De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN XVIII

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN XVIII

14 minuten leestijd

XVIII

Zondag 15.

De Apostolische Belijdenis omvat 4 delen: over Vader, Zoon, Heilige Geest en Kerk. Drie ervan heeft Calvijn besproken, het laatst dat aangaande de Heilige Geest. Nu komt het vierde en laatste aan de orde. Op de vraag: Wat volgt nu? klinkt het antwoord: Het vierde deel, waar uitgesproken wordt, dat wij de Katholieke (algemene) kerk geloven. Om mogelijk opkornend onweer te voorkomen, hebben we achter het woord Katholiek, dat wij nogal vrezen, maar waarvoor Calvijn heel niet bang is, reeds de vertaling gegeven: algemeen, wereldwijd. Er is dus heel geen reden, dit woord als , , rooms" te vrezen en te vermijden, want, goed verstaan, is het juist het tegendeel van rooms. Een Katholieke kerk is een kerk niet van één land of één volk, maar die in heel de wereld uitgroeide. Een kerk, die de Zending van harte beoefent, kan nooit bezwaar hebben tegen die aanduiding Katholiek. Dat deze uitdrukking intussen een zekere gevoelswaarde heeft gekregen, maakt de zaak niet eenvoudiger. Maar het staat toch niet anders met het woord Gereformeerd.

De kerken van Afscheiding en Doleantie hehben op een wat exclusieve manier dit woord voor zich gereserveerd. Daar hadden ze schoon gelijk aan, want sinds 1816 (en eerder) bestond er in de nog altijd dusgenaamde Gereformeerde Kerk een sterke afkeer tegen dit woord en vooral tegen de zaak, zodat men het woord Hervormd, al betekent dat zakelijk het zelfde, ging gebruiken. Intussen hebben de Confessionelen en de vrienden van de Geref. Bond, ook een deel der Ethischen, en niet te vergeten de Remonstranten ontkend, dat Kuyper c.s. hierin een monopolie zouden hebben.

Om de zaak nog weer eens wat ingewikkelder te maken moet toch nog weer opgemerkt worden, dat de aanduiding „gereformeerd" toch nog wel weer een algemener betekenis heeft, gebruikt door b.v. een Remonstrant, die immers de kenmerkend , , gereformeerde" belijdenis van de verkiezende God ontkent dan wanneer een afgescheidene daarvan spreekt.

Er is hierin veel van een spraakverwarring. Dat geldt ook van het woord katholiek, dat de Roomsen wel graag voor zich zouden opeisen. Echter niet alleen de Grieks Katholieken betwisten hen dat, maar de Protestanten al evenzeer. We moeten in deze bepaald voet bij stuk houden en een R. K., die zich aan ons voorstelt als „katholiek" er bescheidenlijk op wijzen, dat , , Rooms Katholiek" al eerlijker en „Rooms" helemaal juist zou zijn, om op deze wijze ons niet in een sectarisch hoekje te laten zetten, maar onze geestverwantschap te erkennen met allen, van wat kleur of ras, die met ons de Here Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid.

Dus Calvijn houdt dit woord stellig iets polemisch tegen Rome's hoge eisen vast, Hij vraagt z'n leerling Verder: Wat is de katholieke (algemene) kerk? Z'n leerling antwoordt: Dat is de gemeenschap der gelovigen, die God bestemd heeft tot het eeuwige leven.

We merken op, dat Calvijn hier allereerst spreekt over de , , onzichtbare" Kerk. We vinden datzelfde in de eerste uitgave van zijn Institutie en maken daar weer eens uit op, dat de Catechismus een jeugdwerk van Calvijn is. In de latere uitgaven van de Institutie heeft immers de , , zichtbare" kerk al meer de aandacht. Die latere ontwikkeling van Calvijn is in de Catechismus, die hij later niet opnieuw bewerkte, niet opgenomen; wie de Geneefse Catechismus, opslaat inzake de kerk, moet er mee rekenen, niet de hele Calvijn in deze te horen. Wel heeft Calvijn in deel 4 van de Catechismus over Woord en Sacrament het meest vitale , van de kerk besproken, maar deel 4 van de Institutie van 1559 omvat toch nog wat meer. Daarheen zij de belangstellenden dan verwezen.

Onze zondag spreekt dus van de , , onzichtbare" Kerk. Even komt de gedachte bij ons op, of Calvijn soms kan bedoeld hebben, dat alleen die zijde der kerk katholiek kan heten, zo, dat aan de zichtbare kerk die aanduiding moet worden onthouden? De verleiding daartoe heeft Calvijn zeker gekend. Wij kennen ze even goed en mogelijk nog meer over de kerk in het algemeen, vooral naar haar onzichtbaarheid en geestelijkheid, als kerk der verkiezing spreken wij vaak veel makkelijker en geestdriftiger dan van deze concrete kerk. Ons bespringt steeds weer de verleiding om onder de raadsels en de kruisen, die een zichtbare kerk ons stelt, weg te vluchten naar de onzichtbare. Het grandioze, zo niet heroïeke in Calvijn is, dat hij die verleiding weerstond en juist de omgekeerde wëg ging èn er ten bloede voor streed, dat juist de concrete zichtbare kerk zo veel mogelijk de kenmerken van de onzichtbare zou vertonen. Voor de kinderen der Reformatie ten onzent is er, juist in juni 1958, alle reden, zich dat voor gezegd te houden en dat na te volgen, De verzoeking, deze onze zichtbare Hervormde kerk, die, in een zucht om progressief te zijn o.i. alleen maar achterop komt, te verlaten of te verachten, althans haar te bagatelliseren, wordt groot.

Zo ook de lust om ons te troosten over de heiligleid en de vlekkeloosheid der onzichtbare kerk, en daar dan maar weer tevreden mee te zijn. Calvijn heeft in z'n levensstrijd tot uitdrukking gebracht, dat dit doen onbijhels, onchristelijk, dus ook ongereformeerd moet heten. Hij koos de weg van de strijd boven die van de rust. Hij had er geen „succes" in, maar heeft er wel de voldoening in gesmaakt, trouw te zijn bevonden.

De Nadere Reformatie heeft ook hierin haar meester (haar Meester!) uitstekend verstaan, al gaf het hier en daar kortsluiting (de Labadie). In de trieste strijd tussen , , hervormd" en gereformeerd heeft de genoemde stroming, waarvan wij de erfgenaam heten, zich in geen geval buiten die kerk laten dringen, maar er zich verbeten in gehandhaafd. Hadden de Cock en Kuyper de Nadere Reformatie beter gekend en gevolgd, de gereformeerde gezindte zou er heden ten dage wel heel anders kunnen uitzien. Dat lere ons, Hervormd-Cereformeerden, met de gedachte van een separatie, van een uittreden zelfs niet te spelen, want de strenge ernst van de verhouding van onzichtbare en zichtbare kerk, zoals hierboven kort weergegeven, verdraagt dit , , sper' niet. De Garde sterft, maar geeft zich niet over".

De onzichtbare kerk zijn alle gelovigen samen, waar ook vergaderd, die van God bewaard worden onder het zegel van het eeuwige leven.

Zo op het gehoor, lijkt deze belijdenis nogal algemeen en zeer vrijblijvend. Iets daarvan voelt Calvijn blijkbaar zelf, als hij de vraag stelt: Is het noodzakelijk, dit artikel te geloven? Tussen haken zij even aangetekend, dat Calvijn ook weer hier niet spreekt van geloven in de kerk, op de wijze, waarop dat bij Rome gebeurt, maar van: de Kerk geloven (geloven, dat er die Kerk is). Dat geeft te kennen, dat Calvijn tussen de Drieëne God en Zijn Kerk diep onderscheidt en die Kerk niet tot een eigenlijk geloofsartikel maakt. Maar toch blijft die Kerk hem een zaak des geloofs, een gemeenschap, zeer diep onderscheiden van elke sociologische groepering en daarom aan andere ordening onderworpen dan die.

Waarom is dit een zaak des geloofs? Antwoord: Hierom: wanneer we n.l. de dood van Christus en alles, wat we al opgenoemd hebben, niet van hun vrucht willen beroven, want de vrucht, die daaruit voortkomt is de Kerk. We begrijpen, dat de man, die zo warm en , , bevindelijk" weet te spreken van de gemeenschap met Christus, op deze wijze spreken moet. De schoven, die Hij, die met tranen zaaide, met gejuich in Zijn schuur mocht dragen (Ps. 126) zijn immers Zijn Kerk. Het bestaan daarvan heeft voor Calvijn zo'n zekerheid, dat hij het een verijdelen van Christus'werk noemt, daaraan te twijfelen. Dus Calvijn gelooft één algemene, heilige, christelijke Kerk, niet van de heiligheid of christelijkheid of degelijkheid van die Kerk uit, maar integendeel van Christus en Zijn werk uit. We begrijpen, wat dat betekent voor een zuivere waardering van die Kerk in het algemeen en van de lidmaten ervan in het bijlzonder.

Calvijn geeft zich moeite, dit nog dichter bij hart en verstaan te brengen. Hij oppert: Dus je bedoelt te zeggen, dat er tot nu toe gesproken is van de oorzaak en het fundament, van het heil, d.w.z. dat God ons in liefde heeft aangenomen door bemiddeling van de Here Jezus Christus en ons in die genade heeft bevestigd door Zijn Heilige Geest. Maar dat ons nu wordt getoond het gevolg en de vrucht van dat alles, om er ons te beter van te verzekeren? (Deze laatste zin is per abuis uitgevallen uit de vertaling van prof. Bakhuizen v. .d Brink, maar kan bepaald niet gemist worden). De leerling heeft wel reden, waar deze vraag de vorige nog eens omlijnt en inlijst, te antwoorden: Ja, zo is het. In de belijdenis dat er een Kerk van God van Christus is wordt ons inderdaad' voor ogen gesteld de vrucht en het werkelijk volbracht zijn van 't Werk van Christus en wèl mocht Calvijn zeggen, dat dit een rijk stuk is van de zekerheid des geloofs. Als Kerk, als christen, hebben we niet onszelf voortgebracht. Dat we er zo zijn mogen, is alleen te danken aan Hem, die alles over had voor mensen van niets, en deze , , nietsen" riep tot aanzijn, zodat ze werden.

Daarmee is al enigermate aangeduid de spanning, die er ligt in de heiliglieid van deze Kerk, die immers gebouwd wordt uit zozeer onheiligen. De vraag kan onmiogelijk uitblijven: In welke zin noem je de Kerk heilig? Daarop wordt geantwoord: Omdat God hen, die Hij verkoren heeft, ook rechtvaardigt en reinigt tot heiligheid en onschuld (Rom. 8 : 29), opdat Zijn heerlijkheid in hen stralen zou. En zo heeft Jezus Christus, als Hij Zijn Kerk losgekocht heeft, haar ook geheiligd, opdat zij heerlijk en vlekkeloos zou zijn (Efez. 5 : 25).

We worden hier gewaar, wat we bij de aanvang opmerkten: Calvijn spreekt hier nog van de onzichtbare kerk, zoals ze in Christus geen vlek of rimpel heeft, zoals ze Zijn Bruid werd en zoals Hij ze aan Zijn Vader voorstelt zo rein en zuiver, als Hij Zelf is. Het nijpende en beschamende probleem van de heiligheid van de zichtbare kerk komt hier nog niet ter sprake. Maar ook de jonge Calvijn kent naast dit kerkidealisme een kerkrealisime: in de volgende zondag zal hij ingaan op de vraag, of een zozeer onheilige zichtbare kerk zich wel verdraagt met haar heilige onzichtbare voor'beeld. We voelen nu al wel, dat eigenlijk het hart van heel het , , kerkelijk probleem" daarin klopt. Het is een intens actuele vraag, in juni 1958 en altijd.

We houden ons dus nu aan onze , , tekst" en merken weer op de grote nadruk, die het stuk van de heiliging in de gereformeerde Reformatie, met name die van Calvijn heeft.

Hoe weinig bespiegelend of academisch deze zaak is, lezen we daaruit af, dat deze heiligheid er niet vooral om onzentwil is, allerminst om ons omhoog te steken, maar dat ze er allereerst om Gods, om Christuswille is, opdat Hij de eer en het loon van Zijn werk zou hebben. Wat velen gevaarlijk schijnt te neigen tot een vroom rusten in zichzelf blijkt hier theologisch georiënteerd: ons vruchtdragen heeft zijn eerste betekenis daarin, dat de Vader (de Drie Ene God!) er in verheerlijkt worde.

Wanneer de Zoon in Zijn benauwende strijd, naar de mens gesproken heeft kunnen wanhopen aan de vruchten van Zijn werk, dan zien we die wanhoop omslaan in een levende hoop en blijde zekerheid: Hij heeft zaad gezien en het welbehagen Gods gaat door Zijn hand op gelukkige wijze voort.

Reeds in de eerste vraag van onze zondag gebruikte Calvijn het woord , , katholiek" en dat gaf ons oorzaak, het daar meteen te bespreken. Reeds daar zeiden we, dat hij minder bang is voor dit woord, alsof het , , rooms" zou zijn, dan wij; hier vinden we daarvan het bewijs. Want pas hier vindt Calvijn het nodig, op dat geduchte woord wat in te gaan en het in zijn, positieve, blijvende zin te doen kennen.. Wat wil dat woord katholiek of algemeen zeggen? Prompt wordt geantwoord: Het wil aanduiden, dat, daar er maar één Hoofd der gelovigen is, ze dan ook allen moeten verenigd zijn in één lichaam. In die zin, dat er niet vele kerken zijn, maar slechts één enkele, die verbreid is over de hele wereld.

We begrijpen reeds hier, uit de zware nadruk op het éne Hoofd der kerk, waaruit maar één enkele kerk kan voortkomen, hoezeer Calvijn geïnteresseerd is bij de eenheid van die onzichtbare-, maar ook die van de zichtbare kerk. Als Calvijn in zijn werken een vrij sterke voorliefde toont voor de Brief aan de Efeziërs, dan moet dat o.a. voortkomen uit het daar voorkomende: Eén Here, één geloof, één doop. Als de 1e Brief van Petrus ook zo'n voorkeur geniet, lijkt ons de oorzaak dezelfde. Zo moet het wel voor hem spreken: niet vele kerken, met velerlei Hoofden. Maar slechts één enkele kerk, die dusgeen secte of nationaal groepje of dgl. is, maar een katholieke, over heel de wereld voorkomende, krachtens de macht, die aan haar Koning is verleend over heel die wereld en krachtens het zendingswerk, dat Zijn welbehagen in geen beperkter kring onderneemt. Het vraagstuk van Gods Ene Kerk en onze vele kerken komt hier wel in het gezicht, maar Calvijn spreekt er niet over. Wij laten het daarom ook na, al verzwijgen we uiteraard niet, welk een critiek er, reeds van de Ene onzichtbare kerk uit, gegeven wordt op die verwarrende veelheid onder ons, die toch maar pover en kil gedekt wordt door de mantel der dusgenaamde pluriformiteit, die een modern biologisch beeld poogt toe te passen op toch wel zeer verscheiden zaak!

Als laatste vraag komt nog: En wat betekent wat daar volgt over de gemeenschap der heiligen? Deze vraag maakt de overgang van deze zondag naar de volgende, tevens die van kerkidealisme naar kerkrealisme. Wanneer het helemaal vanzelf sprak, dat de erfgename van de belofte, uit één Christus en één Geest levende, niet als aristocraten, maar als bedelaars, dus ook allen het gelijke ontvangen en dat allen samen genieten en besteden, dan zou de Apostolische Belijdenis dit artikel wel kunnen weglaten. De engelen hebben deze opwekking niet nodig, maar de christenen-onderweg des te meer. Want wat komt het gemakkelijk tot een schijnvroom genieten, waartij schijnbaar Abel, maar in werkelijkheid Kaïn verschijnt: Ben ik mijns broeders hoeder? Men meent, vooral binnen de Gereformeerde gezindte zulke zelfgenoegzame, egoïstische genieters op te merken, die het overal goed vinden, waar zij het „voor hun ziel" maar breed hebben. Dat kan echter in geen geval voor goed gereformeerd doorgaan, want Calvijn ontkent, dat er zo een christelijk leven kan bloeien. Hij wijst hier op de gelijkheid en de eenheid tussen de mensen, die uit de ene erfenis leven. Als hun , , Broeder" zich voor hen niet schaamde, maar ze , .broeders" noemde, hoe zouden zij dan niet die zelfde verbondenheid betonen met hen, die hun gelijk zijn? Het goed, dat de Here Jezus Christus voor Zijn Kerk verwierf, wordt zeer persoonlijk ontvangen. De enkeling wordt er niet weggedrukt door de gemeenschap. Maar de enkelingen zijn toch geen enkelingen meer. Dat waren ze, in de losgeslagenheid door de zonde. Maar de genade hereent en verbindt; de enkelingen, die uit geloof leerden leven, herkennen hun naaste en weten, dat ze pas tot hun levensdoel komen, door de gemeenschap, die ze met Christus en zo met elkander oefenen, daarhij nooit vergetend hen, die nog buiten zijn, opdat ze mede de éne Herder kennen mogen in de ene schaapskooi.

De gedachte van de Heidelberger, dat de leden van Christus hun bijzondere gave gaarne besteden ten beste van de anderen, is hier niet uitgesproken, maar ligt toch geheel in de getrokken lijn. In de gemeenschap der heiligen straalt pas recht , , de veelkleurige wijsheid Gods", die zich in Christus wendt tot dwazen en verstandelozen. Zo kan Calvijn de gemeenschap der heiligen dan zo omschrijven: Dit wordt er aan toegevoegd, om beter uit te drukken de eenheid tussen de leden der kerk. En ook wordt er ons door te kennen gegeven, dat al het goed, dat onze Here aan Zijn Kerk doet, bestemd is van het nut en heil van elke gelovige, omdat ze allen onderlinge gemeenschap hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN XVIII

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's