DE CATECHISMUS VAN CALVIJN
XV
Zondag 11
In de Heidelberger ontmoeten we gedurig de vraag: Wat nut u dit of dat stuk van het heil? Dit heeft de Heidelberger dan blijkbaar van Calvijn geleerd, die dat b.v. in zondag 11 ook heeft: Kunnen we daar uit afleiden, welke vrucht het lijden van Christus voor ons heeft? De catechisant antwoord daarop: Zeker.' Ten eerste zien wij, dat het een offer is, waardoor Hij voor ons aan Gods oordeel voldaan heeft, Gods toorn tegen ons gestild heeft en ons met Hem heeft verzoend. Ten tweede, dat Zijn bloed de afwassing is, waardoor onze zielen zijn gereinigd van alle vlekken. Tenslotte, dat door deze dood onze zonden zijn uitgewist, zodat ze voor God geheel niet meer gedacht worden en zo de schuldbrief, die tegen ons was, is afgedaan. (Coloss. 2 : 14).
De Here Christus heeft dan wel met gejuich gemaaid, naar dat Hij met tranen gezaaid had. Calvijn heeft met opzet ons het lijden in zo diepe, donkere kleuren getekend, opdat de vrucht ervan zou oplichten en voor mensen in het donker tot bemoediging en zekerheid zou strekken. Dit ene offer heeft voldaan. Het hééft volmaakt en het volmaakt nóg allen, die daardoor gedekt tot God gaan.
Door dit offer is er geen verdoemenis meer voor ons, die in Christus Jezus zijn. Want wij zijn verzoend met God door de dood van Zijn Zoon; en wij kennen en smaken deze verzoening door het geloof. Daar hoeft niets van het onze bij en het heeft er ook geen plaats, want wat alle offers niet konden bereiken, n.I. de reiniging van ons geweten, dat heeft dit ene offer ons bereid, voor eens en voor altijd.
Wanneer wij hier en in het vervolg zo'n sterke zekerheid bij Calvijn horen klinken: een zekerheid in Christus en daarom een zekerheid in de Geest, dan ontgaat het ons niet, dat daarvan onder ons bitter weinig is overgebleven. Calvijn verwijt aan de Roomsen hun onzekerheid, hier altijd maar twijfelen, Waartegenover hij stelt deze onwankelbare zekerheid der genade, door Woord en Geest. De Roomse onzekerheid is er het gevolg van, dat ze hun zekerheid in eigen vlees willen zoeken en niet in de Geest van Christus. Dat doet ons de vraag toch wel stellen: zijn wij, die zeggen gereformeerd te zijn, maar zo vol onzekerheid, dan nog rooms of weer rooms?
Het vervolg van het antwoord is gelijkgestemd met dit begin. Een gereformeerd christen mag weten ook dit te bezitten in de Here Jezus Christus: dat Zijn bloed onze ziel heeft gereinigd van alle bezoedeling. Dit is geen zaak van vermoeden of gissen, maar van verzekerdheid. Ook dit derde, dat door de dood van Christus onze zonde voor Gods oog is uitgewist uit het strafregister, zodat er in eeuwigheid niet meer aan gedacht wordt.
We kunnen het wel verstaan, dat de Roomsen deze taal des geloofs vermetel hebben genoemd. Zo , , mondig" moet de christen volgens hen niet worden; hij moet liever in de onzekerheid blijven rondtobben, zodat hij aan de leiding van kerk en sacrament niet ontgroeit. Dat begeert Calvijn juist helemaal niet. De gereformeerde christen weet te roemen in de zekerheid van de verlossing, die in Christus Jezus is. Dat dankt hij niet aan de kerk en ook niet aan het sacrament, al heeft dat daarbij een verzekerende functie. Hij dankt het aan het roemen in eigen zwakheid, aan het roemen in de liefde van Christus; samengevat: aan het roemen in de Geest. Moet het ons niet verontrusten, dat wij gedurig Geest en onzekerheid (onverzekerdheid) samenvoegen, terwijl een man als Calvijn het tegendeel doet? Geeft ons dat geen reden tot de vraag: Zijn we al gereformeerd in deze en zijn we het nog?
Het zijn rijke vruchten, die Calvijn zag rijpen door de stralen van de zon der gerechtigheid. Maar er blijkt nog meer te zijn. Want de vraag klinkt: Hebben we er nog niet ander nut van? en geantwoord wordt: Ja, dat hebben we; n.I. dat wanneer wij echte leden van Christus zijn, onze oude mens is gekruisigd, ons vlees is gestorven, zodat de boze begeerten in ons niet meer regeren.
Dat hier onderstreept wordt, dat de vruchten van Christus' lijden en opstanding ons alleen kunnen toekomen, wanneer wij ware leden van Christus zijn, bedoelt stellig niet weer terug te nemen, wat zoeven met vrijmoedigheid en ruimte werd beleden. Het wil wel het radicale, het echte van deze zaak aanbinden. Deze heilsgoederen werden en worden ons eigendom in de gemeenschap des geloofs met Christus, door de Heilige Geest. Dat wil dus zeggen: toen en als we, door de schuld heen, tot Christus kwamen en weer komen. Zoeven wezen we op de , , roomse" dwaling van een levenslange onzekerheid, die (vergeefs) op een bijzondere openbaring wacht. Evenzeer moet worden afgewezen de „liberale" dwaling, die tot deze zekerheid des geloofs en des heils wil komen, niet door gebrokenheid heen, maar op een natuurlijke, beschouwelijke manier. Calvijn's tijd kende die beide gevaren, ze leven in onze tijd onveranderd voort. Zou het rooms ook kunnen zijn, dat veel van dat schijnbaar , , roomse" onder ons uiteindelijk , , liberale" wortels heeft? Heeft het Remonstrantisme niet naast een , , roomse" een , , liberale" kant en betekenen die beide en samen niet de dood in de pot?
Calvijn dringt ons en trekt ons tot Christus, om niets buiten Hem te zoeken. We zouden kunnen zeggen: Calvijn legt er de nadruk op, dat Christus' lijden en opstaan, de verzoening en de vrede met God bevindelijk moeten worden verstaan. Maar dan voelen we toch wel, dat dit allerminst betekent een toch weer naar de mens terugbuigen, als of die uit eigen zielekelders iets zou moeten opbrengen, maar alle bevinding begint en eindigt voor Calvijn met de persoon en het werk van Christus, zoals de Heilige Geest dat doet leren en spreken tot schuldige en van zonde overtuigde mensen. Laat ons wèl toezien, of ook in deze de vlag onze lading dekt!
De levende lidmaten van Christus (zelf dood, maar met en door Hem levend gemaakt en met Hem gezet in de Hemel) hebben ook deze vrucht van de opstanding van Christus, dat hun oude mens met Hem is gekruisigd, gestorven en begraven. Het vlees, dat is de oude zondige aard, is al mede afgestorven, met het gevolg, dat de boze begeerten in het christenleven niet meer regeren.
Wie enigermate met Kohlbrugge en zijn vrienden bekend is, zal weten, dat zij deze wijze van spreken van heler harte toejuichen. Begrijpelijk en terecht. Zij zijn zeer beducht dat het , , bevindelijke" zal te kort doen aan het objectieve, het in Christus muurvast liggende heil en zullen dus over de vrucht van de opstanding van Christus ook wel zo spreken. Maar ze tonen zich zeer teleurgesteld, als Calvijn op andere plaatsen zo stellig niet schijnt te spreken als hier. Elders zal Calvijn n.l. kunnen zeggen, dat de oude mens langzamerhand afsterft en dat onze nieuwe mens alleen in beginsel in ons woont. Is dat niet, zo vragen ze, een tegenspraak en een afdoen van de rijkdom en de vastheid van wiat de Here Christus verwierf: bij ons. Voor ons en zonder ons?
Op deze uiterst belangrijke vraag willen we antwoorden, dat voor ons besef de , , Kohlbruggiaanse" opvatting, zoals de Catechismus die voordraagt, ten diepste Calvijn's overtuiging weergeeft. Christus en Zijn Heilige Geest doen reeds hier, geen half werk, al blijft het, in zijn geheelheid, toch nog maar beginsel. Als de schuldrekening zo werkelijk is doorkruist, dan heeft de oude mens ook zonder twijfel de doodsteek ontvangen. Als Calvijn zo met heel zijn hart uit de rechtvaardiging van de goddeloze leeft, dan kan dat alleen betekenen, dat de oude mens daarin niet meer meespreekt. Het valt niet moeilijk, reeksen uitspraken van Calvijn aan te voeren, die op deze wijze spreken. Moeten we misschien zeggen, dat Calvijn dat verstaat als de hoogtepunten van het christenleven, als de , , tijden en ogenblikken", waarvan in de latere gereformeerde theologie nogal eens wordt gesproken? Dat lijkt ons inderdaad niet ver bezijden de waarheid. In alle geval loopt er naast deze , , idealistische" lijn een , , realistische", die ziet op de ervaring van de kwade dag, maar ook wel van alle dag. Dat kunnen we bepaald niet bevatten: zo volkomen en altijd leven uit de rechtvaardiging, uit het volle evangelie, uit de , , idealiteit" van het heil. Want deze gekruiste, gestorven oude mens is, raadsel der raadsels, toch nog niet dood en overrompelt zorgelozen en argelozen juist op de wijze, waarop de Perzen koning Belsazar van Babel overvielen, toen hij dacht, dat het enkel tijd voor feestvieren was.
De oude mens is gestorven door de dood en opstanding van Christus. Maar naar de dagelijkse practijk des geloofs moet hij, de doodsteek ontvangen hebbend, steeds weer sterven, afsterven, wat niet voltooid is, eer wij de , .kerker" van ons vlees verlaten. Dat is even weinig logisch als diep waar. Maar dat zelfde geldt immers van de vergeving en de bekering, die allebei op een laatste, diepste werkelijkheid zien? Toch ook daarvan belijden wij, dat, ook na ontvangen genade wij nodig hebben de dagelijkse bekering en dagelijikse vergeving!
We hebben geen tijd en plaats, om nog meer op deze zaak in te gaan. Voor ons gevoel legt de Kohlbruggiaanse leer van oude en nieuwe mens te zeer en alleen nadruk op wat we de , , idealiteit" van het heil noemden en te weinig op de realiteit van de dagelijkse levenservaring. Hier wreekt zich, dat de meeste vrienden van Kohlbrugge, anders dan hun meester, voor mystiek en bevinding in bijbelse en klassiek gereformeerde zin geen plaats hebben.
De opstanding komt nu ter sprake. Verklaar het volgende artikel. Antwoord: Dit houdt in, dat Hij op de derde dag is opgestaan. Daarin heeft Hij Zich de overwinnaar van dood en zonde getoond. Want door Zijn opstanding heeit Hij de dood verslonden, de boeien van de duivel verbroken en heel zijn macht vernietigd. (1 Petrus 3 : 18).
Men zal Calvijn wel niet kunnen verwijten, dat hij Pasen verwaarloost tegenover Kerstfeest. Naar onze smaak gaf hij beiden hun deel en kon dat te gereder doen, omdat hij immers het éne werk van Christus niet versplintert, maar in zijn eenheid laat gelden. Zo klinkt de apostolische Paasprediking in zijn Catechismus' door. Dood en zonde overwonnen, verslonden. De boeien van Satan gebroken en zijn macht opgeheven. Het leven en de onverderflijkheid aan het licht gebracht. En dan te koop aangeboden! Ja, te koop, voor wie geen geld heeft, zonder prijs en geld.
Onze zondag loopt uit op de vraag, die aan de eerste herinnert: Op hoeveel wijzen hebben wij profijt van deze opstanding? Het antwoord is: Het eerste is, dat daardoor de gerechtigheid ons ten volle is verworven. (Rom. 4 : 24). Het tweede is, dat ze ons een zeker pand is, dat wij eenmaal zullen opstaan in heerlijke onsterfelijkheid. (1 Cor. 15). Het derde is dat als we er werkelijk in delen, wij reeds nu opstaan tot een nieuw leven, om God te dienen en heilig naar Zijn wil te leven. (Rom. 6:4).
Dit antwoord heeft de Heidelberger met niet zoveel verandering overgenomen en we zullen er daardoor geen uitleg aan geven.
Wel wijzen we ten besluite op twee dingen. Eerst, dat hier weer door Calvijn op , , piëtistische" wijze gevraagd wordt: Deelt gij daar waarlijk in, zodat gij er de vrucht van kent? Niet los daarvan staat, dat ook in deze vraag gesproken wordt van de nieuwheid van leven, waartoe ons lijden en opstanding van Christus wil brengen. Theologisch gesproken: de rechtvaardiging, die hier royaal gepreekt wordt, breed en diep, wordt niet losgemaakt van de heiliging, omdat ze daarin haar vrucht heeft en haar kracht en waarheid doet blijken.
Die nadruk is, zoals, wel elk onzer weet, typisch gereformeerd en sterk aangevochten. Velen vrezen, dat zo de alleenheerschappij en de kracht der rechtvaardiging toch weer verijdeld wordt en we tenslotte bij Rome uitkomen. Denk aan E. Böhl's: Die Rechtfertigung durch den Glauben.
We zouden eigenlijk eerder verwacht hebben, dat Böhl ons bij de Methodisten zou hebben laten uitkomen. Daar knalt immers de zweep der heiligheid; daar wordt de mens vromelijk aan het werk gezet. Daarvan is bij Calvijn bepaald geen sprake; de heiliging overheerst niet, staat zelfs nog op eigen voeten, maar doet de rechtvaardiging te beter verstaan. Nog onlangs hebben we dat uiteengezet.
Waarom kon Calvijn het dus niet laten de heiliging steeds weer ter sprake te brengen? Betekent dat praktisch niet een ondragelijk blok aan het been van de gerechtvaardigde, die ervaren moet, hoezeer hij, hijzelf, zondaar blijft? We antwoorden, dat Calvijn stellig handelt, gedrongen door de Schrift. De onbezorgde, blijde vroomheid, zoals Luther die sterk kent, Kohlbrugge iets minder, omdat ze vooral uit de rechtvaardiging putten en daardoor de levenstoon laten bepaald zijn, heeft Calvijn wat getemperd. Blijikbaar dreef hem daartoe zekere bittere ervaringen. Calvijn taxeert de bekeerde, de christenmens niet hoog. In de genade, de vergeving heeft hij wijde uitzichten, vooral van de eindtijd, de beloofde volkomenheid uit. Maar - in zichzelf kan deze mens niet roemen. Als hij roemen kan, kan hij het in de Here alleen.
Daartoe dringt Calvijn in deze onze zondag. Hij vreest kennelijk een opstandingsenthousiasme, dat meer van nieuwe vrijheid, dan van blijvende gebondenheid weet. Opdat de , , bevrijden des Heren", uit het diensthuis uitgeleid, zullen weten, wat de vrijheid van de kinderen Gods betekent. Het houdt in: een Gode leven, in eerbied en godvrucht. Het betekent: een echte navolging van Christus, om Hem gelijk te worden, in dood èn opstanding, dus in heel het leven. Al kan dit alles er op lijken, dat het de mens op de voorgrond brengt, in werkelijkheid in de grond ervan zuiver theologisch: Gode de eer. Calvijn tekende het beeld van de opgestane, verhoogde Christus tegen de achtergrond van Zijn vernedering. Maar Calvijn tekent ook: de opgestane, verhoogde christen tegen de achtergrond van zijn vernedering. Zalig, wie daaraan niet geërgerd, maar daardoor gesticht wordt!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's