DE CATECHISMUS VAN CALVIJN
XVI
Zondag 12 en 13.
In de vorige zondag was het laatst besproken het „nedergedaald ter helle". De catecheet vervolgt nu: Laten we verder gaan. De leerling antwoordt, dat in de belijdenis nu volgt: Hij is opgevaren ten Hemel. Dit wekt meteen vragen. De ingewijde weet, dat juist in de verklaring van dit stuk der belijdenis de Luthersen en de Gereformeerden uit elkaar gingen. Volgens de Luthersen werd n.l. het lichaam van Christus bij de Hemelvaart alom-tegenwoordig. Daartegenover hielden de Gereformeerden aan de volle, echte mens-wording van Christus vast en leerden, dat na de Hemelvaart het lichaam van Christus alleen in de Hemel is, dus op één enkele plaats, zoals bij echt-menselijke, dat kent, maar dat, door de werking van de Heilige Geest deze verhoogde Christus toch werkzaam blijft, overal, zoals Hij beloofde. In de opvatting van het Avondmaal komt dat bijzonder uit. Daarvan stelt Calvijn, dat daarbij de Heilige Geest ons voedt en sterkt, door de substantie, de diepste kern van Christus' vlees en bloed, dat in de Hemel blijft, op een geestelijke wijze mee te delen.
We horen het de leerling wel aan, dat z'n dominee hem iets van deze dingen op de catechisatie verteld heeft. Want als die vraagt, of de Here Jezus nu zó opgevaren is, dat Hij nu niet meer op de aarde is, antwoordt hij, dat de Here Jezus deze aarde nu definitief verlaten heeft. Hij zegt: Ja. Want omdat Hij gedaan heeft alles, wat de Vader Hem opgelegd had, en hetgeen tot ons heil nodig was, kon het ook niet langer nodig zijn, dat Hij op aarde bleef verkeren.
Wat we zoëven weergaven als de Gereformeerde beschouwing, komt hier duidelijk aan het woord. Merkwaardig intussen, dat Calvijn de dogmatische kwestie niet méér belangrijk vindt dan de practische, want hij stelt nu eerst die laatstgenoemde aan de orde. Wat vrucht hebben wij uit die Hemelvaart? Antwoord: Een dubbele. Want daar Jezus Christus in onze naam de Hemel is binnengegaan, zoals Hij ook tot ons was neergedaald, heeft Hij er ons toegang verschaft en heeft Hij ons verzekerd, dat de deur, die gesloten was wegens onze zonde, (Rom. 8 : 34), nu voor ons open staat. Ten tweede verschijnt Hij voor het aangezicht van Zijn Vader, om onze Middelaar en Pleitbezorger te zijn (Hebr. 7 : 25).
Dit antwoord wijkt heel weinig af van dat de Heidelberger geeft en vraagt dus weinig toelichting. De korte inhoud is, dat de Here Jezus niet maar een weg en deur gewezen heeft, maar heeft waar gemaakt, dat Hij de Weg en de Deur is en daarmee tevens de Waarheid en het Leven. In Hem is de gesloten Hemeldeur weer opengegaan. En niet alleen dat de Here Jezus Christus niet maar objectief dat heil tot stand heeft gebracht, maar dat Hij ook op zeer persoonlijke wijze bij de Vader intreedt, opdat ook laatste verhinderingen, „om met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon der genade" zullen worden weggenomen.
Na deze practische vraag komt die dogmatische k'westie toch weer ter sprake. De vraag wordt gesteld, of Jezus Christus door ten Hemel te varen, zich zo uit de wereld heeft teruggetrokken, dat Hij niet meer bij ons is? De leerling antwoordt: Neen, want Hij heeft het tegendeel gezegd, n.l. dat Hij bij ons zal blijven tot het einde (Matt. 28 : 20).
Daar wordt dus ingeluid, wat we al even aanduidden, dat de Here Jezus naar Zijn mensheid wél heenging, maar niet , , naar Zijn Godheid, Genade en Geest" (Heid. Cat.). Daarheen gaat de volgende vraag uit: Blijft Hij met ons naar lichamelijke aanwezigheid? Een Lutheraan zal daarop: Ja, antwoorden, krachtens dat alomtegenwoordige lichaam van Christus, dat Calvijn een spooksel, iets onwerkelijks noemde. Calvijn wil die kant daarom niet uit, wat de Lutheranen een stuk ongeloof en ontkenning van Gods wondermacht noemden, maar wat hij, afkerig van een vermenging van het goddelijke en het menselijke, volstrekt niet bijbels kon achten. Daarom antwoordt hij in zijn Catechisimus: Neen, want er moet onderscheiden worden tussen Zijn lichaam, dat in de Hemel is opgenomen (Luc. 24 : 51) en Zijn kracht, die overal werkt (Hand. 2 : 33). Dat met die kracht de Heilige, Geest is bedoeld, valt niet zo moeilijk te vatten. Sinds de Hemelvaart verkeren we in de kring, in het krachtenveld van Pinksteren. De Heilige Geest, die het uit Christus' offer neemt, en die naar Zijn aard alomtegenwoordig is, maakt de verbinding tussen Christus en Zijn Kerk, zodat naar waarheid kan gezegd worden, dat wij Christus niet meer kennen naar het vlees, maar in de Geest.
Daarmee acht Calvijn deze zaak voldoende belicht. Hij vervolgt daarom zijn loop, liever bevestigend, dan bestrijdend, en vraagt: Hoe vat je op dat Hij is gaan zitten aan de rechterhand van God Zijn Vader? Daarop klinkt het antwoord: Dit: dat Hij de heerschappij over hemel en aarde heeft verkregen, om alles te leiden en te regeren (Matt. 28 : 18). Dit is zo sterk overeenkomstig de Heidelberger, dat we daaraan geen commentaar toevoegen. Nog wordt gevraagd: Wat betekent de rechterhand en dat zitten, waarvan daar gesproken wordt? Antwoord: Dit is een beeld, ontleend aan de aardse vorsten, die aan hun rechterhand laten plaatsnemen hun stadhouders, die in hun naam regeren. De rechterhand is immers van ouds de hand van macht en eer. Wij laten rechts van ons lopen hen die wij respecteren en willen eren. Dit oude, algemeen-menselijke beeld past de schrift op de Here Jezus toe. Hij ontving de plaats van macht en eer. Het beeld van de , , stadhouder" heeft zijn bezwaren, maar we moeten bedenken, dat Calvijn nog altijd aan de menselijke natuur van Christus in de Hemel denkt en daarom Vader en Zoon wel als gelijken kent, maar nochthans daarin onderscheiden.
Onze zondag sluit met de vraag: Je verstaat dat dus niet anders dan Paulus deed, n.l. dat Hij tot Hoofd der Kerk is gesteld (Efez. 1 : 11) en verheven boven alle machten, en dat Hij een naam heeft ontvangen, die uitgaat boven elke naam? (Philp. 2 : 9).
Dit was in het voorafgaande al wel zeer klaat aangeduid. De Tweede Adam wordt het Hoofd van die nieuwe mensheid, die Zijn Kerk is. Geen Adam, geen engel had daartoe kunnen komen: een last, een eer boven alle andere. Daarom nu een eretitel, die alle andere beneden zich laat. De leerling had dus wel reden het te beamen: Zo is het.
De betekenis van de Hemelvaart is zo in het licht gesteld. Op het ten Hemel varen en plaats nemen aan Gods rechterhand volgt imiers: vanwaar Hij wederkomt, om te oordelen levenden en doden. De voorganger vraagt dan ook: Ga eens verder! En hij krijgt te horen: Vanwaar Hij wederkomen zal om te oordelen levenden en doden. Wat zeggen wil, dat eens van de Hemel zal verschijnen om te richten, op gelijke wijze als men Hem heeft zien heenvaren. (Hand. 1 : 11).
Daarmee komen de laatste dingen aan de orde, laatste naar tijdstip zo goed als naar betekenis. Het laat zich verstaan, dat daarmee vragen aan de orde komen, zwaar om te verstaan. Daartoe rekenen we nog niet zo zeer, wat we zoëven in de eerste vraag van onze zondag vonden, waaraan we dan ook geen bijzondere uitleg hoeven toe te voegen. Wél is dat het geval met wat daarbij aansluit; Waar het oordeel plaats heeft aan het eind der tijden, hoe kun je dan zeggen, dat sommigen dan zullen leven en anderen dan zullen gestorven zijn, waar het toch aan alle mensen is gezet te sterven? (Hebr. 9 : 27). De wederkomst van de Here Christus, die hét grote keerpunt en eindpunt der wereldgeschiedenis zal zijn, zal door een deel der mensen worden beleefd, door de meesten echter niet. Dat doet vanzelf vragen: Wie zullen die levenden zijn? Daarop laat Calvijn antwoorden: Paulus antwoord op deze vraag, zeggend, dat zij, die dan in leven zijn, plotseling zullen veranderd worden, waardoor hun bederf wordt afgedaan en hun lichaam wordt vernieuwd, zodat het onverderflijk wordt. (1 Cor. 15 : 52; 1 Thess. 4 : 17).
We moeten hierbij aantekenen, dat Paulus hierbij alleen de gelovigen op het oog heeft en er niet van spreekt, wat er dan nauwkeurig met de ongelovigen zal geschieden, van wie het hier dan echter niet onzeker is, dat ze in Gods oordeel komen. Men heeft wel gemeend uit deze wijze van spreken van Paulus hier — die Calvijn navolgt — te mogen concluderen, dat hier de deur zou kunnen opengaan voor de z.g. conditionele onsterflijkheid. Daarmee is dit bedoeld, dat alleen op conditie van het geloof wij de onsterflijkheid (liever: opstanding) verkrijgen, zodat de ongelovigen in één ogenblik vernietigd worden. Deze opvatting gaat ermee gepaard, dat men de z.g. , , eeuwige straffen" loochent, zoals we dat bij de Jehova-getuigen onzer dagen ook weer ontmoeten.
We moeten echter antwoorden, dat, al spreekt Paulus in 1 Cor. 15 niet van het lot der ongelovigen, dat allerminst betekent, dat hij over hun eeuwig lot zo negatieve gedachten zou hebben, als we zoeven weergaven. We laten dat thans rusten en herhalen, dat Calvijn een gelijke weg als Paulus gaat, zonder daarmee uiteraard te kunnen bedoelen, dat al degenen, die de eindtijd beleven, de onsterflijkheid zullen beërven. Hij doelt op de gelovigen, als hij het Schriftwoord aanhaalt dat van hun verandering „in een punt des tijds' spreekt. Het betekent, dat de zonde daar geen plaats meer heeft en een onverderfelijk bestaan wordt verkregen.
Op die intense verandering doelt Calvijn nu verder, als hij vraagt: Je vat het dus zo op, dat deze verandering voor hen zoveel als een sterven betekent, omdat ze de eerste (oude) natuur zal te niet doen, om hen te doen opstaan in een andere levenswijze? Daarop wordt geantwoord: Ja.
Het valt ons echter niet helemaal makkelijk, dit ja volmondig te beamen. We vinden dit niet de gelukkigste oplossing van deze moeilijkheid. Wanneer deze verandering een ingang ten leven betekent, op de wijze waarnaar Paulus al zo uitzag, toen hij in 2 Cor. 5 sprak over zijn verlangen, om in plaats van , , ontkleed" te worden overkleed, en hij dus kennelijk deze verandering en het sterven onderscheidt, had Calvijn o.i. alle reden gehad, hem hierin te volgen. We begrijpen heel goed, waaróm hij toch zo sprak. Hij dacht er natuurlijk aan, dat deze verandering iets ouds besluit en iets nieuws opent, juist zoals het sterven en daar dus aan doet denken. Als beeld kan het dus desnoods gebruikt worden, maar o.i. konden we beter zeggen, dat al onze woorden en beelden tegenover dit herscheppende ingrijpen Gods 'machteloos staan. Het ligt heel niet op onze weg, Calvijn een lesje te geven, het omgekeerde ligt meer voor de hand, maar het verwondert ons, dat de grote schriftuitlegger, die Calvijn was, hier niet van het ,Overklèed worden" van 2 Cor. 5 heeft gesproken. De Catechismus is 'n jeugdwerk; ons dunkt, dat de oude Calvijn dit toch wel anders .zou hebben kunnen schrijven, al liet hij het staan.
Na de uitleg weer de toepassing: Verkrijgen wij enige troost uit het feit, dat Jezus Christus de wereld eens komt oordelen? Daarop klinkt ten antwoord: Ja, een uitzonderlijke, want nu zijn we zeker, dat Hij alleen tot ons heil zal verschijnen.
Zeker dit antwoord is geschikt, om te doen verstaan, hoezeer de gemeenschap met Christus voior Calvijn centraal is en een bron van licht en troost blijkt. We duidden zoeven al aan, dat er geen sprake kan zijn van 'n soort alverzoening in de eindtijd; dat de gedachte aan het oordeel integendeel bij Calvijn zware nadruk heeft. Maar haast triomfantelijk kan Calvijn daar tegen stellen, dat die in de Zoon gelooft, niet in het oordeel komt, maar van de dood in het leven is overgegaan. En het laat geen twijfel over, of de nadruk op het oordeel (, , de schrik des Heren") niet bedoelen kan, de mensen angst aan te jagen en schijnbekeringen te kweken, maar integendeel wil bewegen tot het geloof in Hem, die het oordeel gedragen heeft, zodat er in Hem geen verdoemenis meer is. Dat bedoelt Calvijn, als hij enkel van hen, die in zichzelf niets en in Christus alles hebben gevonden zegt, dat voor hen de Here Jezus Christus alleen maar tot heil kan verschijnen, omdat Hij immers vervullen zal, wat belofte bleef en volkomen zal maken, wat ten dele was.
Zo loopt het dan uit op de laatste vraag: Hoeven we het laatste oordeel dus niet te vrezen, moeten we er niet voor huiveren? Het antwoord dat komt, was te verwachten: Nee, want we zullen voor geen andere rechter moeten verschijnen, dan voor Hem, die onze voorspreker is en die onze zaak ter hand heelt genomen om haar te verdedigen. We horen hier een geluid, zeer verwant aan onze Heidelberger en zijn dus , , thuis". Dat doet ons echter meteen vragen: Zijn we hier, bij de Here Christus, thuis? Calvijn mag graag hiertegenover stellen de heilsonzekerheid en de angst voor het gericht van de Roomsen, Dat komt ervan, als men de mens zo inschakelt in het heilswerk, dat, tenminste ten dele, van hem laat afhangen en daarmee alles onzeker maakt. Voor Rooms besef klonk de protestantse vrijmoedigheid des geloofs, ook tegenover de oordeelsdag frivool en brutaal. Maar dat is ze niet, integendeel, Omdat ze geleerd heeft, niet het oordeel licht te achten, maar er juist onder moest en moet bezwijken, zodat het tot Christus dreef en Zijn gemeenschap deed vinden. Wie deze Voorspreker bij de Vader heeft — de armen van geest hébben Hem — weten dat deze Losser niet zal rusten, eer Hij onze hopeloze en verloren zaak tot het gelukkigste einde zal hebben gebracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's