij, Die anderen zal heiligen, vrij is van elke smet en van de moederschoot al aan God gewijd is in oorspronkelijke zuiverheid, om zo geheel niet onderworpen te zijn aan het algemene bederf van het menselijk geslacht? Zo vat de predikant nog eens samen, hetgeen tot nu toe gezegd werd, om er daarmee op te wijzen, hoeveel belang het heeft, in deze grondvraag zuiver te zien. De leerling heeft het zo verstaan en antwoordt daarom: Zo versta ik het.
Een diepzinnige kwestie wordt even aangeroerd, zonder dat er te dezer plaatse op kon worden ingegaan, als nu gevraagd wordt: Waarom kom je van Zijn geboorte onmiddellijk tot Zijn sterven, heel de geschiedenis van Zijn leven buiten beschouwing latend? We herinneren ons in dit verband, dat in de dogmatiek gesproken wordt van tweeërlei gehoorzaamheid van Christus, n.l. van een actieve, bewezen in heel een zondeloos leven en een passieve, bestaande in het lijden. Daarbij is de vraag gerezen, welke gehoorzaamheid voor de christen belang heeft. Dat zondeloze leven was, zo meende men, niet plaatsbekledend, want daartoe was de Here Christus Zelf gehouden, zodat Hij daarin niet overhield. Alleen dat passieve, het lijden heeft verdienste; daaruit put kerk en christen. Deze opvatting is vooral voorgedragen door prof. Piscator, een Duits calvinist, en heeft zo te onzent nogal wat deining veroorzaakt. Zijn standpunt is door de Gereformeerde theologen, terecht, bestreden, omdat ze m'eenden, dat Christus op deze wijze gedeeld en gescheurd werd, wat immers niet kan of mag.
Piscator kon op de Apostolische Belijdenis wijzen, waar van Christus Ieven gezwegen wordt. Dat is weinig afdoend: daar wordt, in zo kort bestek, van meer dingen gezwegen. Calvijn staat niet achter (voor) Piscator, omdat hij juist de eenheid in Christus, ondanks alle tweeheid, zo sterk benadrukt. Maar hij ontkent in alle geval niet, dat het lijden van Christus toch kennelijk méér in heeft dan Zijn zondeloos leven alleen. Zo laat hij de leerling antwoorden: (We gaan van de geboorte meteen tot het lijden over) omdat hier alleen gesproken wordt van wat werkelijk de kern is van onze verlossing.
Wij kunnen ons met dé practisch-catechetische doelstelling van Calvijn geheel verenigen, maar zullen niet licht ontkennen, dat hij hier tenminste aan Piscator een aanknopingspunt bood. Dat hij dat deed, lijkt ons geen naïviteit, maar eerder leefde hij zo uit de eenheid van Christus' gehoorzaamheid, dat het er bij hem niet recht in wilde, hoe iemand (Piscator) dit zou willen gaan scheuren.
Voor Calvijn heeft de passieve gehoorzaamheid, het lijden, dus een zware nadruk. Maar daarmee is de catecheet toch nog niet tevreden. Hij vraagt verder: Waarom is er dan niet eenvoudig met één woord gezegd, dat Hij is gestorven, en wordt er gesproken van Pontius Pilatus, onder wie Hij geleden heeft? Antwoord: Dat gebeurt niet alleen om ons te verzekeren van de waarheid van dat gebeurde, maar ook om te laten uitkomen, dat Zijn dood en veroordeling insloot.
In deze woorden wordt ons zeer klaar uiteengezet, dat Calvijn in geen geval er aan denkt, het leven van de Here Christus op een mystieke wijze te vervlakken en voor eigenlijk onbelangrijk te verklaren. Integendeel heeft hij alle waarde aan dit historisch bestaan, waarvan de waarheid ons moet vaststaan. Maar hij beschouwt het dan ook onder een zeer onmystieke, harde gezichtshoek, n.l. die van het oordeel Gods. We vergissen ons stellig niet, wanneer we dit antwoord, dat de Catechismus over Christus' sterven geeft ook over Zijn leven uitbreiden. Dit leven heeft op allerlei wijze de Schrift vervuld. Het heeft op een unieke wijze Ps. 90 vervuld: het is vergaan onder Gods' toom en verschrikt door Gods verbolgenheid. Daarom is het geëindigd zoals het verlopen was: onder Gods oordeel. „Hij is met de misdadigers gerekend"; en , , Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld." Om dat op z'n felst te laten uitkomen, is Pontius Pilatus daarbij gezet. Hij was zelf wel het spotbeeld van een rechter, maar hij zat dan toch op de rechterstoel, zoals het Romeinse recht, dat voorbeeldig te achten is, die beheerst.
Dit Romeinse recht had een uiterst harde, verbeten instelling. Het zei: Al moest de wereld vergaan, er moet recht geschieden. Wanneer Pontius Pilatus het met dit recht had durven wagen, ware zijn kleine wereld stellig wel vergaan, al was er dan ander recht geschied. Het Goddelijk recht is een ander dan het Romeinse. Het heeft ook dat onverbiddelijke: Al moest de Zoon van God er om sterven: er moet recht geschieden. Langs wegen, die wij niet doorgronden, is het bij Pilatus tot een bankroet van het Romeinse recht gekomen, maar tot de zegepraal van'het Goddelijk recht. Een volkomen zegepraal: het zo onverbiddelijke recht is doorgestoten tot gratie.
Begrijpelijk, dat de predikant-catecheet daarvan meer wil horen. Hij vraagt daarom: Hoe bedoel je dat? en hoort dan antwoorden: Hij is gestorven, om de straf te dragen, die wij hadden moeten ondergaan, om er ons zo van te verlossen. Omdat wij in Gods oordeel schuldig waren, als misdadigers, heelt Hij, om onze persoon te vertegenwoordigen, willen verschijnen voor de rechterstoel van een aardse rechter en Zich willen laten veroordelen door diens mond, om ons vrijspraak te verwerven voor de troon van de Hemelse Rechter.
Dit antwoord is sprekend om wat het zégt, maar evengoed, om wat het niet uitspreekt. Het is zeker Calvijn's bedoeling, dat het recht op aarde vrucht is van de algemene genade, van de algemene werking van de Heilige Geest en zo deel heeft hij aan, althans verband met het goddelijk recht. Was dat niet zo, dan zou Pontius Pilatus in Bijbel en Belijdenis op geen manier een plaats kunnen hebben en dan zou het oordeel, dat hij uitsprak, ook van alle betekenis voor ons ontbloot zijn. Het feit, dat Calvijn die samenhang erkent, is o.i. dus wel sprekend. Maar nog veelzeggender is, dat Calvijn dit niet uitspreekt, zich weer van speculatie, van algemener overleggingen speent en zich tot het bijzondere getuigenis van de Schrift beperkt. In Institutie en tractaten kan hij wel iets verder gaan, maar z'n bijbelse soberheid is weer sprekend en o.i. voorbeeldig. Ze doet ons o.a. verstaan, dat van een weelderige uitwerking van de algemene genade bij hem geen sprake kan zijn. A. Kuyper is hierin veel verder gegaan, wat dan zeker het gevaar heeft meegebracht, dat de band aan de Schrift zeer gerekt is. Wanneer wij Calvijn wensen uit te werken naar de kant van de cultuurwaardering, wat ons geboden en geoorloofd lijkt, zullen we in zijn stijl niet van speculatie aangaande de algemene genade moeten uitgaan, maar van de zeer vaste grond van de bijzondere openbaring, van de Schrift. Als dat zou blijken onmogelijk te zijn, zou 'n wettige gereformeerde cultuurwaardering daarmee onm.ogelijk zijn. Dat laatste achten we niet het geval, het eerste daarom nog minder.
Het oordeel, dat Pilatus uitsprak als vertegenwoordiger van het Romeinse recht, d.i. het aardse recht op z'n best, moet dus beschouwd worden als uitdrukking, althans flauwe afspiegeling van het absolute, het goddelijke reoht. Dat werpt ook voor catecheet en leerling problemen op, die op de vraag uitlopen: Maar Pilatus spreekt Zijn onschuld uit (Matth. 27 : 24; Luc. 23 : 4) en daarom veroordeelt hij Hem niet, alsof (omdat) hij dat waard was. Hiermee wordt er de aandacht voor gevraagd, dat het oordeel van Pilatus en dat van de Hoogste Rechter toch wel heel ver uit elkaar lopen. Maar daarop wordt tenslotte dit licht geworpen: Het is allebei waar. Hij is gerechtvaardigd door het getuigenis van de rechter, om aan te tonen dat Hij geenszins lijdt wegens eigen gebreken, maar wegens de onze. En toch is Hij plechtig veroordeeld door het vonnis van de rechter, om te doen blijken, dat Hij waarlijk onze Borg is. Die voor ons het oordeel ontvangt, om er ons van te bevrijden.
Pilatus' wist maar niet, wat hij doen moest. Hij was een ongelukkig, oneerlijk, gespleten mens. Een klein mensje op een zo verheven rechterstoel. Naar roeping en geweten kon hij alleen maar zeggen: Ik, de Romeinse rechter, vind in deze mens generlei schuld. Maar deze , , betere" Pilatus was niet de hele, noch de werkelijke Pilatus. De werkelijke, corrupte Pilatus, in wie de zonde op bijzonder aangrijpende wijze aanschouwelijk wordt, is de man, die niet kan, zoals hij wil, die z'n , , vrije wil" geheel kwijt blijkt te zijn en daarom tenslotte doet, wat hij niet werkelijk en geheel wil. Wat Paulus ons in Romeinen 7 getekend heeft, wordt in Pilatus' innerlijke verscheurdheid enigermate gespiegeld.
Daarbij knoopt Calvijn aan. En zegt: die tweespalt in Pilatus spiegelt, hoe er een onbegrijpelijkheid ligt in het oordeel over de Here Christus. Die onbegrijpelijkheid wijst tevens naar de hoge bedoelingen van Gods Raad en welbehagen. , , Onschuldig" zei de , , hogere" Pilatus en hij zei het naar waarheid. Maar de werkelijke Pilatus gaf Hem over, om te worden gekruisigd en Zoon, Vader en Geest hebben daar amen op gezegd. Hoogst onrecht, hoogst recht. Persoonlijk was Hem niets ten laste te leggen, want Hij deed niet dan goed. Maar omdat Hij Zich Borg had gesteld voor de schuldigen, daarom mag en moet Hij toch worden aangesproken, alsof Hij in Eigen Persoon des doods schuldig was.
Er is al eens op gewezen, dat het Nieuwe Testament het begrip , , Borg" maar op één enkele plaats blijkt te kennen en dat met name de Gereformeerde 'Theologie dit begrip breder heeft uitgewerkt. Daarop valt te antwoorden, dat het Nieuwe Testament evengoed in het woord Middelaar en dgl. het zelfde kan uitdrukken, zodat dit ene maal, dat het woord voorkomt, niet spreekt tegen de zaak. Calvijn heeft dit woord o.i. goed begrepen, het is centraal binnen de christelijke, gereformeerde religie.
Onze zondag besluit ermee, dat de catecheet z'n instemming met het eerder uitgesprokene uitspreekt: Goed gezegd. Want wanneer Hij zondaar was, zou Hij niet in staat zijn de dood te lijden voor anderen. Maar nochtans, opdat Zijn veroordeling onze verlossing zou zijn, moest Hij wel onder de misdadigers worden gerekend. De leerling antwoordt: Zo versta ik het. Hij bedoelt: In het christenleven blijft de gedeeldheid van oude en nieuwe mens, van zondaar en gerechtvaardigde. Het christenleven kent de verzoening met de Vader als een algehele, alsof wij nooit zonde gekend of gedaan hadden. Maar omdat we ze toch wél gedaan hebben, daarom kennen (geloven) we die volkomen verzoening nooit ongedeeld, ongebroken, maar alleen in die gebrokenheid, die we zoëven aanwezen. Daar ligt iets en veel van een doornenkroon, van een blijvend kruis in. Dat wijst ons op onszelf, op onze grote breuk en kleine breuken. En als wij met Paulus deze harde spanning verdrietig en verootmoedigend vinden, ja, onmogelijk, dan komen we mét de apostel bij Hem uit, die deze onmogelijkheid en ondragelijkheid 'heeft voldragen tot het einde. Dan besluit Paulus: daaruit weet ik, want dat getuigt de Heilige; Geest, het nemend uit Christus' volheid, aan mijn verslagen, lege hart en geest; Hoogte noch diepte, noch enig schepsel zal mij dan kunnen scheiden van Christus' liefde, die zo, door de diepste wanhoop heen doordrong tot een levende hoop.
De Here Christus is u toch ook niet minder geworden dan dat ?
V. d. L.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's