De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

11 minuten leestijd

XIII

Zondag 9.

Calvijn vervolgt zijn bespreking van de persoon en het werk van Ohristus: Betekent het feit, dat Hij gekruisigd is iets meer dan wanneer Hij op andere wijze zou zijn gestorven? Geantwoord wordt: Ja, zoals de apostel liet aantoont (Gal. 3 : 10), als hij zegt, dat Hij aan het hout gehangen is, om onze vervloeking op Zich te nemen, om er ons van te ontlasten. Want deze wijze van sterven was van God vervloekt. (Deut. 21 : 23). Waar deze uitleg zo sterk overeenstemt met die in de Heidelberger, is er voor ons geen aanleiding hierop bepaald in te gaan. Daar de kruisdood in onze humaner(? ) eeuw is afgeschaft, valt het ons niet zo gemakkelijk na te voelen, welk een afschuw de oude wereld voor deze wijze van sterven had. De kruiseling is een uitgestotene, zoals zijn hangen tussen hemel en aarde vertolkt. Wie aan een hout werd gehangen (oudtijds nóg wreder dan het kruis, n.l. door het slachtoffer op een gepunte paal te hangen, die dan zijn lichaam doorboorde), was blijkbaar een uitvaagsel, voor wie het ergste niet erg genoeg was. Daarom loopt Gods vrederaad over dat vloekhout heen, opdat wij weten zouden, dat de daar Gehangene zich tot zonde heeft laten maken op een volkomen wijze. Daarom heeft geen mens reden, te vrezen, dat deze Kruiskoning ons te min zou vinden. Het gevaar ligt aan de andere, d.w.z. aan ónze kant, nl. dat we eerder te veel willen blijven in eigen schatting. Daarom begint en eindigt het levend geloof met , , de vernedering des harten", waarover men met profijt het boekje van Hugh Binning, een schotse oude schrijver moge nalezen.

Maar: betekent dat niet een onteren van de Here Jezus, als we zeggen, dat Hij aan de vervloeking onderworpen is geweest, nog wel in Gods ogen?

Déze vraag moet ons wel uit het hart zijn gegrepen. Dat durven wij zo maar niet aan, de Here Jezus zo , , vlees" te laten worden, op een wijze, zo radicaal, als b.v. Kohlbrugge dat geleerd heeft. In het algemeen kunnen we zeggen, dat er ook onder ons nog veel navolgers zijn van de z.g. Doceten uit de oude Kerk, die leerden, dat de Here Jezus enkel een schijnlichaam heeft aangenomen, maar dat Zijn wezen louter geestelijk is. Wij denken dan de Here Jezus hoog te eren, door Hem zo geestelijk en zo harmonisch mogelijk voor te stellen. Maar daar doen we zomin Hem als onszelf een dienst mee. Hij wilde immers Zélf Zijn broeders in alles gelijk worden, uitgezonderd de zonde ? Hij heeft Zich naar Paulus' woord immers niet maar tot zondaar laten maken, maar zelfs tot , , klinkklaar zonde" (Kohlbrugge), opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem ? Omdat onze zonde zo iets radicaals is, de diepste breuk, die er ooit geslagen werd, daarom moest ook de vleeswording van het Woord evenzeer en meer zo iets radicaals zijn: God geopenbaard in het vlees! Omdat het hier alles gaat om wat de Here Christus ambtelijk en borgtochtelijk op Zich nam, kan er nooit gevaar zijn, Hem daarmee te onteren? Integendeel: Hem echt eren betekent: niets afdoen aan die ontzaglijke vernedering, die Hij op Zich wilde nemen. Daarin wordt onze vloek en onze diepe behoefte aan Hem openbaar en daartegenover Zijn liefde die doorging tot het einde.

Zo verstaat Calvijn het: Neen (zo wordt de Here Jezus niet onteerd: Want door die vloek op Zich te nemen, heeft Hij ze vernietigd door Zijn kracht, zodat Hij niet opgehouden heeft de Gezegende te zijn, om ons met Zijn zegen te vervullen. De catecheet had naar ons inzicht gepast gebruik kunnen maken van een beeld, dat wel zeer sprekend is. Wij kennen tweeërlei metalen, onedele en edele. Wanneer onedel metaal met vuil en zuur in aanraking komt, wordt het aangetast en vernield. Maar edel metaal houdt stand tegen die beide. Het kan zich veroorloven, ermee om te gaan, maar blijft er toch altijd innerlijk vreemd van. Dat mogen we, met omzichtigheid op de Here Jezus Christus overbrengen. Hij kon Zich verloven met zonde en zondaren saam te leven, zonder er door besmet te worden. Natuurlijk moeten we er nadruk op leggen, dat de Here Christus Zich nooit innerlijk koud en vreemd hield van hetgeen Hij wilde dragen. Het heeft Hem integendeel onbeschrijflijk diep aangegrepen. Maar hoezeer Hij onze vervloeking op Zich wilde nemen en ze droeg tot aan het vloekhout: Hij hield nimmer op, de Gezegende te zijn, juist zo, om Zijn vrijwilligheid en liefde, een milde bron van zegen voor gevloekten en zondeslaven.

Zoveel over het kruis van Christus. In de belijdenis volgt daarop: gestorven en begraven. Daarop richt zich de volgende vraag: Verklaar nu wat er volgt. En deze verklaring luidt: Omdat de dood een vervloeking is, uitgesproken over de mens wegens de zonde, heeft de Here Jezus haar ondergaan, en, door dat te doen, haar overwonnen. En om te doen blijken, dat Zijn dood een werkelijk sterven was, heeft Hij Zich laten begraven, zoals de andere mensen.

Als we onze Heidelberger hiernaast leggen, vinden we daar niet iets anders. Toch lijkt ons, dat de Catechismus van Calvijn doorgaans iets dieper boort, toch wel iets theologischer is, zonder daarom op te houden, practisch te blijven.

Uit het vonnis, dat in het paradijs werd uitgesproken, weten we, dat juist het sterven daarvan een groot stuk uitmaakte. Het werd ons bezworen, wat het hebreeuws op die intense manier weergeeft; gij zult , , stervende sterven", d.w.z. gij zult onontkoombaar sterven. En al zijn wij al te zeer afgestompt aan deze gevoeligste en diepste stukken: zo vaak wij met bewustheid het beseffen: Het is de mens gezet, eenmaal te sterven en daarna het oordeel te ondergaan, zo vaak verstaan wij ook hoe iets wanhopigs en vernederends daarmee gegeven is: tot de , , Koning der schepping".

Van deze diepe afgrond, waarvan het graf toch maar een zwak beeld geeft, zegt nu ons leerboek, dat de Here Jezus Christus juist dit centrale en beslissende heeft willen dragen. Dat gebeurde juist zoals het bij ons gebeurt: en Hij stierf. Met dit grote verschil: wij sterven uit onmacht en gebrokenheid. Maar Hij stierf, omdat Hij macht had. Zijn leven af te leggen en weer tot Zich te nemen. Hij stierf vrijwillig, uit intense liefde en genegenheid tot ons, die door vrees voor de dood gebonden zijn al onze dagen. Daarom ligt er in deze levendmakende dood een rantsoen voor velen; daarom kunnen we zeggen, dat in Christus' vrijwillige sterven de oppermacht en tyrannie van Koning Dood is gebroken en het leven is verworven voor zovelen de Zoon te voet vallen, om uit Zijn dood en opstanding te leren sterven en leven. Om alle schijn te breken en het alles een laatste en radicale ernst te geven, heeft Hij Zich laten begraven. Het graf werd verzegeld en bewaakt, al heeft op aarde niemand werkelijk geloofd, dat het zou opengaan, omdat de geslagen Koning Dood de Erfgenaam en Vorst des Levens niet langer houden kon, dan het Hem zou believen. Daarom werd Hij ook begraven óm op te staan, en de buit, die Hij behaalde (Ps. 68) uit te delen, ja, aan wie ook weer? Aan trouwe helpers en bondgenoten, die met Hem hitte en koude hadden getrotseerd? Met schaamte antwoorden we; Nee, want die waren er niet. Ze (we) lieten Hem de pers alleen treden en er was op aarde niemand die meehielp. Dit is één van de donkerste bladzijden uit heel de kerkgeschiedenis: de erfgenamen des levens lieten hun Hertog en Doorbreker alleen strijden en vallen. Zo iets karakterloos kan alleen verwacht worden van mensen, die zo van de aarde aards en zelfzuchtig, blind en krachteloos zijn geworden. Die karakter, karakter-adel toonde, was de Here Christus alleen. Juist daarom, dat Hij vurige kolen laadde en laadt op schuldige hoofden, door het profetische Woord op Pasen en erna te vervullen: , , opdat zelfs wederhorig kroost, altijd bij Hem zou wonen". Als iemand meent, daar toch.niet te mogen wonen, aan wie moet dan de schuld zijn?

Maar schijnbaar hebben wij geen nut van deze overwinning, omdat wij toch nog moeten sterven . Ook dit is een oude vraag, zo heel veel malen herhaald. Denk aan de Heidelberger: Als Christus dan voor ons gestorven is, waarom moeten wij dan nog sterven? Het antwoord heeft de Heidelberger kennelijk aan Calvijn ontleend, want hier horen we immers: O, neen, want de dood der gelovigen is nu niet anders dan een overgang, om hen binnen te voeren in een beter leven.

Dat is een hooggestemd, victorieus antwoord, dat in de practijk van leven en sterven doorgaans in een veel lager, gedempter toon wordt nagesproken. Als we de tijd van de Hervormers en de onze vergelijken, zullen we al heel licht opmerken, op welk een rijke, spontane en kinderlijke wijze velen toen uit de zekerheid des geloofs heben geleefd, op een wijze, die ons op pijnlijke en armoedige wijze ontgaat. Dit wekt het vermoeden en meer dan dat; dat bij ons veel van de diepe eenvoud en echtheid des geloofs is verloren gegaan. We zijn volwassen geworden, hebben afgelegd hetgeen des kinds is, maar zijn helaas ook verspeeld de kinderlijke houding en verhouding tot God in Christus, van Wien toch alleen zal kunnen worden gezegd, dat Zijn hand thans niet gesloten of verkort is.

Deze zelfde kwaal komt openbaar in de wijze, waarop men leefde en stierf in die oude tijd en nu. Toen Olevianus, die deze onze Catechismus zo goed gebruikt en gekend heeft, op zijn sterfbed lag en men hem vroeg, of hij verzekerd was van zijn overgang van geloof tot aanschouwen, antwoordde hij: Daar ben ik volkomen zeker van. Die zekerheid rust bij hem dan ook kennelijk niet in een boren of graven in zichzelf, om daar geruststellende gronden te ontdekken. Integendeel, die zekerheid vond hij alleen in een zich spontaan en kinderlijk verlaten op de genade Gods in de Here Jezus Christus, een genade die , , genoeg" is, en die in zwakheid wordt volbracht. Dat is dan ook de bron, waaruit wij in onze dag alleen vrijmoedigheid en zekerheid, voor leven en sterven ihebben te putten. Alle andere bronnen zijn verzand en leveren niets op.

Ons leerboek vat de grondtoon van christelijk leven en christelijk sterven nu op een kostelijke wijze samen. Daar volgt dus uit dat wij de dood niet meer moeten vrezen als iets verschrikkelijks, maar dat wij gaarne ons Hoofd en onze Leidsman Jezus Christus moeten volgen, waar Hij ons voorgaat, niet om ons te verderven maar om ons te behouden.

Dit woord is geschreven in het licht der brandstapels. Velen van die het bij z'n ontstaan lazen, hebben hun geloof met hun bloed moeten bezegelen. Wie de martelaarboeken kent — helaas lezen we ook die tegenwoordig niet meer —, weet van de onverschrokkenheid, waarmee mannen en vrouwen, jongere of oudere, de dood niet gevreesd hebben, maar blijmoedig de Here Jezus, de Goede Herder, gevolgd zijn, ook als Zijn weg naar de brandstapel leidde. Als we dit zo schrijven en ook op onszelf zien, overvalt ons schaamte en moedeloosheid. Het belijden is in onze tijd gemakkelijker, goedkoper geworden. Maar heeft het daarmee dan z'n eigenlijke gehalte en kracht niet verloren? Wij kunnen het makkelijker zeggen: het Lam volgen, waar het ook heengaat, omdat we tevoren al weten, dat de zo diepe wegen van 400 jaar geleden ons licht niet meer raken. Dit kan ons vlees wel smaken, maar is dat ook kracht naar de Geest? Wij kunnen dan ook wel dapper meezingen, als er een Psalm van geloofsvertrouwen gezongen wordt. Maar, zouden we ook zo zingen, als we hem alleen moesten zingen, op weg naar brandstapel of schavot?

Dit zijn vragen, waar niemand zich gemakkelijk kan afmaken. Maar we zullen toch zeker tot onszelf en tot ieder ander zeggen, dat iets en veel van ons geloof zich spiegelt in de wijze, waarop wij niet maar met een onverwacht sterven verzoend kunnen zijn, maar er naar kunnen verlangen, om ontbonden te zijn en met Christus te leven, wat verreweg het beste is. De man die dit schreef, Paulus, heeft er stellig veel van geweten: Open uwen mond, eis van Mij vrijmoedig op Mijn trouwverbond. Hij vond er al wat hem ontbrak, in leven en sterven, mild en overvloedig en zei er nog bij, dat deze genade hem, als een allerminste was geschied, ter bemoediging van allen, die na hem komen zouden, vooral van de achteraankomers. Wat anders zouden wij daarop dan durven antwoorden, dan wat de leerling in onze laatste vraag bevestigt: Zo is het?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's