De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ANANIAS EN SAFFIRA

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ANANIAS EN SAFFIRA

7 minuten leestijd

Handelingen 5 : 1-11.

Deze welbekende geschiedenis uit de gemeente van de Pinksterdag kunnen we binnen de ruimte van een „overdenking" bezwaarlijk woord voor woord nagaan. Laten we beginnen met de vraag voorop te stellen, waarom toch dit echtpaar zich bij de jonge gemeente mocht hebben aangesloten.

Onwillekeurig denken wij dan aan hetgeen de schrijver van de Hebreeënbrief zegt van die mensen, die , , de hemelse gave gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en die gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw", dat die toch kunnen afvallen. Eigenlijk staat er: , , er naast vallen", dat betekent dus „het Koninkrijk Gods noch ingaan, noch zien", alhoewel ze misschien veel hebben meegemaakt, — diepe ontroeringen —, en de waarheid Gods op hun denken en gevoel beslag heeft gelegd.

Ananias en Saffira waren ongetwijfeld met hun licht ontvankelijk gemoed onder de indruk gekomen van het woord der apostelen. Het sloeg bij hen in, haakte aan, waarbij wij de suggererende invloed van het massa-verschijnsel ener geestelijke opwekking, zoals dat toch bijzonder op en na de grote Pinksterdag het geval was, niet mogen voorbijzien.

Het meelopen, als gevolg van allerlei motieven, is ook aan onze kringen niet vreemd. In de edelste vorm openbaart het zich als vrucht van bepaalde opgewekte gevoelens, die zelfs tot bidden leidien. Maar ondanks dat, kan men nog volkomen onbekend blijven met zichzelf, met allerlei zondige en eigenlievende karaktertrekken, waar men niet de minste hinder van krijgt.

Ziet, dat de complete mens onder het gezag Gods moet komen, dat wil er bij velen niet in. Wel voor een uurtje het oor, het gevoel, maar niét die drift, die of die hartstocht, die of die begeerte, die heerszucht, die neiging.

Zo kunnen we vromelijk zeggen te menen, dat de Here ons wel eens is tegengekomen op onze levensweg, maar onze handen kunnen onderwijl graaien naar 't overgankelijk goed, onze mond vol zijn van venijn, of ons hart vol van de grootheid des levens, of ons denken bezoedeld door allerlei onreinheid, hebzucht, afgunst of hooggevoelendheld. En dat komt, van onze kant gezien, omdat de Heilige Geest niet dagelijks is ingeroepen om ontdekking en onderwijzing, om kracht en hulp. Dan dringt zo heel langzaam, maar ook zo heel zeker, dlie andere geest — de boze — het hart verder binnen. Dan wijkt, wat vroeger tot vreugde was, dan laat de Heilige Geest de mens aan zichzelf over, waarbij die andere geest vrij spel krijgt. Dan vindt men dit langzamerhand niet erg meer en dat niet erg. Petrus zegt weldra tot Ananias: , , Waarom heeft de satan uw hart vervuld? " Dat wijst op een proces; dat is niet ineens gegaan.

Helaas, staat in dat teken tegenwoordig niet het leven van velen, van wie we het vroeger niet zouden denken? Ze vinden die niet meer zo erg en dat niet meer. We moeten — zo zeggen zij — wat toegefelijk staan tegenover deze tijd, bovendien, de menselijke natuur is nu eenmaal zwak. Misschien vinden ze, wat Ananias en Saffira deden, dan ook helemaal niet zo van betekenis. Wat deze mensen deden, was toch op zichzelf nog niet zo mis. Vrijwillig een stuk land verkopen — wie doet ze het na? — en dan ligt daar voor hen de verkregen som gelds, bestemd voor de algemene kas der apostelen. Een flinke som. Daar spreekt een stem van binnen, zou het niet met wat minder kunnen, 't Is nog altijd veel. Hoevelen zullen het ons nog nadoen? En wat zou die en die doen? Zo gaat het immers nog altijd. Eèn extra gift van ƒ 10, — in de collecte, is al de moeite waard op de volgende zondag vanaf de kansel afgekondigd te worden!

Het einde was, dat er bij Ananias en Saffira een heel deel in de kast gelegd werd, waar het bleef. Dat was toch niet erg, dat gebeurt zo vaak. Inderdaad, alhoewel ze nu niet bepaald bewezen in de liefde volmaakt te zijn. Maar wat wel heel erg was; is dit, dat ze toch nog. graag voor blijmoedige gevers wilden doorgaan en dat anderen niet onkundig bleven, ten aanzien van wat zij alzo deden.

Het geval van Ananias en Saffira is één van die vele gevallen, waarin men meer wil schijnen, dan men is, de Christen uithangen, terwijl men zijn schat en zijn hart op een heel andere plaats heeft. Misschien, komt men wel op voor heilige beginselen, terwijl men ondertussen zichzelf op het oog heeft. Kortom, men is onoprecht voor Gods aangezicht en beeft niet voor het heilige, voelt niet, wat Abraham zeide: , , Stof en as te zijn voor de heilige God". Men speelt christentje, maar heeft zich zelf lief met breldéloze liefde.

In de harten van dit op zich zelf zo schijnbaar keurige echtpaar van Hand. 5, leefde niets van die heilige vrees voor Hem, Die de apostel noemt, een verterend vuur, een eeuwige gloed, niets geen besef van de alwetendheid Gods, noch van de verhevenheid en majesteit van de Here Jeziis Christus, in Wie zij voorwendden te geloven, maar Die voor hen niets meer was dan een begrip, en niet die geweldige werkelijkheid, zoals Saulus van Tarsen het weldra zou ondervinden, toen hij als vervolger op weg was naar, Damascus en vanuit de hemel — na door hemels liohtgloed te zijn neergeworpen — het horen moest uit de mond van de verheerlijkte Christus: , , Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? "

Hoevelen leven en doen — zij het weer in andere vorm — op dezelfde wijze als Ananias en Saffira, die beide mensen, die het zo goed met elkaar eens waren! Zij hadden immers met elkander overeengestemd, dat niemand behoefde te weten, wat zij deden. Onder elkaar schaamden zij zich helemaal niet voor de zonde. En toch waren het een paar keurige leden van de gemeente.

Een deel voor Hem, de rest voor onszelf; de dienst des Heren een zondagse liefhebberij, voorts als het nodig is opkomen voor de beginselen, maar onderwijl volkomen ter zijde leggen het Goddelijk vermaan: „Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet, welke o.a. zijn venijngeving, vijandschappen, toorn, gekijf, nijd", ziet, dat alles is — hoewel het zich herhaalt van dag tot dag — zo erg, dat God dit duidelijk toont, zoals Hij het vaker heeft gedaan bij een mijlpaal in de heilsopenbaring. De vrome huichelarij wordt door een Godsgericht, als een rotte plek, uitgesneden. Wij weten, hoe het met Ananias en Saffira is afgelopen. Zij hadden geen mensen, maar God bedrogen. Het brenge ons tot nadenken, tot een bedachtzaam nagaan van onze handel, wandel, gedachten, woorden. Ons , , ik", dat we zo graag hoog opstuwen, hoe zeer de taal der lippen het anders laat horen, moet in de dood. Daar is een Godsdaad voor nodig. Daar is de Heilige Geest voor nodig. Die ons nooit doet luisteren voor anderen, maar voor onszelf. Die op ons toepast de gelijkenis van splinter en balk. Die ons het liefst zou willen doen wegschuilen op een plekje achteraan in de kerk en ons doen verzuchten:

, , Gij prediker daar in de lucht! hebt gij geen woordje ook voor mij? " Mijne lezers, smeekt gij wel voor u zelf en voor allen, dat de Geest van Ezechiël 37 blaze, de Geest der ontdekking en uitdrijiving, de Geest der reinigmaking en heiligmaking door het bloed van Christus, de Geest der gerechtigheid en zelfverloochening, die Geest, Die hier een zondaar, neen, niet volmacht doet zijn, zolang hij nog op aarde is, maar tot een mens, waarin twee werelden worstelen, die der zonde en die der liefde tot Christus, hetgeen hem ernstig doet bidden: , , dewijl wij van ons'zelf zo zwak zijn, dat wij niet één ogenblik zouden kunnen bestaan en daartoe onze doodsvijanden, de duivel, de wereld, en ons eigen vlees niet ophouden ons aan te vechten, zo wil ons toch staande houden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat wij in deze geestelijke strijd niet onderliggen, maar altijd sterke wederstand doen, totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden".

Geen pardon met de zonde, welke ook.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ANANIAS EN SAFFIRA

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's