DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 19
ZONDAG 16
Reeds zondag 15 sprak over de heiligheid der kerk. Een groot onderwerp! Begrijpelijk, dat Calvijn daarmee in één zondag niet is klaargekomen, maar er nog nader op ingaat.
We herinneren ons, dat hij in de vorige zondag vooral sprak van de onzichtbare kerk en het niet zo moeilijk had, de heiligheid daarvan (die immers ook een verborgene is) te handhaven. De moeilijkheden komen echter, zo spoedig men tot de zichtbare kerk komt. Daar kwam Calvijn in de loop van zijn leven al meer toe: ze komt ook in zondag 16 opzetten en geeft meteen aan de gevoelige vraag het aanzijn: Is de heiligheid die je aan de kerk toekent, nu reeds volkomen? Daarbij blijkt hij niet te doelen op de volkomen heiligheid, die Gods Kerk in Christus heeft, maar hij let op wat daarvan openbaar wordt in het dagelijkse geloofsleven en laat zijn leerling daarom antwoorden: Neen, zolang ze n.l. strijd heeft in deze wereld. Want er zijn altijd resten van onvolmaaktheid, die niet worden weggenomen, voor ze geheel verenigd is met haar Hoofd Jezus Christus, door Wie ze is geheiligd.
Uit deze onderscheiding wordt ons duidelijk, dat Calvijn wel degelijk vasthoudt aan de volkomen heiligheid, die Gods Kerk en kinderen hebben in Christus. Maar deze volkomen heiligheid is een zaak des geloofs en niet een zaak van zien en hebben. Een deel van die volkomenheid blijft in Christus verborgen en komt niet openbaar in het christenleven. De heiligheid der christenen is een getemperde, gebrokene, vergeleken bij de volheid, die in Christus is.
Calvijn spreekt er hier niet van waarom dat zo is. Hij zou het echter gemakkelijk hebben kunnen zeggen, want b.v. Paulus in Coloss. 3 had hem dat diep en levend verklaard. Daar staat ook te lezen, waarop de openbaring van die volkomen heiligheid, ook in het christen leven wacht. Als Christus wederkomt in heerlijikheid, als de tijd vervuld wordt, dan wordt het hier gebrokene en aanvankelijke openbaar in heerlijikheid. Daarnaast zou Calvijn, desgevraagd, zeker nog wel zeggen, dat die onvolkomen heiligheid hier een stuk verootmoediging is, die aan het zelfbewustzijn der verkorenen en gelovigen een heilzame teugel aanlegt. Calvijn beleefde heel wat ergernis door overspannen monniken - heiligheids- en volmaaktheidswaan van zichzelf volkomen achtende overgeestelijken.
Hij vloog zo hoog niet, deze doorn in het vlees leerde hem ootmoed en deed hem uitzien naar Hem, Wiens wederkomst pas de volheid brengt.
De kerk op aarde is voor eigen besef sterk een strijdende kerk. Ze heeft er waarlijk wel weet van, dat ze, in Christus, reeds nu een triomferende Kerk is. Maar daarin ongebroken te roemen is haar niet oorbaar. Want hier is haar de strijd opgelegd en zonder die strijd is de kroon er niet. Dat met die strijd bedoeld is, niet alleen die tegen vijanden van buiten, maar evenzeer met bestrijders van binnen, is al heel duidelijk, want Calvijn spreekt er van dat in die strijd „de resten der onvolmaaktheid" operibaar worden. Hij had ook wel kunnen schrijven: de resten van de oude mens en oude aard ; en hij doelt daarmee dus op onze zondige aard, waarmee we ook en juist als christen levenslang hebben te strijden.
Merkwaardig intussen, hoe positief hij toch het Christen-zijn, het leven in de Geest waardeert, dat aan Christus en de volkomenheid die in Hem is gelegen, verbindt. Daartegenover kunnen de resten van oude mens en oude zondige aard stellig niet verwaarloosd, maar wel gedragen worden. Want als de grote overwinning — in Christus — er is en er komt, dan komt de volkomen overwinng er ook en dus komt er de kracht tot de volharding. Want ook die resten der onvolkomenheid, die de Heidelberger onze blijvende zwakheid noemt, worden door het leven verslonden, als de Bruiloft van het Lam ongestoord begint. Dan is het hart bij de schat; dan zijn de bedelaars en melaatsen - hier rijk en rein.
Er is weinig scherpzinnigheid toe nodig, om te verstaan, dat deze verhouding van heilige en toch nog onheilige kerk allerminst een rechtlijnige en logische is. Als wij in onze dagen het zeer moeilijk vinden, om een eerlijke, verantwoorde weg te vinden tussen kerkidealisme en kerkrealisme door, dan mag het ons wat bemoedigen, dat ons daarin niets vreemds overkomt. Ook Calvijn heeft met dit probleem geworsteld, heeft het naar beste kunnen benaderd en geformuleerd, maar is er voor eigen besef blijkbaar allerminst meè , , klaargekomen".
Iets daarvan merken we in de laatste vraag, die hij nog aan deze zaak wijdt. Hij vraagt nl.: Kan deze kerk alleen door geloof gekend worden ? Daarop wordt ten antwoord gegeven: Er is wel een zichtbare kerk waarvan God ons de kenmerken heeft gegeven, om ze te herkennen. Maar hier is bijzonder sprake van de kring van hen, die God ten heil heeft verkoren en die men niet met het oog kan zien.
We merken in deze vraag een spanning op tussen zichtbare en onzichtbare kerk. Zoëven sprak Calvijn van de strijdende, zichtbare kerk; hier schakelt hij weer over naar de onzichtbare. We hébben al eerder opgemerkt, dat, als er één stuk is, waarin Calvijn's denken een ontwikkeling kent, dat het stuk der kerk is. De Catechismus is een jeugdwerk, vrij sterk door Augustinus en diens voorliefde voor de onzichtbare kerk beïnvloed.
Als men de laatste uitgave van de Institutie naast de Catechismus legt, merkt men de voortgang van Calvijn's denken op, die daarin uitkomt, dat hij juist de zichtbare en onzichtbare kerk niet zo ver mogelijk uit elkaar haalt, maar wenst, , dat de zichtbare kerk de zo volkomen-mogelijke openbaring der onzichtbare zij. Dat stadium hebben we in onze vraag nog niet bereikt, daar scheidt Calvijn ze nog tamelijk sterk. Hij bedoelt ermee: De zichtbare kerk heeft bepaalde kenmerken, waaraan we haar kunnen onderkennen. Maar als de Apostolische Belijdenis van de heerlijkheid der kerk spreekt, dan doelt ze meer op de onzichtbare kerk, dat is de kring van hen, die God ten heil verkoren heeft en die met het oog niet valt te zien. Uit dit alles valt op te merken, dat Calvijn dus de vraag, die hij vroeg: Is de heiligheid der kerk een zaak van geloof, bedoel te antwoorden: Ja. Hoewel deze heiligheid in het christenleven vruchten laat zien, zijn die vruchten niet van een allerlaatste betekenis. Door geloof zien we, boven en achter die vruchten-vol-gebrek Christus, onze Levensboom, in Wie géén gebrek is.
Daarmee neemt Calvijn (voorlopig) afscheid van dit stuk. Hij is er niet mee klaar gekomen maar hij zal later nog gelegenheid krijgen, er nader op in te gaan.
Wat volgt nu in de Apostolische Belijdenis? Het antwoord luidt: Ik geloof de vergeving, der zonden. Daarop vervolgt de catecheet: Wat versta je onder dat woord vergeving? De leerling antwoordt: Dat God in Zijn vrije goedheid aan Zijn gelovigen hun schulden vergeeft en kwijtscheldt, zodat ze geheel niet meer in rekening gebracht worden in Zijn oordeel om gestraft te worden.
Hier wordt gesproken van Gods vrije goedheid, die vergeeft. Die heeft menigmaal aanleiding gegeven tot de opmerking dat, wanneer die goedheid werkelijk vrij zou zijn, dan ook het tussentreden van de Here Jezus Christus onnodig moet zijn. We proeven intussen de modernistische infectie, die in zulk spreken ligt en die er geen weet van heeft, op welk een wijze de zonde Gods vrije goedheid getrapt en versmaad heeft, zodat ze God en mens door een niet te peilen kloof gescheiden heeft. De brug over die kloof bouwt wél weer de vrije goedheid Gods, maar: in Christus . En buiten Hem is er generlei kennis of smaak van.
Al noemt daarom Calvijn in dit stukje de naam van Christus niet. Hij staat toch wel degelijk op de achtergrond. Dat zal in de volgende vraag en antwoord nog des te beter blijken, maar ook en reeds hier is Hij het, die Gods goedheid zo , , vrij" gemaakt heeft. Daarom kan God vergeven. Dat er staat, dat Hij aan de gelovigen vergeeft, betekent niet, dat we eerst iets en veel moeten zijn, om voor vergeving in aanmerking te komen. Dat weerspreekt immers volledig de bijbelse leer van zonde en genade. Dat Calvijn zo spreekt betekent wél, dat in de practijk des levens toch helaas niet elk en ieder deze vergeving blijkt te begeren, maar dat dit in het leven der gelovigen wordt aangetroffen. Maar als er staat, dat God aan de gelovigen zo van harte alles vergeven wil, dan moeten we toch vooral die gelovigen zien als de mensen met lege handen, " als mensen-van-niets, die in de barmhartigheid Gods, die juist in Christus vrij wordt, het anker der ziel vinden.
Die belijdenis van de vergeving der zonde, alleen om Christus' wil, had in de Hervorming een nieuwe actualiteit gekregen. In het Roomse stelsel van boete en biecht, van medewerking, voorspraak en verdiensten, is die souvereine vergeving, alleen om Christus' wil, verbasterd en vernietigd. Vandaar dat de Kerkhervormers allen zo fel hun critiec aan dat onderdeel wijden. Vanzelfsprekend moet ook Calvijn, die zijn Catechismus schrijft midden in de strijd tegen het zeer Roomse Geneve, daartoe zijn bijdrage leveren. Daar getuigt de nu komende vraag van: Daar volgt dus uit dat wij niets verdienen door genoegdoeningen, dat God ons vergeeft. De leerling bevestigt dat: Zeker, want de Here Jezus heeft betaald en de straf gedragen. Van onze kant kunnen wij geen enkele beloning aanbrengen, maar moeten door Gods loutere vrijgevigheid vergiffenis vóór al onze misdaden ontvangen.
Het is goed, deze vraag en de vorige nauw aaneen te sluiten, zoals we al aantoonden.
Alle verdienstelijkheid en vooral alle verdienerij, vrome en onvrome, wordt hier in de kern aangetast en afgewezen. Hier is de mens weer mens gemaakt, schuldig en niets waardig. Hier is God weer God geworden, die deze schuld in Christus bezocht èn betaald en daarom op souvereine en genadige wijze vergeven wil, het nemende uit de volheid van Christus en niet uit aflaat of boetedoening of dgl.
Waarom zet je dit artikel achter dat over de kerk ? Daarmee geeft Calvijn te kennen dat hij een samenhang vermoedt in de Apostolische Belijdenis tussen het behoren tot de kerk en het ontvangen van vergeving. Hij ziet deze samenhang, die z'n leerling aldus uitspreekt: Omdat niemand vergeving van zonden verkrijgt, dan wanneer hij eerst is ingelijfd in het volk Gods en volhardt in eenheid en gemeenschap met het lichaam van Christus en dus een waar lidmaat der kerk zij.
In de Roomse kerk geldt de leus: Buiten de kerk geen heil. Op de klank af en op het gevoel af, denken vele Protestanten, dat de Hervorming dat wel fel zal ontkennen. Maar dat blijkt toch allerminst het geval te zijn. Ook Calvijn neemt dat woord precies zo over en zegt ervan: Wie de kerk niet tot moeder heeft, kan God niet tot Vader hébben. En dat bedoelt hij weer niet alleen van de onzichtbare, maar wel degelijk ook van de zichtbare kerk.
Hij geeft daarmee te kennen, dat Christenen (Protestanten) geen eenspanners en geestelijke egoïsten zijn, die het alleen om Ik gaat en om anders niets, maar dat Christelijk leven altijd tevens kerkelijk leven betekent. De Here bindt ons samen in de solidariteit der erfzonde en van Zijn genadeverbond. Wij zijn zo van stonde aan onzer broeders hoeder en worden daardoor behoed voor ongeestelijke zelfzucht. Het is één van de grote eretitels van het Gereformeerde Protestantisme, dat de zending er zo van harte een plaats kreeg, vgl. Calvijn, Voetius, Hoornbeek, Teellinck, enz. enz. Dat verraadt die zelfde „kerkelijke" instelling, die Calvijn hier openbaart, die het apostolaire kent en beoefent in levende verbondenheid aan het , , pastorale".
Juist in de Geref. gezindte is deze samenhang niet zelden zoek, kennelijk ook in onize eigen kring. We begrijpen erg goed, dat teleurstellende ervaringen met een kerk, die meer stiefmoeder dan Moeder bleek, nog al eens „thuiszitters" kweekt, die al meer ontwennen aan de dienst des Woords en de Sacramenten en op Kaïn's paden wandelen, al spreken ze de taal van Abel. Schijnbaar kweekt deze levenstrant groter geestelijke diepte en menigeen acht deze zeer critlsche , , thuiszitters" de ware christenen. Een enkele blik b.v. op deze afdeling van Calvijn's Catechismus kan er ons van overtuigen, dat dit in zijn ogen helemaal niet het geval is. Als Calvijn en zijn tijdgenoten zo gedaan hadden, was de Hervorming zeker in de wieg gestorven. En juist omdat zij er strijd en moeite voor overhadden, hoezeer ze er ook naar gehunkerd kunnen hebben, te leven , , met een boekske in een hoekske", daarom bestaat er heden ten dage een christelijke kerk van gereformeerde stempel. Dit wil dan zeggen: van gelovigen, vromen, die niet te vroom worden, dan om zich met „de anderen" in te laten, maar die ze, juist als christenen, begeren te dienen en tot Christus te trekken. Wanneer zich niemand om óns bekommerd had, en wanr neer ieder het alleen maar druk had gehad met eigen heil, dan waren wij ook wel nooit tot het licht en het heil gekomen.
Maar als God ons de ogen opende voor onze schuld, dan heeft ons dat naar binnen gedreven, om vergeving, maar ook naar buiten om anderen, lotgenoten, ongewaarschuwden, daarin mee te betrekken. De intense samenhang van kerk en zending is hier met handen te tasten. Het brengen van het Evangelie der vergeving tot anderen wordt ook daarin gezegend, dat het ons zelf te meer daarvan spreekt en doordringt. Zonde en genade en de kennis ervan zijn uiteraard zeer persoonlijke zaken. Maar, wondere paradox, tevens zaken, die pas in de gemeenschap van kerk en zending ten volle hun gewicht krijgen. Wie de kerk niet tot Moeder heeft, die heeft God niet tot verzoend en genadig Vader.
Calvijn heeft zich wel scherp uitgedrukt. We begrijpen, hoe Doperse en Libertijnse eenspannerigheid, die zich van de naaste weinig aantrekt, hem hierin sterk moet hebben beïnvloed. De catecheet vraagt nog eenmaal: Dus buiten de kerk is enkel veroordeling en dood? Hij had ook kunnen vragen: Mensen van de gesteldheid van Kaïn zijn kwade troosters, voor zichzelf en voor anderen?
Het antwoord laat zich haast raden. Heel zeker: want allen die zich van die gemeenschap der gelovigen afscheiden, om een aparte secte te stichten, moeten maar niet hopen, het heil te vinden, zolang ze zich zo verdelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's