De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„MOEILIJKE BESLISSING VOOR DE SYNODE”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„MOEILIJKE BESLISSING VOOR DE SYNODE”

9 minuten leestijd

Zo schrijft „Hervormd Nederland" van 14 juni 1958 pag. 2 boven een artikel: De vrouw in het ambt. , Het blad voegt er aan toe: Voor de laatste ronde. Dit met het oog op de a.s. vergadering der Synode.

Hoewel volgens de schrijver niet is te verwachten, , , dat een voortzetting van de discussie, over, de vrouw of over het ambt, de uiteenlopende opvattingen dichter bij elkaar zal brengen", heeft hij toch aanleiding gevonden voor de laatste ronde nog eens te schrijven. Met de aangehaalde zinsnede zijn wij het intussen wel eens.. Voortzetting van discussie zal de tegengestelde standpunten niet bij elkander brengen. Wij zouden dan ook niet meer op deze zaak ingaan, ware het niet, dat , , Hervormd Nederland" haar in verschillend opzicht onjuist stelt.

Let wel, wij denken er niet aan de scribent te beschuldigen van opzettelijkheid in deze, maar onjuist is onjuist.

Over het verschil in opvatting zegt hij het volgende:

, , 'n Verschil in bijbelopvatting is de eigenlijke grond van de meningsverschillen. Men kan niet zeggen, dat de éne groep de bijbel niet aanvaardt als bron der prediking en enige regel des geloofs en de andere wèl. Hoogstens ligt er voor het besef van de ene groepering een nauwer verband tussen het Woord Gods in de H. Schrift en de woorden, de letter van de H. Schrift als zodanig, dan voor de andere".

Waar is, dat verschil van waardering der Heilige Schrift aan de tegengestelde standpunten ten aanzien van de vraag, of de vrouw naar Schriftuurlijke orde mag worden toegelaten tot de ambten of niet, ten grondslag ligt. De wijze echter, waarop de schrijver dat verschil relativeert, is niet in overeenstemming met het fundamenteel onderscheid in waardering. Zeker, er zijn er nog wel, die met de ethische school van weleer spreken van Gods Woord in de Schrift en afwijzend staan tegenover de gereformeerde belijdenis, die de Heilige Schrift als Gods Woord aanvaardt. Velen, die nog aan de genoemde school verwant zijn, zullen zelfs onder de tegenstanders van de Synode-voorstellen worden gevonden.

Het kan de schrijver in , , Hervormd Nederland" toch niet onbekend zijn, dat een meer absolute tegenstelling met de gereformeerde belijdenis op het stuk der Heilige Schrift het denken van velen beheerst, die een kloof stellen tussen het eigenlijke openbaringgebeuren en het menselijk getuigenis daarvan, dat wij in de Schrift zouden hebben.

De Schrift als zodanig zou dus geen goddelijk gezag kxmnen hebben en haar canoniek karakter inboeten. Ziet, bij zulk een beschouwing is de uitdrukking , , regel des geloofs" zozeer verzwakt, dat zij eigenlijk geen zin meer heeft.

Reeds uit de volgende redenering kan dit blijken:

„De vrouw in het ambt: een geloofszaak"

, , De ene groepering is geneigd, met Luther, te onderscheiden tussen de kern en wat daarom heen ligt, de openbaring Gods in Jezus Christus  en het stro van de kribbe waarin Hij gelegd is. De andere is, terecht, bevreesd voor menselijke willekeur, al geeft men toe, dat de uit de Schrift geputte, belijdenis ten deze toch wel voor al te grote afdwalingen kan behoeden. Maar, hoe dit ook zij, voor velen van de voorstanders van de voorstellen is het een geloofszaak, dat de vrouw de ambten in de kerk niet langer mogen worden onthouden, omdat er in Christus man noch vrouw is en zij beiden, naar de gaven, die hun zijn geschonken, gelijkelijk hun Heer behoren te mogen dienen".

Of is het niet een merkwaardig staal­tje van willekeur het woord van Gala­ten 3 : 28, tegen de duidelijke strekking daarvan in, tot grondslag van een geloof te maken, dat de vrouw in het ambt wil zetten, terwijl het zwijggebod, om maar één ding te noemen, in 1 Cor. 14 : : 34, 35, dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, wordt genegeerd? Toch gevoelt „Hervormd Nederland" iets van het stringente van het reformatorisch Schriftgeioof:

Maar evenzeer is het voor velen van de tegenstanders een geloofs- en dus ook een gewetenszaak, dat de vrouw niet tot de ambten mag woden toegelaten, omdat het Woord , , God's, de H. Schrift, zulks zou verbieden. Hun be'zwaren, zegt men wel  moeten zwaarder wegen dan de bezwaren van hen, voor wie het een geloofszaak is, dat de vrouw tot de ambten moet worden toegelaten. Deze laatsten zouden immers hoogstens kunnen zeggen, dat de bijbel dit niet verbiedt, niet dat de bijbel dit gebiedt. Hoewel tegen deze redenering wel het een en ander zou zijn in te ,brengen, zullen we moeten erkennen,  dat het voor de voorstanders van de toelating van de vrouw in de ambten wel geen vraag zal uit hun hart te bannen. We zouden ,het ons echter kunnen voorstellen als er tegenstanders van de voorstellen zouden blijken te zijn, voor wie het een gewetensvraag is of zij een kerk die, voor hun bewustzijn handelt in strijd met het Woo'rd Gods, trouw kunnen blijven".

Of dan de voorstanders van de vrouw in het ambt maar moeten afzien van het streven om haar toe te laten, is een vraag, welke door de hoogste vergadering der kerk zal moeten worden beantwoord in het licht van de eis tot gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en zij zal voor God, de Koning der Kerk, niet kunnen veranitwoorden, dat zij de duidelijke uitspraken van Zijn Woord negeert oim een eigenwillige orde aan de kerk op te leggen.

Deze stand van zaken kan niet worden op zij gezet door de voorstelling, alsof het niet ging om een zaak van belijden, zoals , , Hervormd Nederland" wil doen voorko'men :

, , Het komt ons voor, dat een uitweg uit dit dilemma alleen te vinden is, als men wederzijds zou kunnen toegeven, dat het in deze zaak niet primair om een zaak van het belijden „der kerk gaat, in die zin, dat de fundamenten der kerk in het geding zijn. Wij willen niet beweren, dat de orde , der kerk met het belijden der kerk niets heeft uit te staan. Toch menen ,wij, dat het in deze meer een zaak van orde, dan om een zaak van belijden gaat. Het is voor- noch tegenstanders o.i. gelukt duidelijk te maken waaruit zou moeten blijken, dat de kern van de zaak waar het in het christelijk geloof om gaat, in het geding is. Van weerszijden heeft men ,teksten aangevoerd, maar van geen „van béide zijden heeft men het, naast deze teksten, kunnen stellen zonder „argumenten ontleend aan de traditie , , of aan de huidige situatie van de , , kerk in de wereld".

Wat deze laatste zinsnede aangaat, moet worden toegegeven, dat de voorstanders met argumenten aan de huidige situatie in de wereld onitleenid, aan de zwakheid van hun betoog in liet licht der Schrift, proberen tegemoet te komen."

Het orthodoxe Schriftgeioof heeft echter geen behoefte aan argumenten buiten de in dit opzicht duidelijke taal der Heilige Schrift, welke gehoorzame onderwerping eist.

De schrijver van „Hervormd Nederland" is van oordepl, dat de fundamenten der kerk niet in het geding zijn. Maar acht hij dan de belijdenis van het goddelijk gezag der Heilige Schrift (art. 3-7 N.G.B.) niet van fundamenteel belang, terwijl het waarachtig Christelijk geloof daarmede staat of valt? Waar blijft de kracht van de enige regel des geloofs, als men die belijdenis inruilt voor beschouwingen, welke geen ander gezag kunnen hebben dan menselijke gevoelens en redeneringen?

Wie het Schriftgeloof der belijdenis loslaat, is reeds afgedreven en wordt bedreigd door het gevaar steeds verder verwijderd te raken van de fundamentele stukken des geloofs.

Daarvan getuigt ook hetgeen , , Hervormd Nederland" verder wil opmerken:

De geest gaat voort.

, , Ons inziens terecht, omdat wij mogen vertrouwen op een voortgaande leiding van de H. Geest in het leven van de gemeente van Christus, die  het daar mogelijk maakt de voortzetting van het werk van Jezus Christus in de gang van de geschiedenis, te dienen. Wel menen wij te mogen stellen, dat de gelijkstelling van man en vrouw, wat betreft de amlstsbediening, méér ligt in de lijn van de traditie van de reformatie hier té lande, dan de argumentatie tegenstanders daarvan, die in dit gesprek meer denken uit de z.g.n. catholieke- lijn, waarbij de gedachte , , van het priesterschap en daarmede , , van de , , symbolische representatie" „van Christus als de „bruidegom" , , tegenover de gemeente als de „„bruid", een belangrijke plaats in- , , neemt. Maar hoe dit ook zij, als het in wezen gaat om welke traditie-lijn ,gevolgd of doorgetrokken moet worden, is de beslissing waarvoor de Hervormde Kerk thans is gesteld, evenzeer een geloofsbeslissing. Maar dan toch een geloöfsbeslissing, die de gemeenschap der kerk evenmin behoeft te verstoren als dit in Paulus' dagen het geval was t.a.v. de vraag of het een gelovige al dan niet geoorloofd is vlees te eten, dat van afgodenoffers afkomstig is".

Wat de laatste zinsnede betreft, het Is op zich zelf tekenend, dat de schrijver het al of niet geoorloofd zijn van het offervlees te eten op èèn lijn schijnt te stellen met de vraag, of het geoorloofd is de vrouw tot de ambten toe te laten. Hij beschouwt dit laatste klaarblijkelijk als een middelmatige zaak en ternauwernood of zelfs niet meer geloofszaak.

Daarop willen wij echter niet ingaan. Ook niet op de , , symbolische representatie", waaraan de Heilige Schrift echter meer aandacht schenkt dan de schrijver zich bewust schijnt te zijn. Doch wij mogen niet nalaten een opmerking te maken naar aanleiding van hetgeen hij in het begin van deze alinea zegt. Immers hij zegt, dat de Geest voortgaat en dat hij vertrouwt op de voortgaande leiding van de Heilige Geest in het leven van de gemeente van Christus. Wij geloven dat ook. Het is echter niet zo, dat de Heilige Geest, met eerbied gesproken, een eigen huishouding heeft. Ten nauwste zijn Woord en Geest verbonden in het werk Gods, en zeer kennelijk in het leven van Christus' Kerk. Vandaar dat Hij ook genoemd wordt de Geest van Christus (Gal. 4:6). En daarom zal het werk des Geestes in de kerk voorspoediglijk voortgaan, als zij zich houdt aan het Woord en gehoorzaamheid betracht aan de Heilig'e Schrift, gelijk geschreven is: , , Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zuilen tot hem komen en zullen woning bij hem maken. (Joh. 14 : 23). 

Doch, als de kerk dat niet doet en geen acht geeft op het Woord, kan zij geen heil verwachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„MOEILIJKE BESLISSING VOOR DE SYNODE”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's