WET EN EVANGELIE
In , , Belijden en Beleven" dd. 30 mei '58 treffen wij het volgende artikel aan van ds. J. Overduin, dat wij gaarne aan onze lezers doorgeven.
Eén van de moeilijkste vraagstukken, waar de theologie altijd mee bezig blijft, is de verhouding van wet en evangelie. Dit is een levensprobleem en heus niet een vraagstuk, waarmede alleen de geleerde heren op hun studeerkamer te maken hebben. Daarom is dit een zeer delicaat vraagstuk in de prediking en in de persoonlijke zielszorg. Hoe hanteren wij de wet? En hoe functioneert 't evangelie?
Wij kunnen naar twee kanten telkens afdwalen. Wij kunnen het evangelie brengen ten koste van de wet. Dan belanden wij in de geestelijke roekeloosheid van een goedkope genade. Reeds Paulus had met dit gevaar te maken, toen dwaalleraren een verkeerde conclusie trokken uit de vrije genade. Ze meenden, dat ze niets meer met de wet te maken hadden. Men kon maar raak zondigen, want dan werd de genade nog overvloediger. Zullen wij zondigen, opdat de genade te meerder worde? In geen geval, zei Paulus. De genade en het evangelie heffen de wet niet op maar bevestigen de wet, dat zij goed is en dat krachtig en geldend is.
Aan de andere kant is Paulus even bang, dat de wet ten koste van het evangelie gepredikt zou worden. Dit zou leiden tot de krampachtige ernst van een werkheiligheid, die bij de oppervlakkigen voert tot een hoogmoedige zelfgenoegzaamheid en eigengerechtigheid en bij de meer dieper levenden tot een radeloze wanhoop. Het merkwaardige is, dat, wanneer men de wet ten koste van het evangelie of het evangelie ten koste van de wet brengt, men zowel de wet als het evangelie verliest. Het is een droevig en gevaarlijk misverstand, wanneer iemand, die de wet ten koste van het evangelie brengt, meent de wet op deze wijze te kunnen , , redden", en met de wet meer ernst te kunnen maken. De farizeeërs meenden meer ernst met de wet te maken dan Jezus, juist op de momenten, dat de Heiland rijke genade schonk aan gevallen zondaren. Zij verstonden niet, dat de gevallen vrouw, de tollenaar, de verloren zoon, de moordenaar, die mochten delen in het evangelie van de vrije genade, juist daardoor de wet begonnen lief te krijgen. Immers, de wet is alleen , , veilig gesteld" en „gered" door de liefde, die het karakter draagt van wederliefde, antwoord op Gods onverdiende liefde.
In de kerkgeschiedenis herhaalt zich voortdurend de vleselijke bezorgdheid voor de wet des Heren. Luther en Calvijn hebben er van geweten. En Augustinus ook. Zij moesten telkens dezelfde verwijten horen als Jezus en Paulus nl. dat zulk een onvoorwaardelijk evangelie van vrije genade, goddeloze en zorgeloze mensen moet maken. En natuurlijk is het waar, dat er altijd mensen zijn geweest en nog zijn, die theoretisch en wellicht nog meer practisch de ongeoorloofde conclusie trekken uit de vrije genade, nl. dat de wet er niet meer toe doet. Wij kunnen het ook zo formuleren: Het gevaar bestaat inderdaad, dat men de mensen oproept tot geloof in het evangelie zonder de oproep tot bekering. Dan verliest men de ernst van de wet. Maar vergeet niet, dat men dan evenmin de verrukking van het evangelie kent. Geloof zonder bekering is schijngeloof, zoals (het evangelie zonder de wet een schijnevangelie is.
Maar omgekeerd moeten wij ook strijden tegen het andere gevaar, wanneer de mens wordt opgeroepen zich te bekeren zonder geloof in het evangelie der genade. Dat wordt ook een schijnbekering, waarin schijnbaar ernst met de wet wordt gemaakt. Wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. De Here heeft onlosmakelijk de ernst van de wet verbonden met de bevrijding van het evangelie. Daarom wordt de zondaar (en ook het kind van God tot zijn laatste snik) opgeroepen tot geloof èn bekering. '
Wij maken de mensen wanhopig, wanneer wij altijd door roepen tot bekering, altijd door boete prediken, zonder het evangelie te brengen, dat geloofd mag en moet worden. Wij maken de mensen roekeloos en brengen hen in het meest gevaarlijke zelfbedrog, wanneer wij steeds zeggen: „Gelooft toch in. de genade van de Here Jezus", zonder hen tegelijk op te roepen tot bekering, zonder de consequenties van de genade in eigen levenshouding te laten zien.
Het geloof moet écht zijn. En die echtheid zal blijken uit de vruchten des geloofs. Het geloof zonder de werken is dood. Het geloof is door de liefde werkende.
Nu moet u eens opletten, dat degenen, die zich verzetten tegen een ernstige ontdekkende boeteprediking ook niet kunnen komen tot de blijde verrukking over Gods genade in Christus. De valse profeten, die over de heiligheid van de wet heenhuppelen en de ware profeten verweten, dat zij geen troost brachten, hebben nooit zo uitbundig het heil van Gods genade kunnen verkondigen als de boetepredikers Jesaja, Jeremia, Hosea, Amos, Micha, en noem maar op.
Zo kan men nergens ernstiger wetsprediking en tegelijk ruimer evangelieverkondiging horen dan uit de mond van Jezus Christus, Die tegelijk onze hoogste Profeet en onze opperste Herder is. Als Profeet is niemand scherper, en als Herder is niemand lieflijker dan Jezus. Wij hebben de roeping om dit in onze prediking en zielszorg tegelijk tot zijn recht te laten komen. En wie Schriftuurlijke ernst met de wet maakt, zal het evangelie niet ondermijnen maar juist tot zijn recht doen komen. En wie op Schriftuurlijke wijze leeft in de ruimte van de evangelische genade, zal het zeer nauw nemen met de wet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's