IS ER OOK VOOR MIJ GENADE?
ZO GING DAN ZIJN VADER UIT; EN BAD HEM. LUCAS 15 : 28b.
Dat „vrome" mensen zich, ook vandaag nog er aan ergeren, dat de Heiland met mensen die een verleden hebben aan één tafel wil zitten, is mij nog onlangs gebleken. Nu vraag ik echter uw aandacht voor het volgende: lopen velen in onze kringen niet het gevaar dat zij de ontvangst van de jongste zoon gewoon en vanzelfsprekend gaan vinden, en met minachting denken aan de oudste zoon? Ja, als je eenmaal maar zo ver bent als die jongste zoon, dan staat het er nog niet zo slecht voor met een mens, dan is er wel wat goeds van de Here te verwachten. De jongste zoon was immers tot zichzelf gekomen. Hij was een zondaar voor God geworden. Dat kon hij zijn vader aanbieden. Dat hij zich onwaardig wist, wordt in veler oog de waardigheid die hij kon meebrengen. De belevenis van de jongste zoon wordt de grond voor zijn aangenomen worden. Onze ellendekennis maakt ons waardig, aannemelijk voor God. Zo is voor veler besef die jongste zoon al lang geen doorbrenger, geen naakte zondaar meer, maar een aangeklede zondaar.
Het is de duivel, de aartsleugenaar, die dit vuurtje aanblaast. , , Eerst zult u tot uzelf moeten komen, dan pas mag u op genade hopen". Het addertje zit in dit woordje „mag". „Eer een mens op genade hopen mag, zal er heel wat gekend moeten worden". Daarom zitten veel jongens en meisjes en ouderen met de vraag: „is er ook voor mij genade ? "
En de gedachten gaan dan in deze richting: Zou ik wel waarachtig tot mezelf zijn gekomen ? Ik weet wel dat ik een zondaar ben, maar zou ik het wel voldoende verstaan, net als de verloren zoon ? Als we zo denken, dan is de genade niet onvoorwaardelijk, maar het antwoord op de vraag: „is er ook voor mij genade", wordt afhankelijk van wat ik ken en ben. We worden naar onszelf verwezen. En zo, Calvijn wijst hier herhaaldelijk op, vinden we geen zekerheid.
Daarom wijs ik ieder die met vragen als deze zit, op wat de vader zegt tot de oudste zoon. De oudste zoon ergerde zich aan de feestelijke ontvangst van hem, die hij niet eens meer z'n broer wil noemen. , , Hij werd toornig en wilde niet ingaan". Als we niet oppassen, dan vinden we dit ook gewoon. Die oudste zoon hoort ook niet binnen. Daar kunnen we vrede mee hebben. Misschien dat het nog niet eens in ons opkomt om hem toe te roepen: „Dan niet, dan blijf je maar buiten". Het belangrijkste waarvoor ik in deze overdenking uw aandacht vraag is dit, dat de vader er geen vrede mee heeft dat de oudste zoon niet wil binnenkomen.
Zo ging dan zijn vader uit en bad hem. De vader wil zijn beide zonen bij zich hebben.
Is deze laatste nodiging voor ons, die het Evangelie al zo vaak hebben gehoord, niet minstens even wonderlijk als de ontvangst van de jongste zoon ? Het doet ons zien, dat het welkom-zijn niet afhankelijk is van onze zonde-kennis. Als u bij uzelf denkt, , , zou ik wel m'n onwaardigheid beseffen als de jongste zoon" en als u vreest dat daar nog veel aan ontbreekt, en daarom vreest dat er voor u geen genade en geen welkom is, hoor dan wat de vader doet tegenover de oudste zoon.: Zo ging dan zijn vader uit en bad hem.
En als die oudste van hem vol verwijten blijkt te zitten, dan antwoordt de vader: , , Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is het uwe". „Kind" wat een liefde spreekt de vader hierin uit.
De Here zegt ook vandaag tot allen die als gedoopte mensen onder het Woord opgroeien en Hem dienen trouw maar vreugdeloos: , , Kind, gij zijt altijd bij mij". ?
Veel trouwe kerkgangers doen zo veel en voor hun besef doet God zo weinig, zij hebben een karige God. Is het niet omdat vergeten wordt, dat wat de vader tot zijn oudste zoon zegt: „Kind, gij zijt altijd bij mij? "
Die oudste zoon gevoelde zich tekort gedaan. En ik bemerk telkens dat velen hem hierin gelijk geven. Zij tellen het dringende bidden van de vader niet voor de volle honderd procent. Waar, zo is de redenering, blijven we anders met de uitverkiezing. Zo krijgt God toch de schuld. In de grondtekst staat echter een woord dat ons van zulke duivelse gedachten terugroept. De vader is niet maar even naar buiten gegaan voor z'n fatsoen. God roept ons niet voor de vorm. De vader heeft hem ernstig en dringend aanhoudend toegesproken. De vader heeft zich tegenover de oudste zoon er niet van af gemaakt. In Christus is God tot weerspannigen gekomen vol geduldige liefde. Eindeloos groot is Zijn ontferming over onwilHgen.
Als u soms vreest meer op de oudste dan op de jongste zoon te gelijken, vrees niet. Denk niet dat de Here u geen genade wil bewijzen. God wil uw en mijn Vader zijn, - niet om wie wij zijn, maar ondanks alles wat wij zijn, dank zij Jezus Christus alleen. Dank zij het kruis alleen.
Daarom komt God ook op u toe en Hij bidt u tot Hem te komen. Hij smeekt u u niet ver van Hem te houden.
De tekst boven deze overdenking geschreven moet u maar veel bedenken, dan zal Gods liefde daarin gestalte voor u krijgen. Dan zult u verstaan, dat de Here niemand buitensluit. Hij bidt aanhoudend, Hij nodigt ondanks al onze zonden.
Daarom mogen we niet zeggen: een mens zal heel wat moeten kennen, voor hij tot de Here mag komen. Een heel andere zaak is, dat het dikwijls een hele worsteling is, eer een mens tot Christus de toevlucht neemt. Ja, ja. Maar dat is iets totaal anders. Het kan lang duren, eer wij onze armoede en ellende toegeven en er plaats is in ons leven voor Gods barmhartigheid. Maar houdt goed voor ogen dat dit kennen van onze ellende niet de voorwaarde is waaraan wij eerst moeten voldoen. De grond der genade is Jezus Christus alleen.
Om Zijnentwil mag u tot God gaan met al wat u bezwaart, zonder dat u ook maar enig gewicht in de schaal kan leggen. U en ik zijn genodigden. Genodigden tot de bruiloft. Oudste zonen en jongste zonen. Daarom behoren wij, lees het slot van de gelijkenis, vrolijk en blij te zijn. Wij allen. Omdat God ons welgemeend nodigt. Als deze nodiging u niet blij maakt, of u ergert zich aan de nodiging van anderen, dan bent u het zelf die u buitensluit.
Maar dan weet u niet, wat u versmaadt. Gods nodiging ondanks onze ontrouw is zo geweldig, dat ondanks alles wat ons bedroeft en angstig en moe maakt, door Christus gezegd wordt in deze gelijkenis dat er meer reden is tot blijdschap dan tot droefheid.
En de Heiland is toch niet oppervlakkig. Hij heeft aan de erge dingen van ons leven zwaar getild, zwaarder dan wij. En toch weet Hij goed wat Hij zegt, dat geloof ik, als Hij zegt: men behoorde dan vrolijk en blij te zijn.
Ja, want wij hebben een God die tot ons bidt: Kom tot Mij. Zo ging dan zijn vader uit en bad hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's