De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Synode I

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Synode I

12 minuten leestijd

Het hoofdbestuur van de Gereform. Bond verzocht mij enkele momenten en indrukken weer te geven van de laatste vergadering van de generale synode van onze kerk, die gehouden is van 23 tot 28 juni in het Eijkmanhuis te Driebergen.

In deze vergadering toch zijn er enkele beslissingen genomen, die voor de kerk in haar geheel en voor de gemeenten afzonderlijk van verstrekkende en diepgaande betekenis zullen blijken te zijn. Het is goed, dat aan de lezers van dit blad enige informatie wordt verstrekt over de gang der discussies, en daarom heb ik aan het verzoek van het hoofdbestuur gaarne willen voldoen.

Deze vijfdaagse synode-vergadering begon dan 's maandags met een officiële bidstond, waarin voorging ds. C. M. Luteijn uit Groningen, het oudste predikant-lid der synode. Het moderamen had hiertoe besloten vanwege het belang van de onderwerpen, die op de agenda vermeld stonden, en vooral ook in het diepe besef, dat de synode bij haar beslissingen nu heel in het bijzonder de leiding van Gods Geest behoefde. Ds. Luteijn sprak over Ezra 8 vs. 21—23, waarna hij in een indringend gebed de komende synodezittingen opdroeg aan de Koning der kerk.

Nadat door de praeses, dr. A. A. Koolhaas, de vergadering was geopend en door de synode enkele benoemingen waren gedaan, kwam 's middags het belangrijkste agendapunt voor deze synode aan de orde : de voorstellen, die ten doel hebben het ouderling- en diakenambt open te stellen voor de vrouw, en in bepaalde gevallen voor bepaalde werkzaamheden de vrouw ook tot het predikambt toe te laten.

Het was niet de eerste keer, dat de synode dit vraagstuk van , , de vrouw en het ambt" voor zich op tafel zag liggen. Reeds in 1950 was er al over gesproken, naar aanleiding van een door een studiecommissie ingediend rapport. Beslissingen in kerkordelijke zin werden toen niet genomen. Dit laatste was wèl het geval in 1954. Toen werd in eerste lezing het voorstel om de vrouw volledig tot alle ambten toe te laten, met meerderheid van stemmen aanvaard. Aangezien de classicale vergaderingen in meerderheid echter - tegen dit voorstel bleken te zijn, werd In 1955 genoemd voorstel door de synode in tweede lezing weer verworpen. Opnieuw werd een studiecommissie in het leven geroepen, wier voorstellen om de vrouw tot de ambten toe te laten in een bepaalde zin in 1957 door de synode weer werden aanvaard. Nu bleken de classicale vergaderingen echter anders tegenover deze kwestie te staan dan in 1955. Een meerderheid was voor openstelling van de ambten voor de vrouw. Zuiver formeel gezien, had deze synode, op grond van de binnengekomen consideraties, het recht om de voorstellen in tweede lezing te aanvaarden.

Inderdaad, zuiver formeel gezien, want materieel lagen, naar mijn stellige overtuiging, de zaken heel anders. Daar is allereerst 't principiële bezwaar, dat de tegenstanders tegen de vrouw in het ambt van het begin afaan steeds weer naar voren hebben gebracht, n.l. dat naar hun schriftuurlijke overtuiging de H. Schrift openstelling verbiedt. En dat niet slechts op grond van de z.g. „zwijgteksten" in het nieuwe testament — hoewel deze ook hun woord meespreken in deze kwestie, en ik tot op heden nog geen argument gehoord of gelezen heb, dat de bezwaren van de tegenstanders vanuit deze teksten grondig ontzenuwt —, maar gezien de doorgaande lijn over de gehele H. Schrift, die het ambt alleen aan de man toewijst. De structuur van 't ganse Schriftgetuigenis pleit tegen openstelling.

Op dit punt wil ik enkele momenten uit de discussie naar voren halen. Daar is gezegd, dat van de kant van de tegenstanders geen nieuwe argumenten contra te berde zijn gebracht. Dat zou éen van hun zwakheden in hun argumentatie zijn, en een bewijs van weinig diepgaande studiezin. Dit nu lijkt mij ten enenmale onjuist en in strijd met de feiten. Zeker, er zullen er zijn, die een ander klakkeloos napraten — dit echter is ook bij de voorstanders het geval —, maar ook bij de principiële tegenstanders is er wel degelijk gestudeerd. Maar telkens kwamen zij weer tot de conclusie : wij lezen in de H. Schrift een duidelijk verbod af om de vrouw tot de ambten toe te laten. Al wordt er nog honderd jaar gestudeerd, het getuigenis van de H. Schrift wijzigt zich niet, maar blijft in de loop der eeuwen zichzelf altijd gelijk. Dat is niet onze zwakheid, maar juist onze kracht. Dat verder studeren op dit punt voor- en tegenstanders dichter bij elkaar zou brengen, is bij monde van diaken Van Ganswijk uit Putten dan ook uitdrukkelijk ontkend.

Is dit standpunt niet zeer eigengereid ? Getuigt dit niet van weinig openheid voor de werking van de H. Geest ? De H. Geest is het toch, die de ogen van de voorstanders geopend heeft voor het feit, dat de ambten voor de vrouwen ópen moeten ?

Eén van de voorstanders verklaarde pertinent, dat de H. Geest in zijn hart getuigde, dat openstelling geboden was. Voor mijn besef openbaarde zich in dit spreken één van de diepste kloven tussen voor- en tegenstanders. De verhouding van Woord en Geest is hier in 't geding. Kan het getuigenis des Geestes strijden met het getuigenis des Woords ? Neen, want de Geest heeft Zichzelf vrijwillig gebonden aan het Woord, en wie de zin en de mening van de H. Geest wil weten, onderzoeke de Schriften. Buiten de Schrift om geeft de H. Geest niet nog eens allerlei aparte openbaringen. Bovendien, wat houdt naar onze belijdenis dit inwendig getuigenis van de H. Geest in ? Art. 5 van de Ned. Gel. Belijdenis zegt, dat de H. Geest in onze harten getuigenis geeft dat de heilige Schriften van God zijn.

De lezers begrijpen nu wel, dat in de discussie de diepste dingen aan de orde zijn geweest. Men heeft eerlijk en onomwonden standpunt tegenover standpunt geplaatst, en het bleek toen, dat het in de grond der zaak ging om geloof tegenover geloof, hetgeen ook zo gezegd is : , , Er staat een gebod van de Heer tussen!"

't Is dus niet waar, wat hier en daar wel eens gesuggereerd schijnt te zijn, dat men elkaar in de discussie heeft willen ontzien en dat het gesprek zo vriendelijk is verlopen. Dit is zeker niet het geval geweest. Integendeel, men heeft elkaar juist niet gespaard. Als het om de Schrift en om het geloof gaat, kan men elkaar niet sparen, maar moeten alle stukken op tafel komen. En alle leden hebben het als een diepe, innerlijke pijn gevoeld, dat dit in onze kerk in feite zo is. Zeker, men heeft wel gemeend : het is slechts een exegetische kwestie, een hermeneutische methode, een zaak, die primair de orde der kerk raakt, maar tenslotte werd van beide kanten gezegd, dat het , , meer" was.

Persoonlijk heb ik gemeend te moeten zeggen, dat hier de gehoorzaamheid aan de H. Schrift en de gemeenschap met de belijdenis der vaderen in het geding is. Men zegt dit niet zó maar, alleen als men overtuigd is, dat nu de grens bereikt is.

Iets anders is, dat over het algemeen op waardige wijze is gediscussieerd en getuigd. Dit is zeker het geval geweest. De , , rabies theologorum" (de razernij der theologen) was gelukkig zoek. In zulk een principieel gesprek moet aan beide kanten de bereidheid zijn om naar elkaar te luisteren. Maar juist door en in deze houding bleek, hoe diep de kloof was, die ons scheidde. En nu de beslissing gevallen is, zal deze kloof eerder groter dan kleiner worden.

Ook nu is weer onmiskenbaar duidelijk geworden, dat het niet aangaat te zeggen, dat, als men één is in het geloof in Christus, het er minder toe doet of men het met elkander „eens" is. Door zó te spreken, zou men op den duur in de kerk de grootste ketterijen moeten gaan tolereren. Neen, wat ons hier scheidt, is wel degelijk een zaak van geloof, n.l. van het reformatorisch Schriftgeloof, dat zijn vertolking vindt in de artikelen 2 t/m 7 van de Ned. Gel. Bel. Hier klemt de vraag : wie staan nu in gemeenschap met de belijdenis der vaderen? Wie bewegen zich op de weg van het belijden der kerk ? Het antwoord kan u duidelijk zijn.

Poogden de voorstanders zich dan niet op de Schrift te beroepen ? Eén van hen merkte op : , , Door bepaalde feiten — b.v. de positie van de vrouw in de huidige maatschappij — opent de H. Geest ons nu de ogen voor bepaalde waarheden, die in de H. Schrift zijn opgesloten, doch die in vroeger tijden niet zijn ontdekt". Een ander zei: , , Heeft Christus niet gezegd, dat Hij nog vele dingen Zijn discipelen te zeggen had, doch dat zij die toen nog niet dragen konden? " (Joh. 16 vs. 12). Welnu, het voortgaande werk van de H. Geest, Die het uit Christus nemen zal om dat , , het" aan ons te verkondigen, houdt o.a. ook dit in, dat de ambten voor de vrouw niet langer gesloten kunnen blijven.

Maar als wij deze argumenten horen, dan vraag ik mij in gemoede af : is er hier nog verschil met de rooms katholieke Schriftbeschouwing ? En komt dit in feite niet neer op een pleiten voor een z.g. „open canon" ?

De verwarring der geesten is in onze kerk wel bijzonder groot.

Naast de principiële bezwaren, die deden pleiten voor verwerping van de voorstellen, waren er nog allerlei andere argumenten, die op zijn minst uitstel wettigden. Ik denk hierbij in de eerste plaats aan de uitslag van de consideraties. Daaruit bleek, dat er beslist geen sprake was van een grote consensus. Van het totaal der uitgebrachte geldige stemmen was ongeveer 3/5 deel pro en 2/5 deel contra. Gaat men bovendien nog deze stemmen niet alleen tellen maar ook wegen, dan zien we, dat het vaak de minst meelevende classes zijn, die hier de doorslag gegeven hebben. Generaal gesproken, was het geographische midden van de kerk, waar de meeste Hervormden wonen — n.l. Gelderland, Utrecht en Zd.-Holland —, in meerderheid tegen. De geographische rand was in meerderheid voor. Nu hebben de voorstanders er meer dan eens nadrukkelijk op gewezen tijdens de discussie, dat het niet presbyteriaal is, dergelijke berekeningen in de overwegingen mee te laten spreken. Men mag alleen rekening houden met de classes zelf, en dan blijken er 38 pro en 15 contra te zijn. Zou men dit laatste niet willen, dan moest men maar een referendum onder het kerkvolk houden, waarbij men niet vergeten moet dat dit persé niet meer kerkelijk is gedacht, doch puur werelds.

Inderdaad, wij moeten toegeven, dat we in dit opzicht zeer voorzichtig moeten zijn. Terwille van de verdediging van ons standpunt mogen we niet allerlei ondeugdelijke argumenten aanvoeren. Toch neemt dit niet weg, dat deze stemverhoudingen in onze zieke en aan de belijdenis ontzonken kerk juist de voorstanders zeer veel te zeggen moet hebben gehad. En als men zo zuiver' presbyteriaal wilde denken, waarom heeft men dat dan niet gedaan, toen de tegenstanders vroegen : overtuig ons vanuit de H. Schrift van ons ongelijk en wacht tot de grote minderheid zich aan de meerderheid heeft geconformeerd. In een zo uitermate belangrijke zaak had men dit bij uitstek presbyteriale beginsel dan ook ten volle moeten laten gelden. Het presbyteriale mes snijdt zo naar twee kanten. Nu heeft men echter ten opzichte van de tegenstanders niet presbyteriaal gehandeld.

Daar was nog een reden, die voor uitstel pleitte. In 1957 luidde één van de voorstellen : openstelling van alle ambten voor de vrouw. Dit voorstel werd toen verworpen. Aangenomen werd het voorstel: openstelling van het ouderling- en diakenambt en het predikambt alleen met dispensatie voor bepaalde gevallen voor bepaalde werkzaamheden. Bij vele leden der synode was dus de gedachtengang : twee ambten zijn er open, éen is er nog dicht; bij hoge uitzondering gaat het predikambt ook open, b.v. in een geval van een zeer duidelijk charisma. Op vele classicale vergaderingen is dit ook als zodanig opgevat en bediscussieerd.

Deze kerkordelijke beslissing van de synode : het predikambt alleen open met dispensatie, hield echter ook een duidelijke theologische beslissing in, n.l. dat de eenheid van het ambt hiermee onder zware druk gezet is en in feite min of meer werd gebroken. Voor de arbeid van de commissie voor de bestudering van de ambtstheologie was deze beslissing dan ook een enorme belemmering.

Wat is nu echter gebeurd ?

Toen prof. Van Ruler indringend vroeg naar klaarheid in dit opzicht, hebben vele leden voor mijn besef een draai gemaakt, door uit te spreken, dat het predikambt wel in principe geopend was voor de vrouw. Hiermee was voor de arbeid van genoemde commissie een grote hinderpaal weggenomen, maar persoonlijk kan ik mij nog steeds moeilijk aan de indruk onttrekken, dat hier gehandeld is in strijd met de duidelijke uitspraak van de synode in 1957. Voor sommige classicale vergaderingen zal deze handelwijze een moeilijk te verteren zaak zijn.

Op één ding wil ik in dit verband nog de nadruk leggen. Naar aanleiding van een vraag uit de synode, is van de zijde van het moderamen uitdrukkelijk uitgesproken, dat onder dispensatie voor bepaalde gevallen voor bepaalde werkzaamheden niet begrepen wordt b.v. de mogelijkheid om een vrouwelijke vicaris, werkzaam in een bepaalde wijkgemeente, nu tot het predikambt toe te laten. De mogelijkheden zijn dus zeer beperkt.

En nu het laatste argument, dat voor uitstel pleitte. Dit raakt de kwestie van het beleid. Is het wel verstandig om in de concrete situatie van het jaar 1958, nu de kerk in zo grote spanningen leeft en de conflictstof aan vele kanten opgehoopt ligt, toch deze zaak door te zetten ?

Gaat het aan, nu de kerk dagelijks geconfronteerd wordt met massale ontkerkelijking en ontkerstening, ook in de kerk nieuwe conflictssituaties te scheppen, waardoor onze toch al zo kleine kracht nog meer verteerd wordt ?

Ook hiermee had men rekening moeten houden. Het is helaas niet gebeurd. Met 27 tegen 24 stemmen heeft men die bewuste maandagavond onder grote spanning de voorstellen aangenomen. Later is over bepaalde zaken nog een keer gesproken. Maar daarover de volgende keer.

L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de Synode I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's