VERKLARING
De briefwisseling onder de titel: , , Over vrijzinnigheid en rechtzinnigheid" opgenomen in , , Woord en Dienst" van 19 oktober, 2, 16, 30 november en 14 dec. 1957 heeft vele reacties en nabeschouwingen opgeroepen, waarin de wens hoorbaar was, dat de generale synode zich zou uitspreken over de belangrijkste vragen die aan de orde kwamen in verband met het belijden der kerk. Tevens werd van verschillende zijden aangedrongen op een duidelijke uitspraak aangaande de strekking van artikel X van de kerkorde. De synode gevoelt zich, in verband met deze discussie en deze reacties, gedrongen tot de volgende verklaring.
1. Aangaande de persoon van Jezus Christus.
Dat Jezus van Nazareth de Christus is, de Zoon van de levende God is het fundament der kerk. Zijn gemeente leeft uit dit evangelie, dat God en mens in Hem, in Zijn persoon en werk, in heel de heilsgeschiedenis van Zijn vernedering en verhoging, verenigd zijn ons ten goede. Aan deze geschiedenis, die in vernedering en verhoging zich ontvouwt, hangt het heil der mensen. Jezus is de Christus, in het leven en sterven is Hij dezelfde; dezelfde die het lijden en de verwerping droeg, is ook degene die opgewekt werd en verheerlijkt. Bij het lezen van het Nieuwe Testament wordt het ons duidelijk, dat wij indien wij stellen dat Jezus gestorven is, Christus echter opgewekt het geheimenis der verkondiging miskennen en de hartader van het getuigenis der apostelen aantasten. Voor zover wij geestelijk leven hebben, ontvangen wij dit uit de tegenwoordigheid van de Opgestane Heer, die gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid.
2. Aangaande Jezus Christus en de godsdiensten der wereld.
Omdat wij met de kerk van alle eeuwen geloven en belijden, dat er één Naam, één openbaring onder de hemel gegeven is, waardoor wij worden behouden, kunnen wij de godsdiensten der wereld niet zien als openbaringen boven, voor of naast deze ene openbaring der liefde Gods. Maar juist op grond van Jezus' verschijning vertrouwen wij dat de Here God, met de ganse mensheid bezig is, zich niet onbetuigd laat in hét 'leven en lot, in het zoeken en verlangen der mensenkinderen. Wat in de godsdiensten der wereld een indirecte of een bedekte, of gebroken heenwijzing is naar Gods werk, kunnen wij alleen onderscheiden en onderkennen naar de maatstaf van de Waarheid, die. in Christus Jezus is opgegaan. Wanneer er lichten in de wereld zijn, gelijk wij aannemen dat er zijn, zullen we ze niet als licht Gods kunnen zien, dan door die Ene, die het Licht des levens is.
3. Aangaande Gods heil in de kosmische ruimte.
Op grond van de verschijning van Jezus Christus, in wie God zich uit vrije genade het lot van een verloren mensheid eens en vooral heeft aangetrokken, mogen wij geloven, dat de ganse schepping Hem ter harte gaat, ook waar wij ons geen voorstelling kunnen vormen van de aard der gemeenschap, die Hij met de buitenmenselijke wezens sticht en onder'houdt. Hij zal alom en te allen tijde de wegen weten om de ganse creatuur in haar verscheidenheid-, naar haar aard en behoefte dat leven en dat licht te verlenen, dat op veelvuldige wijze in het Licht der wereld straalt, gelijk de Schrift zegt dat alle dingen in Christus geschapen zijn en tezamen bestaan door Hem en éénmaal in Hem verenigd worden naar de raad van Gods Welbehagen (Ef. 1 enKoll. 1).
4. Aangaande de verhouding van geloof en theologie.
De theologie is te verstaan en te waarderen als het werk der bezinning op de waarheid van Gods zelfopenbaring; dit werk staat principieel in dienst van het leven, denken en handelen der kerk; het streeft uit de aard der zaak ook naar een vertolking dezer waarheid in het midden van de eigen tijd en cultuur. De resultaten der theologische bezinning zijn als zodanig niet met institutair kerkelijk gezag bekleed, gelijk haar arbeid niet aan zulk een gezag onderworpen is. Het theologisch denken kan zowel nieuwe beslissingen der kerk voorbereiden als deze toelichten en uitwerken in de gemeente en in de cultuur. De vrijheid van de theologie onderstelt de binding aan haar van God gegeven voorwerp. Maar de theologie verzaakt haar roeping en verliest deze vrijheid als zij haar positie kiest buiten het gezag van het Woord en zodoende onvermijdelijk vervreemdt van het geloof der kerk.
3. Aangaande de grenzen van kerk en belijdenis.
Omdat in de bovenbedoelde discussies en reacties telkens artikel X van de kerkorde , , over het belijden der kertk" is ter sprake gekomen, moge de synode ook hij dit punt ten overvloede een korte verklaring geven. De strekking van artikel X is zowel blijkens de daarin gebezigde wel-overwogen uitdrukkingen als blijkens de discussie, die aan de vaststelling van dit artikel voorafging, om, onder afwijzing van een wettische gebondenheid aan de woorden der klassieke belijdenisgeschriften een leervrijheid te voorkomen, die de fundamenten der kerk aantast, zoals deze in de Heilige Schrift en in de samenvatting en uitleg daarvan in de helijdenisgeschriften aan onze kerk en aan onze vaderen, aan ons en onze kinderen gegeven zijn.
Om ons te roepen tot het heil en ons te bewaren in de vrede Gods, zijn de Heilige Schrift alsmede de belijdenis der kerk ons geschonken. De belijdenisgeschriften stellen ons in een ruimte, die zo ruim mogelijk is, omdat zij slechts begrensd is door de afwijzing van die dwalingen, die het werk des Geestes weerstreven, omdat zij de zelf-openbaring van de Drie-enige God niet kunnen of niet willen laten gelden in heel de oneindige, helpende en 'beschermende goedheid, die daarin sprekende is.
6. Aangaande de zin van het kerkelijk gesprek.
De generale synode besluit deze verklaring met de verzekering dat niets haar verder ligt dan een diepere doordenking bovenaangeroerde punten af te snijden. Zij heeft aan haar raad voor de zaken van kerk en theologie opdracht gegeven niet alleen opnieuw aan de betreffende punten bijzondere aandacht te schenken, maar ook een aantal geschriften voor te bereiden, die één en ander breder ontwikkelen. Een vruchtbare gedachtenwisseling kan echter haars inziens alleen bevorderd worden, indien de grenzen, waarbinnen een, , kerkelijk gesprek" een gesprek in de ruimte der kerk van Christus kan zijn, geestelijk en intellectueel worden in het oog gehouden.
Niemand kan zeggen dat Jezus de Heer is, dan door de Heilige Geest.
Want wij hebben niet ontvangen de geest van deze eeuw, maar de Geest die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door God in genade geschonken zijn. En de Geest doorzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Deze diepten zijn het waarvan geschreven is: hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in het hart der mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft, dien, die Hem liefhebben, (vgl. 1 Cor. 12 : 3 en 1 Cor. 2 : 12, 10 en 9).
ONDERSCHRIFT.
Uit de intussen vrij zwakke reactie der vrijzinnigen, waarvan in sommige dagbladen melding werd gemaakt, moge blijken, dat deze verklaring voor hen nog te bindend is.
Anderzijds zal de orthodoxie daarin te weinig binding ontdekken. Zo schijnt deze verklaring gericht op wat men tegenwoordig midden-orthodoxie noemen wil.
Wij nemen ons voor deze verklaring nader te 'behandelen, doch volstaan thans met deze mededeling.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's