De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN XVII

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN XVII

13 minuten leestijd

Zondag 14. 

In de voorgaande zondagen is het tweede deel van de apostolisdhe belijdenis, aangaande de Here Jezus Christus, besproken. Dus kan de catecheet opwekken: Laten we overgaan tot het derde deel. De leerling antwoordt, dat de belijdenis dienaangaande inhoudt: Dat is hét geloof in de Heilige Geest.

Als we opmerken, dat Calvijn enkel zondag 14 wijdt aan dit onderwerp, kunnen we ons wel even verwonderen. Hij heeft n.l. een zeer grote belangstelling juist voor het werk van de Heilige Geest en misschien wordt de eigen plaats, die hij binnen de Reformatie inneemt, wel het beste daardoor gekenschetst. We zouden dan echter verwachten, dat hij nu de gelegenheid zou aangrijpen, om hoog, breed en diep over de Heilige Geest te spreken, zoals hij dat deed, vooral waar het om de kennis van de Here Jezus Christus ging.

Maar zoals gezegd: dat doet hij hier niet. Hij beperkt zich tot het meest centrale. Hij toont zich ook hier die begaafde schriftuitlegger, die niet probeert, zoveel mogelijk in een tekst in te leggen, om het er dan weer uit te halen, maar hij volgt z'n tekst en geeft alleen, wat er werkelijk in ligt en wat ter zake doet.

Daarbij zal hij bedacht hebben, dat in een Catechismus voor kinderen, aan het werk van de Heilige Geest hier de plaats kan worden gegeven, die dit stuk zou mogen hebben in een leerboek over de geloofsleer voor volwassenen. Hoewel immers de kennis van de Heilige Geest behoort tot het abc des geloofs, waarvan dus ook kinderen niet onwetend behoeven te zijn, behoort deze intiemere kennis van zonde en genade ook tot het xijz des geloofs, waartoe levenservaring onmisbaar is.

Calvijn spreekt gedurig over de groei van het geloof; in de wijze van behandelen van het stuk van de Heilige Geest in de Catechismus geeft hij daarvan een navolgenswaardig voorbeeld.

Waartoe dient het nu: dat geloof in de Heilige Geest? Het antwoord luidt: Het dient daartoe, dat we er kennis van ontvangen, dat zoals God ons heeft losgekocht en gered in Jezus Christus, Hij ons ook door Zijn Heilige Geest deelgenoten maakt van die verlossing en dit heil.

Met het werk van de Heilige Geest betreden we dus het gebied van de toepassing des heils, of, wilt u: van de bevinding des heils. We merken op, dat Calvijn de Here Jezus Christus en Zijn Heilige Geest vooral niet kan scheiden, maar toch wel degelijk een onderscheid aanwijst. We dachten toch wel te mogen zeggen, dat hij in geen geval van mening is, dat er zo iets als een dogmatische, historische kennis van de Here Christus zou bestaan, van ondiepe, beschouwelijke aard, die dan, als , , een dode letter" door de Heilige Geest zou moeten worden levend gemaakt, om tot een geestelijk kennen te worden. Hoewel in dè gereformeerde gezindte zodanige constructies, die van vreemde, doperse huize zijn, opgeld doen, wijst Calvijn die bepaald af als van onwerkelijke, kille aard. Christus werkelijk kennen, houdt in het kennen van Zijn genade. Christus wordt door ons dus alleen werkelijk gekend door geloof, {zondaars geloof). Dat moet betekenen, dat dus dit kennen nooit buiten ons werkelijke zélf en zo buiten de Heilige Geest kan omgaan. Met een modewoord, dat van wat vreemde afkomst is en nogal versleten, zouden we mogen zeggen: De kennis van Christus kan alleen een existentieel kennen zijn, een ontmoeting van God-zelf (in Christus) met ons-zelf. Dat heeft de Kerk stellig bedoeld met het kennen van Christus in de Geest. En dat moet ook de werkelijke zin der bevinding zijn: niet allerlei gemoedelijke indrukken, allerlei kleinere belevenissen, op de weg des heils opgedaan, maar het grote gebeuren, dat God Zich in Christus ten leven bekend wilde en wil maken aan , , kinderen des doods". We hebben de overtuiging, dat sinds Calvijn de bevinding wel veel breder is gemaakt, d.w.z. dat er veel beschouwelijk, gemoedelijk over gepraat wordt, maar dat de diepte en het intuïtief-onmiddelijke erin in ernstige mate is verloren gegaan.

Welnu: volgens Calvijn bestaat het werk van de Heilige Geest in het voor ons present en actueel maken van het werk 'van Christus. Wat ver buiten ons stond, wordt zo tot en in ons gebracht; het heil, dat bestaat in de lóskoping uit Satan's macht en dat, in de roeping en aanbieding, een algemene kant hield, wordt ons persoonlijk eigendom, doordat wij het moesten aangrijpen, gedrongen door de vloek der wet en het mochten aangrijpen, gedragen door de belofte van het Evangelie door de , , Geest der vrijimoedigheid".

Hoewel Calvijn in het algemeen niet graag innerlijke processen openlegt, maar plaats laat voor het mysterie, voor het verborgen werk van de Heilige Geest, kan hij hier toch de vraag niet weer'houden: Hoe gebeurt dat? En het antwoord luidt: Zoals het bloed van Jezus Christus onze afwassing is, zo moet de Heilige Geest er onze gewetens mee besproeien, opdat ze gereinigd zullen zijn. (1 Petrus 1 : 19, 1 Joh. 1 : 7).

We merken hier weer op die onderscheiding van het werk van Christus en van de Heilige Geest, die vooral geen scheiding betekent. Het werk van Christus, zoals het doelt op onze rechtvaardiging, als goddelozen, is van geestelijke aard. Maar het heeft een „voorwerpelijke" kant in zoverre het buiten ons geschiedt en ons bekend wordt uit het Evangelie, Dat , , voorwerpelijke" laat Calvijn staan; het is van geestelijke aard, maar moet niet vergeestelijkt worden. Want dan zouden de harde feiten van onze zonde, vloek en schuld vervluchtigd worden. Er wordt vrede gemaakt, met ons, over ons en zonder ons. Maar opdat deze dingen, die buiten ons geschiedden, innerlijk ons eigendom zullen worden, is het werk van de Heilige Geest nodig. Calvijn vergelijkt Hem hier a.h.w. met een landman, die het levendmakend water sproeit op planten, die zonder dit zouden ondergaan. Dat levendmakend water is het werk, het bloed van Christus. Zolang wij niet wis­ten noch erkenden, hoe nodig het was, ook voor óns, was het verre van ons en buiten ons. Toen Woord en Geest ons dat te verstaan gaven, ons tot zondaar maakten en zo vaak ze het opnieuw in ons doen spreken en leven, toen en zo vaak heeft de Heilige Geest ons verlicht, om de Here Jezus Christus te kennen en te omhelzen als onze Zaligmaker. In de beelden van onze Catechismus: toen en zo vaak heeft de Heilige Geest Christus aan ons bekend gemaakt, onze gewetens besproeid met Zijn bloed en ons zo de reiniging en verzoening van onze zonden in Hem doen vinden. Zo zijn we levend en ziende geworden en tot het geloof in Christus gekomen. Het heeft stellig betekenis, dat Calvijn hier van onze gewetens spreekt en niet van ons verstand of ons hart. Het geweten is immers de aanklager binnen ons. Het geweten heeft zeer bepaald met Gods Wet te maken; ons beschuldigd en zichzelf beschuldigend geweten leert Christus kennen als de wegnemer van de vloek der Wet en der zonde. Doordat zonde en genade ons een zaak des gewetens werden, werden ze ons een zaak des harten en des levens, We zien daaruit weer, hoezeer Woord en Geest Wet en Evangelie, Recht en Liefde een eenparige gang maken.

Dit beeld van de Heilige Geest als de , , tuinman", die onze stervende levenshof leven toevoert, het nemend uit Christus' bloed, houdt, als elk beeld, z'n beperkingen. Elke werkelijkheid is nóg weer anders dan het meest sprekende beeld. Maar de eenheid van het werk Gods in zijn drievoudige ontplooiïng komt er toch kostelijk in tot uiting: aan Vader, Zoon en Geest wordt gelijkelijk het werk als van de landman toegekend. Maar met deze fijne levende onderscheiding, dat de Heilige Geest, door toepassing van het offer van Christus, ons terugbrengt tot de Vader. Als ze alle drie hierin samenwerken, dan zien we hier ook weer, hoe ze op elkaar aanwerken: de Vader tot de Zoon trekkend, de Zoon in de Heilige Geest tot Zijn doel en kracht komend. Zo wordt het verloren Paradijs herkregen.

Wij zouden met het gezegde wel heel goed tevreden kunnen zijn. Maar ds. Calvijn is dat nog niet. Hij is dankbaar voor het antwoord van zijn catechisant, maar nog niet voldaan. Hij spreekt immers uit: je moet daar een nog zekerder verklaring van geven. En ook die weet de leerling dan wel te geven, als hij het al gezegde nog wat detailleert met de woorden: Te geloven in de Heilige Geest wil zeggen, dat de Heilige Geest, wonend in onze harten, ons de kracht van onze Here Jezus doet gevoelen. (Rom. 5 : 5). Want Hij verlicht ons, om ons de gaven van Zijn genade te doen erkennen; Hij verzegelt ze en drukt ze (als zegel) in onze harten en geeft ze een plaats binnen ons. (Efeze 1 : 13), Hij doet ons wedergeboren worden, maakt ons tot nieuwe schepselen (Titus 3 : 5), zo dat we door Zijn bemiddeling al de goederen en de gaven ontvangen (aannemen), die ons worden aangeboden in Jezus Christus.

We zullen wel erkennen, dat Calvijn,  in de Schriften zo zeer ervaren, hier op gelukkige wijze samenvat, wat de Schrift over de Heilige Geest doet weten. Daar is allereerst Zijn inwoning in onze harten, die de inwoning van Christus, door het geloof, effectief maakt. We herinneren ons, hoezeer op dit punt het conflict tussen Calvijn en zijn humanistische tegenstander Castellio een merkwaardige uitdrukking vond. Castellio gaf in zijn bijibelvertaling in Rom. 5 : 5 deze inwoning van de Heilige Geest met een woord weer, dat een heel vluchtig bezoek, een nu en dan eens even aankomen, uitdrukt. Dat wilde Calvijn ten sterkste bestrijden. Inderdaad is voor ons besef de inwoning, de gemeenschap van de Heilige Geest niet ononderbroken, omdat wij Hem veelvuldig bedroeven. Maar van God uit, van de Heilige Geest uit, wilde Calvijn dit hebben vaststaan, dat de Heilige Geest, eenmaal woning in ons makend, daarin trouw houdt en volhardt. Hij zou zich dan ook geen werkelijk geloofsieven en geen volharding der heiligen kunnen denken dan juist door de blijvende gemeenschap van de Heilige Geest, die ver uitgaat boven wat wij er ons van bewust kunnen zijn. Hij woont blijvend in de harten van allen, die geloven. Hij doet daar gevoelen de kracht van de genade van onze Here Jezus Christus. Als u vraagt: hoe, denk er dan aan, hoe Petrus sinds Goede Vrijdag voor wanhoop is bewaard en hoe Paulus de kracht vond om een ondragelijk moeilijk leven tot het eind te torsen, in de blijde wetenschap, dat de kracht van Christus, door de Heilige Geest, in zijn zwakheid toch volbracht werd.

De Heilige Geest de Inwoner. In een volgend beeld kent Calvijn Hem de verlichting toe: Hij doet het volle licht vallen op de rijkdom van de genade van Christus. Zo worden kleinmoedigen versterkt, om volstandig te hopen op deze, ook en juist hen toegebrachte genade van Christus. Hij verlicht ons tot zelfkennis en zo tot het kennen van een genadig God en Vader in het aangezicht van onze Here Jezus Christus.

En als hart en hand zo onweerstaanbaar uitgaan naar deze Heiland en dit heil, zodat ze elkaar vinden: de arme zondaar en de rijke Christus, dan gaan die twee niet meer uit elkaar. Dat leerde wel Castellio en al de bewierokers van de vrije wil. Maar de liefhebbers van de souvereine genade hébben andere ervaringen opgedaan met hun slaafse wil. Als zij nochtans weten van een in Christus ingeplant zijn, wortelen en groeien, dan zeggen ze niet: Dat deed nu mijn vrije wil (mogelijk „met hulp der genade"), maar daar belijden ze van: Dat komt, omdat de Heilige Geest het beeld van mijzelf en veelmeer het beeld van de Here Christus in mijn geweten heeft ingedrukt, zoals een stempel in de weke was wordt afgedrukt en daardoor er in blijft. Daaruit vloeit de volharding der heiligen voort en anders was die er zeker niet. Zo wordt het heil des Heren in Christus in ons hart vast en zeker. Het heeft zo de kracht van een gezegelde kwitantie, die de betaling en de vrijspraak zeker maakt. Zo komt er de band der bestendigheid aan de Here Christus, waardoor Hij woning, ruimte, zelfs toenemend ruimte bij ons verkrijgt. Want hier kan de zelfverlochening geen lege klank blijven; hier wordt het waar gemaakt: Hij groeiend, wij minder wordend. Daar zegt Paulus dan van: zo komt de Here Jezus Christus door het geloof in onze harten blijvend wonen: daar wordt het geloof bezegeld, ook in een wederkerige dankbaarheid. Want wie zo in Christus' leven mag, die is in Hem een nieuw schepsel. Die is overgegaan van dood tot l^ven, die is wedergeboren tot nieuwe levende hoop. Die levende hoop is Christus; de Heilige Geest is het, die ze aan elkaar vei'bindt: hopeloze mensen en deze levende Hoop,

Als we Calvijn zo horen spreken vande bemiddeling van de H. Geest, dus van een zeker Middelaarschap, ook door Hem bekleed, dan doet dat spraakgebruik schijnbaar tekort aan het Middelaarschap van de Here Jezus Christus. Maar hier kan immers geen concurrentie bestaan; hier dient en verheerlijkt de een de ander. Er is dus ook geen reden, om te gaan zeggen: dus voor Calvijn's besef is de Here Jezus Christus nog zo hoog en onbereikbaar, dat de Heilige Geest bemiddelen moet tussen Hem en ons. Dat is inmers helemaal niet waar. Hoe warm getuigt Calvijn van de toegankelijkheid, de zondaarsliefde van het Vleesgeworden Woord, die zélf Middelaar is en zeker niet weer middelaars nodig heeft, zoals Maria en heiligen, noch anderen. Het kan ook veeleer doen verstaan, hoe ook de Heilige Geest niet moet worden gedacht als schrikwekkend en ontoegankelijk, zodat er weer een instantie moet worden te hulp geroepen, om tot Hem te komen. Won­derlijk: zo is de Roomse practijk. Is onder ons niet heel veel, dat daar verdacht en benauwend veel op lijkt? Is de Heilige Geest dan niet de Geest der genade, der gebeden en der vrijmoedigheid ? Er is onder ons wel gesproken over , de dienstknechtsgestalte" van de Heilige Geest, waarmee het Woord van God wordt bedoeld. Toegepast, op Barthiaanse wijze, op de Schrift, om die daardoor, bedoeld of onhedoeld, omlaag te drukken, kan dit beeld ons helemaal niet bekoren. Waarom niet liever op de dieper- en verdergaande „dienstknechtsgestalte" van de Heilige Geest gewezen, in de zin, waarin Calvijn daarvan hier spreekt? Wanneer dat o.i. in de bovenaangeduide kring ontbreekt, dan toch ook wel degelijk onder ons. Vindt u het niet verontrustend, dat wij zo weinig in echte, levende gemeenzaamheid van de Heilige Geest weten te spreken en Hem daarom zozeer kunnen verzwijgen ofwel alleen negatief weten te waarderen? Dat heeft de Heilige Geest, als Hij zich tot het nederig werk van een middelaar geeft, zeker niet verdiend. Calvij'n heeft Hem veel voller en warmer weten te eren en te danken. En geen wonder. Want is er een zaak denkbaar, die zo tot een de Here God danken en eren uitlokt, dan het op zo genadige en neerbuigende wijze in ons bezit brengen, van wat ons in Christus Jezus was aangeboden?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN XVII

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's