De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CHRISTUS DE ZIN DER GESCHIEDENIS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CHRISTUS DE ZIN DER GESCHIEDENIS

7 minuten leestijd

Bij de uitgever G. F. Callenbach, N.V., Nijkerk verscheen een belangrijk werk van dr. H. Berkhof onder de titel: Christus, de zin der geschiedenis.

De gemeente van de 20ste eeuw, zegt schr., is geestelijk niet opgewassen tegen de bliksemsnelle veranderingen, die zich rondom haar voltrekken; zij heeft niet geleerd om de geschiedenis vanuit de heerschappij van Christus te zien. In hoeverre het juist is deze zware aanklacht tegen de gemeente des Heren in zulk een algemene vorm te poneren, laten wij daar; wij moeten wel eens hard roepen om allerlei andere geluiden te overstemmen. Zoveel is zeker, dat bezinning over de geschiedenis en haar doel meer dan ooit nodig is.

Schr. meent, dat deze zin der geschiedenis daar te vinden is, vanwaar Europa hem eens heeft ontvangen; uit Godsopenbaring in Israël en in Jezus Christus. Vaak, zegt dr. Berkhof moest ik daarbij mijn eigen weg zoeken, zonder steun van de traditie. Dat komt, zegt sdhr., omdat dogmatiek zich stelselmatig buiten de probleemstelling der apocalyptische bijbelboeken en bijbelgedeelten heeft gehouden.

Van de dogmatiek zoude ik dit niet zeggen, maar het is wel waar, dat vele dogmatici er precies over dachten als Troeltzsch, die verklaarde, dat het eschatologische bureau gesloten was en daarom was men niet geïnteresseerd voor de vele stukken in de Heilige Schrift, die over de toekomst handelen. En het zijn dikwijls deze gedeelten, die theologisch veel onontgonnen gebied zijn en waarop de secten ijverig roofbouw hebben gepleegd.

Na in het kort te hebben gehandeld over Griekse en Israëlitische en Christelijke geschiedbeschouwing, volgt een hoofdstuk over het geschiedenisbewustzijn in het Oude Testament. Schr. trekt hier slechts enkele lijnen. Uitgaande van de redding uit Egypte, komt hij eerst later tot de scheppingsgedachte en de idee van de volkomen triomf Gods. Ik denk aan wat Eichrodt zegt van de eschatologische scheppergod als volelnder van de eerste schepping. Ik mis de grootse conceptie van Gen. 1, al ontbreekt deze gedachte niet: „Elke historische overwinning van Jahve op de tegenmachten is enerzijds een bevestiging van Zijn scheppingsdaad, anderzijds een onderpand van Zijn komende definitieve zege" (pag. 39). •

Schr. heeft volkomen gelijk, als hij zegt, dat men zeer critisch moet staan tegenover de gangbare tegenstelling tussen profetie en apocalyptiek; de verschillen zijn niet meer dan opvallende accentsverschillen.

Ook in de volgende hoofdstukken vinden wij een'eigen opzet met verrassende opmerkingen. Schr. spreekt over het probleem van de saecularisatie en zegt o.a.: zij kan haar theocratische oorsprong niet verloochenen.

Uitvoerig gaat schr. in op de vragen aangaande de Antichrist en afval, die door schr, genoemd wordt de centrale gestalte, waarin het lijden van Christus zich momenteel onder ons voltrekt. Hier komen wij aan voor mij zeer belangrijke gedeelten van dit deze studie. Schr. is 't in principe eens met Calvijn e.a., die menen, dat de macht, die de antichrist (nog) weerhoudt de prediking van het Evangelie is.

En Israël? Hier poneert dr. Berkhof de toch wel gedurfde stelling: , , Aan de overwinning van het grote skandalon in de geschiedenis, Israels ongehoorzaamheid, de grote abnormaliteit in de geschiedenis, zal de kracht der opstanding openbaar worden, of ze wordt ten diepste niet openbaar. Hier staan de trouw en de overmacht van God op het spel.

, In de profetieën spreekt het geloof, dat Israels schuld weer groot zal blijken en gestraft zal worden, maar dat Gods trouw nog groter zal blijken en niet rusten zal, voordat. Israël zal bloeien als het geheiligde middelpunt van een gelukkige wereld".

Hier moeten wij meer dan eens een vraagteken zetten. Het gaat om de beloften van het verbond Gods. Hoe ver reikt dit verbond; wie deelt erin en welke is de betekenis van de natuurlijke gaven in dat verbond? Nu ligt in de beloften Gods een eschatologisch moment. Maar geldt dit niet van de dreiging Gods en het oordeel? Ik ga voorbij aan Lev. 26 : 14 e.v., en wil vooral wijzen op het benauwende van Deut. 28, waarin telkens weerkeert het woord: verdelging (vs. 20, 24, 45 enz.): alzo zal de Here Zich over u verblijden om u te verdoen en te verdelgen (vs. 63.). En zoals belofte en geloof correlatief verbonden zijn, zo zijn ook ongeloof en oordeel verbonden; zoals de belofte niet los te maken is van het geloof, evenmin is ongeloof en gericht te scheiden. Daarom kunnen de beloften aan Abraham gegeven en aan zijn zaad, niet zonder meer verbonden worden aan wie naar de wet, van nature kinderen van Abraham zijn. Ook in het Oude Testament gaat het niet om het behoren tot Abraham als natuurlijke vader, maar om geloofsverbondenheid met hem als vader der gelovigen. Want indien degenen, die uit de wet zijn erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden en de belofte teniet gedaan. De trouw Gods is geen automatisme !

In dit verband bestrijdt schr. de professoren Aalders en Ridderbos; hij ziet bij hen een ontlediging van de laatste en diepste verwachtingen van de profeten ten aanzien van het volk Israël. Nu bedoel ik niet op te komen voor deze professoren, zij hebben hun leeftijd en meer dan dat, maar ik wil er wel op wijzen, dat 't niet alleen enige gereformeerde theologen zijn, die er zo over denken, maar ook Eichrodt deelt beslist de opvatting van dr. Berkhof niet, om van Bultmann maar te zwijgen en van menige andere theoloog.

Rom. 11 stelt ons voor grote moeilijkheden, dat is wel zeker. En alzo (dit is dus niet: daarna) zal geheel Israël zalig worden. Maar ook voor schr. blijven er vragen. In Rom. 11 : 32 staat: God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zoude barmhartig zijn. Nu zegt schr.: , , En dan betekent de wederaanneming, als is het alleen van de laatste generatie, de wederaanneming van Israël in al zijn generaties, het zekere teken dat zij als vijanden naar het Evangelie, toch tegelijk geliefden waren om der vaderen wil. En hoe ook de numerieke verhoudingen in die laatste generatie zullen zijn, — dat wist Paulus niet en dat weten wij ook niet, maar samen met hem mogen we geloven, dat het zo zal zijn, dat men niet zal zeggen: nu wordt een groot aantal joden bekeerd, maar: nu wordt heel Israël behouden, Israël als geheel". Dit is echter niet consequent. Ik kan mij maar moeilijk neerleggen bij een rechtlijnige uitleg van de beloften van het Oude Testament. In Zach. 17 lezen wij, dat de Here Jeruzalem nog zal verkiezen, wil dat dan zeggen, dat ook in de toekomst nog de oude stad een bijzondere rol zal spelen? Of heeft de Here deze stad uitverkoren tot een bepaald doel en is deze rol nu uitgespeeld? Ik ben er zo zeker niet van, dat het terugbrengen van Israël een goddelijke vanzelfsprekendheid was voor Israëls profetie. Schr. citeert in dit verband Amos 9 : 15 over de wederoprichting van de vervallen hut van David. Maar in Hand. 15 zien wij, dat deze profetie direct samenhangt met de toebrenging der heidenen. Schr. wijst op de feilbaarheid van het duiden der geschiedenis. Inderdaad; wat heeft men gemakkelijk over.de leidingen Gods gesproken en geschreven; hoe heeft men gemeend de Here te kunnen narekenen. Ik dacht ook aan wat schr. zegt over Israël: Het laatste van de profetische prediking is de zekerheid, dat hoe groot de omwegen ook zijn, volk en land zullen worden herenigd en Israël zal in Kanaan zijn bestemming bereiken.

Ook over het duizendjarig rijk geeft schr. zijn opvatting. Hij wijst er terecht op, dat de leer aangaande het duizend jarige rijk bij sommigen een centrale plaats inneemt, terwijl het die in de Heilige Schrift beslist niet heeft. Dat neemt niet weg, dat wij hier te doen hebiben met een schriftgegeven, dat al te dikwijls verwaarloosd is. Schr. ziet in het duizendjarig rijk een kosmisch-pneumatische analogie van de veertig dagen tussen opstanding en hemelvaart: de opstanding zal zich over de volle breedte van het kosimische front openbaren, zover dit in deze bedeling mogelijk is, centraal in het herstel van Israël, maar ook in vele tekenen daaromheen.

Ik vond dit boek te belangrijk om het met een korte bespreking af te doen; vandaar dit bredere overzicht, dat onze lezer een indruk moge geven van het geheel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

CHRISTUS DE ZIN DER GESCHIEDENIS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's