DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK 1, ARTIKEL 18
Tegen degenen, die over deze genade der onverdiende verkiezing en gestrengheid der rechtvaardige verwerping murmureren, stellen wij deze uitspraak des Apostels: O mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt ? (Rom 9 : 20); en deze van onze Zaligmaker: Is het Mij niet geoorloofd te doen met het Mijne, wat Ik wil? (Matth. 20, : 15).Wij daarentegen, deze verborgenheden met een Godvruchtige eerbiedigheid aanbiddende, roepen uit met de Apostel: O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennis Gods. Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen. Want wie heeft de zin des Heren gekend ? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven en het zal Hem weder vergolden worden? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen} Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen (Rom 11 : 33-36).
L. VROEGINDEWEIJ
Artikel 18 sluit de behandeling van het probleem der verkiezing en verwerping en de V Artikelen af. Als we het geheel nog eens voor ons nemen, treft ons de grote helderheid in de voorstelling van de voornaamste punten. Ons artikel spreekt over de genade der onverdiende verkiezing. In het burgerlijke leven onderscheiden we genade en recht. Zo doet de H. Schrift ook. Wij kunnen de verdiende straf krijgen of de onverdiende genade. Genade veronderstelt schuld. Dat laat ons artikel duidelijk zien. Alle mensen hebben in Adam gezondigd en zijn schuldig om de vloek te dragen en in de eeuwige dood onder te gaan. De Leerregels gaan uit van een schuldige mensheid. Zij zien de kwaal niet alleen in de hoogmoed of in een andere zonde. De nederigste mens ligt nog midden in de zonde en in dé dood. God had rechtvaardig allen daar kunnen laten liggen. Het heeft Hem echter alzo niet behaagd. Om zondaren zalig te kunnen maken heeft God Zijn Zoon gegeven. Deze is voor de zonde der uitverkorenen in de dood gegaan, zoals Hoofdstuk II uiteenzet. Ons hoofdstuk verhaalt van de verkondiging der blijde boodschap van Christus, doch niet aan allen, maar aan wie God wil. Welke zondaren worden er nu verlost? Die Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelsen. Wanneer iemand dit doet is dat uit kracht van de genadegave van het 'geloof. Dat geloof geeft God niet aan allen. Hij geeft het aan de zondaren, die Hij van eeuwigheid tot het geloof bestemd heeft. Deze maakt Hij eerst begerig naar Christus, door hen aan hun zonde en Godsgemis te ontdekken, en zo te doen zoeken naar genade. Nu moet men voor een juiste waardering van deze begiftiging met het ware geloof goed weten hoe het met de mens staat. Deze is niet op zoek naar God. Daar is niemand', die God zoekt, niet tot één toe. De zondaar kan niet tot God wederkeren, wil niet tot God wederkeren en wil zich niet terug laten brengen. De Almachtige werkt echter krachtdadig in Zijn uitverkorenen. Het s met de uitverkiezing dus zo, dat niemand er schade bij lijdt. Zij sluit niet een vergadering van mensen uit, die God zoeken. Zij gaat voorbij, die van harte begeren voorbij gegaan te worden. Zij gaat echter sommigen niet voorbij, die evenzeer van harte begeren dat God niet God en Koning zij in hun leven. Dit is het wonder. God heeft te maken met een wereld van mensen, die Hem niet willen. Het kruis is de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid.
Nu spreekt artikel 18 over mensen, die over deze genade der onverdiende verkiezing murmureren. Dat is werkelijk geen wonder. Hoe zou een mens ooit God God kunnen laten, tenzij hij wedergeboren is. Wij murmureren van nature allemaal. Toch bij tijden de uitverkorenen het minst. Zij zijn zichzelf helemaal niet altijd gelijk. Maar zij hebben tijden, dat zij hun onwil en vijandschap zo gevoelen, dat zij helemaal niet over God murmureren. Ja, zegt iemand, maar de uitverkorenen weten immers, dat zij uitverkoren zijn, geen wonder dat zij niet murmureren. Zo eenvoudig ligt het echter niet. Die uitverkoren zijn, krijgen een tijd in hun leven, dat zij zichzelf de verwerping ten volle waardig keuren. Dan hebben zij ook niet veel te murmureren. In het algemeen kunnen wij echter zeggen, dat wij van nature er allemaal vijanden van zijn, dat God over ons leven zo zou beslissen, dat Hij de ene mens iets geeft, dat Hij de andere onthoudt. Daarom stuit, vooral tegenwoordig, de verwerping op de grootste tegenstand. Men vindt het een ondraaglijke gedachte, dat God een zondaar bestemd zou hebben tot een blijven liggen in de elle.nde, die hij zich waardig heeft gemaakt. Vooral vindt men het ondraaglijke, dat de Here dit tevoren zo besloten zou hebben.
Toch geloof ik niet, dat hun verzet tegen een besluit Gods de zaak voor hen op kan lossen. De Schrift zegt, dat er velen langs de brede weg in het verderf komen. God alleen kan ons daarvan terughouden. Niemand immers kan tot Christus komen tenzij de Vader hem trekke. Laten wij nu eens zeggen, dat er geen verkiezing is. God wacht af, wie er komen. Maar niemand kan komen! Wie lost dit op? Uit zichzelf, d.w.z. zonder de krachtdadige roeping, zonder de bearbeiding door de H. Geest, komt er niet één. Aangenomen dat er geen besluit is. Kan men dan wel aanvaarden, dat God de mensen Zijn genade onthoudt en hen om laat komen, doch niet aanvaarden, dat de Here daarvoor Zijn wijze goede en rechtvaardige redenen heeft en daarom heeft besloten sommigen in het verderf te laten?
Ik ben vaak bang, dat de strijd om de uitverkiezing geen strijd om de uitverkiezing is, doch om de vrije wil.
De oude Pelagius heeft zoveel kwaad zaad in de akker gezaaid, dat er nog altijd zeer veel ontkiemt. Zouden niet de allermeeste predikanten in de Herv. Kerk, om van daarbuiten maar te zwijgen, ten minste halve Pelagianen zijn? Men schrijft zo dikwijls de beslissende daad aan de mens toe, Vergis ik mij? Zoveel te prettiger, 't Is maar een vraag. Zodra men echter de vrije wil loochent en bestrijdt, wat blijft er dan anders over dan te luisteren naar de openbaring der Schrift over de genade der onverdiende verkiezing. Dan is de keuze God's de enige mogelijkheid. Want laten wij niet vergeten, dat de gevallen mens ook onbekwaam is om goed tè kiezen en om dus God te kiezen. De keuze Gods is de enige mogelijkheid. Hij is de Eerste en de Laatste. Ik ben toch benieuwd wie dit kan handhaven, dat tenslotte de mens het is, die kiest. En als wij het er over eens zijn, dat de keuze Gods beslist, zou men dan de Schrift niet verder moeten volgen, die spreekt over een uitverkiezing van eeuwigheid of van voor de grondlegging der wereld. Dat is niet boventijdelijk doch voortijdelijk, gelijk ieder zien kan.
Wat valt er eigenlijk te murmureren over de verkiezing? Zij is het grootste wonder, dat er bestaat. Hoe is het mogelijk, dat God een zeer goddeloos, onwillig, vijandig mens kiest om Hem lief te hebben en zeker tot de zaligheid te brengen. Tegenwoordig wil men nog al eens verkondigen, dat de uitverkiezing alleen maar een verkiezing is tot kamerlid of tot lid van de gemeenteraad of tot president van Frankrijk of tot een ander ambt. Spreekt de Bijbel er zo over ?
Daar is b.v. de bekende tekst: , , Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren" uit Matth. 22 : 14. Daarbij tekent dr. H. N. Ridderbos aan: , , De roeping d.w.z. de nodiging tot de zaligheid van het Koninkrijk, gaat wel tot velen uit; doch in vergelijking tot die velen zijn het slechts weinigen, die in hun bekering en geloof blijk geven door God tot de beërving van de zaligheid bestemd te zijn. Het universeel karakter van de heilsbedeling heft dus het particulier karakter van de genade niet op. Tevens blijkt dat deze ene gast zonder bruiloftskleed een meerderheid representeert. Aan hem wordt slechts als voorbeeld gedem-onstreerd wat allen, die zich niet bekeren, in de openbaring van het Koninkrijk ite wachten staat".
Er wordt wel eens gezegd, dat de onderscheiding van inwendige en uitwendige roeping niet oer-reformatorisch is. Uit bovengenoemde tekst is duidelijk, dat zij nog veel meer is n.l. bijbels. Men vindt ze trouwens bij Calvijn niet minder. Maar dat zij bijbels is kan een vergelijking met het woordgebruik bij Paulus leren. Bij de laatste kan men roeping en verkiezing niet scheiden. In Matth. 22 : 14 worden er velen door de roeping bereikt, die toch niet tot de uitverkorenen behoren.
Artikel 18 doet geen andere poging om de murmureerders de mond te stoppen dan de Apostel Paulus in Rom. 9 ; '20. Daar is in het voorafgaande gezegd, dat God souverein over allen beschikt: , , Zo ontfermt Hij Zich dan diens Hij wil, en verhardt dien Hij wil".
Dit gaat over enkelingen, want de woorden staan in het enkelvoud. Nu kan iemand zeggen: Wat klaagt God dan nog over een zondaar? De Here heeft toch Zelf ondergang of behoud van de zondaar beslist. Op deze tegenwerping voert de Apostel geen argumenten aan. Hij ontzegt de mens wel het recht om zo te spreken. Hij zegt: o mens. Dat wijst op de kleinheid en geringheid van ons mensen. Dan volgt er in 't Grieks een woord dat betekent: luister nu eerst eens. Daarna komt: jij. Dat staat voorop. Jij klein en gering wezen, die maar een mens zijt, wie ben je? Hoe durf je Gods doen bediillen. Hoe durft ge een afkeurend woord tegen God spreken. Wanneer we voorts aan het onderscheid denken, dat door de uitverkiezing gemaakt wordt, past op bezwaren het Woord van Jezus: , , Is het Mij niet geoorloofd te doen met het Mijne, wat Ik wil? "
Dat Romeinen 11 : 33-36 over de uitverkiezing spreekt is wel duidelijk. Men hoeft de hoofdstukken 9-11 slechts met aandacht te lezen. Maar staat er niet in Rom. 11 : 32, dat oordeel en genade voor ieder is? , , Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn". Als men deze tekst wil toepassen op alle mensen, hoofd voor hoofd, zal men alle teksten moeten schrappen, waarin gesproken wordt van een verloren gaan. Dan kan men ook uit de 12 artikelen het artikel schrappen van de wederkomst ten oordeel. Want dan is er geen oordeel meer nodig. Alle mensen gaan immers de zaligheid in. Het gaat hier om joden en heidenen, die allen in de staat der zonde liggen, en daarover dat beide, joden en heidenen alleen door barmhartigheid zouden zalig worden. Dan is er ook geen verborgenheid meer in Gods oordelen. Het is reeds bekend, dat allen zalig worden. Dan spreekt Paulus van het ene hoofdstuk op het andere zichzelf tegen. Laten we daar aan vasthouden, dat Gods openbaring zin heeft. En dan ligt daar een gans verloren mensheid, uit wie God redt, dien Hij wil. Deze redding is van het begin tot het eind een daad van Hem alleen. De mens doet hierin niets dan tegenwerken van het begin tot het eind. En toch heeft God Zijn 7000 in alle geslachten, die hun knie niet voor Baal buigen, die zingen:
Door U, door U alleen,
om 't eeuwig welbehagen.
De Kerk Gods zal zich deze belijdenis nooit laten ontnemen.
L. V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's