De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

12 minuten leestijd

XIV

Zondag 10.

Deze zondag handelt over de , , nederdaling ter helle". Terwijl onze Heidelberger daar maar één enkel stukje aan wijdt, besteedt Calvijn er deze hele zondagsafdeling aan. Daar spreekt zich weer meer theologische belangstelling in uit; het was Calvijn dan ook niet onbekend, dat er veel onzekerlheid omtrent deze zaak bestond.

De zondag opent met de vraag: Wat betekent, wat daar aan toe is gevoegd over Zijn nederdaling ter helle? Wij weten licht, dat het woord , , hel" in de Schrift niet altijd voorkomt in dezelfde betekenis. Soms betekent het: de laatste, eeuwige strafplaats, , , waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt geblust". Maar op andere plaatsen geeft het weer, wat het Oude Testament verstond onder de , , sjeool' en het Nieuwe Testament als , , Hades" vertaalt, wat niet betekent die strafplaats, die we zoëven noemden, maar , , het dodenrijk", de bewaarplaats, waar de doden , , tot hun vaderen verzameld", wachten op het Laatste Oordeel, om dan een definitieve woonplaats te ontvangen.

Zo komt dan de vraag op, of de nederdaling van Christus, na Zijn sterven, was een ingaan in de werkelijke hel, dan wel of het was een triomfantelijk betreden van het , , dodenrijk", om daar Zijn overwinning over Dood en Hel bekend te maken.

Deze vraag is in de christenheid niet eenparig beantwoord en ook onder de Reformatoren ontbrak deze eenstemmigheid. In de Roomse voorstellingen bestaat ook wel geen algehele overeenstemming, maar daar wordt, wanneer men aan de , , hel" denkt, de daar verkerenden de overwinning van Christus bekend gemaakt en een bekering als nog niet onmogelijk geacht, terwijl dit nog in veel sterkere mate geldt, wan­neer men denkt aan een prediking van Christus in het dodenrijk. Luther laat in grote en kleine Catechismus de hele vraag rusten en zegt daarvan: Christus heeft de macht van hel, dood en duivel gebroken en er de christenen van verlost.

In de Gereformeerde Kerk heeft deze verklaring stellig instemming gevonden. Maar men meende er, zomin aan hel als aan dodenrijk in de aangeduide zin te moeten denken, maar men verinnerlijkte („vergeestelijkte") deze nederdaling en liet ze slaan op de van God verlatenheid, de angsten en donkerheden, waarmee de Here Jezus Christus in heel Zijn lijden was overstelpt.

Deze verklaring is diepzinnig en troostend, maar het lijkt ons toch de vraag, of daarmee de bedoeling der Schrift (1 Petr. 3 : 19; 4 : 6) wel werkelijk wordt recht gedaan. De Apostolische Geloofsbelijdenis tekent een doorgaande lijn: geboren - gestorven - begraven. Als daarop volgt: , , neergedaald ter helle", moet dat toch licht ook zien op een volgend, en niet op een vroeger gebeuren. Het is duidelijk, dat het ook iets anders betekent dan alleen het gestorven of begraven zijn, want daarover werd reeds gehandeld. Zo wil het ons lijken, dat Calvijn en zijn Catechismus, daarmee ook de Heidelberger de gangbare verklaring van vooral 1 Petr. 3 en 4 afwijzend, geen andere weg hebben opengezien dan de genoemde. Als wij toegeven, dat de bedoelde plaatsen in 1 Petrus tot de zeer moeilijke behoren, hebben we toch de overtuiging, dat een zo aan de Schrift gebonden theologie als de Gereformeerde hier de moed niet zo spoedig had moeten, opgeven en aan letter en Geest van 1 Petrus 3, 4 meer recht had moeten dóen, dan nu gedaan is.

Het is hier de plaats niet, op deze zaak nader in te gaan. Het is uitermate moeilijk, om hier eenvoudig weg te zeggen: Zo meen ik hierover te moeten denken. Daar een bekering na het sterven, dus in het , , dodenrijk", door geen gereformeerde aannemelijk wordt geacht, menen wij niet, dat die nederdaling daarop ziet.

Waarop dan wel? Dat moge een vernieuwd onderzoek der mogelijkheden nog eens nader onder de ogen zien. Calvijn gaat in deze dus een andere weg. Want hij verklaart de zaak aldus: Dat Hij niet alleen de natuurlijke dood geleden heeft, de scheiding van lichaam en ziel, maar ook, dat Zijn ziel is benauwd geweest in onuitsprekelijke angsten, wat Petrus noemt: de smarten des doods (Handelingen 2 : 24). Geheel duidelijk is het niet, wat Calvijn, precies bedoelt. Doelt hij op iets, dat voorviel tussen Goede Vrijdag en Pasen? Maar dan wordt het: Het is volbracht, weer van een duidelijke zin beroofd. Toch lijkt het, dat Calvijn die kant uit wil, daar hij deze „smarten des doods" als een verdieping ziet van het gewone sterven, waarvan o.i. de Schrift op andere plaatsen niet spreekt. Dit is natuurlijk geen bezwaar, want Christus' lijden, sterven en opstaan heeft alle vermoeden en beloften overtroffen. Maar dan komt toch het , , in alles aan ons gelijk geworden" weer in de knel. In alle geval bedoelt Calvijn te zeggen, dat de Here Christus de dood op z'n diepst en volledigst heeft gedragen.

Dat doet de vraag opkomen: Maar waarom is dit geschied en hoe? en het antwoord is: Om zich aan God voor te stellen om te voldoen in de plaats van de zondaars, moest Hij deze verschrikkelijke droefheid in Zijn geweten doorvoelen, alsof Hij van God verlaten was en alsof God op Hem vertoornd was. Toen Hij in die afgrond verkeerde, heeft Hij uitgeroepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ? (Matt. 27 : 46). Hier ziet Calvijn de nederdaling niet als een vervolg van het sterven, maar als het schrikkelijke, dat op het sterven is uitgelopen. We kunnen niet anders zeggen, dan dat deze grote zaak zijn bevatting te boven ging en hij er niet , , logisch" of zelfs maar historisch over wist te spreken. Dit zal van ons ook wel moeten gelden. Uit het aangehaalde woord van Jezus valt op te maken, dat Calvijn Golgotha al gezien heeft als een stuk hel. Omdat dè Here Jezus Zich als Borg in naam van schuldige mensen voor God moest en wilde stellen, die immers niet weten, hoe ze Hem ontmoeten zullen en door vrees voor de dood gebonden zijn al hun. leven, moest de Borg daarvan de laatste bitterheid kennen. Wat wij verdiend hebben, de toom Gods, die heeft Hij plaatsbekledend zo moeten en willen doorleven.

Dat is een aangrijpende gedachte en die weer op een ontheiliging lijkt. Meteen komt de vraag zich aandienen: Was God dan vertoornd op Hem . Het antwoord klinkt: Nee, maar Hij moest Hem wel zo bedroeven, om waar te maken, wat door Jesaja was voorzegd, dat Hij door de hand van Zijn Vader is geraakt vanwege onze zonden en dat Hij onze ongerechtigheden heeft gedragen (Jes. 53 : 4; 1 Petr. 2 : 24).

We worden hier herinnerd aan de vorige zondag, toen uiteengezet werd, dat de Here Jezus Christus vlees werd, als Plaatsbekleder, zonder daarom zélf in enig opzicht gefaald te hebben. Hier ontkent Calvijn uitdrukkelijk en met reden, dat de Vader ooit reden zou gehad hebben, om op de Zoon zelf te toornen. De liefde tussen die twee is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Maar die toorn Gods moest Hij als Plaatsbekleder dragen, opdat zou vervuld worden, wat de profeten hadden geprofeteerd. Calvijn denkt aan Jesaja 53, waarover hij met voorliefde gepreekt heeft, daarnaast aan 1 Petr. 2. Zijn striemen zouden onze genezing zijn; Zijn kennismaken met die Hem zo vreemde toorn Gods zou velen rechtvaardig maken. En omdat de Vader dit de Zoon niet afgeperst heeft, maar dit het zelf bewilligde, daarom moest en wilde Hij komen in dit dodelijke uur.

De raadselen zijn hier vele. Ze blijven ook niet weinige. Daarom lijkt het ons béter, het raadselachtige raadselachtig te laten en liever op hetgeen erin geopenbaard wordt te letten, De volgende vraag, die gehoord wordt, is: Maar hoe kon Hij in zo'n angst verkeren, alsof God Hem verlaten had, waar Hij toch Zelf God is? Al de vragen, die de Vleeswording des Woords opriep, komen hier weer in beweging. Na hetgeen we reeds te horen kregen, kan het antwoord ons niet verwonderen: We moeten verstaan, dat Hij naar Zijn menselijke natuur zo ondragelijk benauwd is en om dat te bewerken heeft Zijn Godheid Zich voor een tijd als het ware verborgen gehouden, dat wil zeggen, dat ze haar kracht niet betoonde. Hoewel we op deze zaak gaarne Amen zeggen, in geloof, ontkennen we niet, dat verstandelijk en zelfs dogmatisch deze zaak ons nog altijd op de grens van het voorstelbare brengt en daarbuiten. De Godheid heeft zich voor een tijdlang stil gehouden. Kan dat wel? Kan Licht en Leven zich wel één ogenblik schuilhouden? Ons laatste antwoord zal toch wel moeten zijn, dat bij God géén ding onmogelijk zal geacht worden. Zo laten we het dan ook staan: wij zien het, maar doorgronden het  niet. Het dragen van de toorn, het doorvoelen van angst en benauwdheid moest Calvijn wel tot de menselijke natuur van Christus beperken. Er is wel een ketterse richting, die men de Patripassiaien noemt, die leren, dat ook de Vader, dat dus God Zelf lijden kan, maar deze richting is in de kerk, hoe goed haar bedoelen mocht zijn en hoe terecht zij waarschuwen tegen een koude en onbewogen God, toch terecht afgewezen. Alleen de mens Jezus Christus heeft kunnen lijden. De Godheid heeft zich ontledigd of verborgen. Zo stamelt de dogmatiek, eerbiedig afstand van een , , verklaring" houdend. De kracht der Godheid bleef voor een wijle verborgen, al heeft ze de aangenomen menselijke natuur ondersteund (Heidelberger), en al heeft ze op Pasen en Pinksteren zich in volle kracht doen kennen.

Nog zijn alle vragen op geen stukken beantwoord. Hoe kan Jezus Christus, het Heil der wereld, aan zo'n veroordeling onderworpen zijn geweest? Antwoord: Hij deed het niet, om er in te blijven. Want Hij heeft deze schrik zo gevóéld, dat Hij er toch niet door neergedrukt is, maar Hij heeft gestreden tegen de macht van de hel, om die te breken en te vernietigen.

Uit het begin van dit antwoord proeven we, hoe zwaar Calvijn aan deze vraag getild heeft. Hoe kon het Heil der wereld zo in nood zijn? In plaats echter van te gaan uitpluizen, antwoordt Calvijn, dat het het allerbeste bleek, dat dit eigenlijk niet kón, uit het feit, dat de Heiland door die smarten des doods niet kon worden vastgehouden. Zo ligt de glans van de overwinning al van te voren over dit slagveld. Geen generaal is ooit zo zeker geweest van de overwinning als deze , , Hertog van het Heil". Maar ook geen generaal heeft alléén gestaan tegen een overmacht zoals Hij! En ook geen generaal heeft in de uniform en met de wapenen van een gewoon soldaat het hardste, grofste werk zelf gedaan als Hij, Van die harde strijd spreekt Calvijn, zeggend, dat de strijd onzegbaar zwaar was, maar de geboden tegenstand toch nóg krachtiger. Als Paulus eens schrijft die reeks , , paradoxen", die hij zelf kent: neergeworpen, maar niet verlaten; ontmoedigd, maar niet moedeloos enz., dan verstaan wij daaruit, hoe hij bij de Here Jezus Christus op school (de krijgsschool!) is geweest. Van compromissen en wapenstilstanden is geen sprake geweest. Satan heeft zich nooit zo vergist, dan in zijn vermoeden, dat Hij deze , , Zoon des Mensen", Tweede Adam, al even gemakkelijk zou klein krijgen als alle mensen, als de eerste Adam. De wapenrusting, die Paulus kent en aanprijst in de strijd des geloofs (Efeze 6) hebben het eerst in deze intense worsteling haar kracht doen blijken. Daarom stierf, ook toen de wanhoop het laatste woord scheen te hebben, de hoop toch niet werkelijk, en zij hield het allerlaatste, het verlossende woord. De Grote Hogepriester ging immers niet klagend, maar lofzingend de strijd in. Toen ze de Lofzang (Ps. 118) hadden gezongen, gingen ze uit naar de Olijfberg. Daartegen hield en houdt Satan het niet uit; waar zulke wapenen in zulke kracht worden gevoerd, daar moet hij het veld ruimen.

We komen tot de laatste vraag: Zo zien we het verschil tussen de smarten die Hij heeft doorstaan en die de zondaars voelen, die God in Zijn toorn straft. Want wat voor Hem tijdelijk was, is voor die anderen eeuwig. Én wat voor Hem enkel een angel was, om Hem te steken, is voor hen een zwaard, dat hen ten dode tuchtigt. Zo handhaaft Calvijn het verschil tussen de Borg en hen, die aan Hem voorbijgaan en op zo groot een heil geen acht geven. We vatten dat Calvijn allerminst bedoelt, dat het lijden van Christus tenslotte een zekere schijn zou zijn gebleven, want integendeel tekent hij het als menens in ongekende zin. Maar hij bedoelt vooral, wat we al even aanduidden: Wee ons, dat er Eén Zijn vijanden zo lief kon hebben, dat Hij voor ze borg wilde en wil staan en niet licht zegt: Het is te veel. Daarom ook: Wee ons, wanneer we toch buiten en zonder Hem blijven. Daar zal de toorn Gods en de verlating branden en benauwen op een heel andere wijze, dan dat bij Christus geschiedde. Bij Hem had de hoop immers het laatste woord: maar waar Hij geen Borg en Middelaar werd, daar vestigt zich de wanhoop.

De catechisant heeft het zo begrepen: Zo is het. Want Jezus Christus heeif niet opgehouden, te midden van zulke verlatenheid, op God te hopen. Maar de zondaars, die God veroordeelt, worden wanhopig en komen in opstand tegen Hem, tot de lastering toe.

Dit is een aangrijpend slot. Calvijn zag in de nederdaling ter helle niet een preek van de Here Christus in hel of dodenrijk. Toch wèl een preek, met Wet en Evangelie tot , , zielen in de gevangenis" om ze te doen schrikken van wat ze zelf zijn en waard zijn. Een preek, die tot thema heeft: Buiten de Here Christus is het nergens veilig, om de wanhopige om zichzelf te laten weten: Hoopt volkomen op de genade, u toegebracht, in de openbaring van de Here Jezus Christus. Buiten Hem: geen hoop of dageraad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's