De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 20

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 20

10 minuten leestijd

Over het verbonden-zijn van de vergeving der zonden en de kerk werd gesproken. Wat volgt er nu? Antwoord: De opstanding van het vlees en het eeuwige leven. Dat roept vanzelfsprekend een aantal vragen op en Calvijn stelt ze aan de orde door te vragen: Waarom staat dit artikel erbij? Antwoord: Om ons te tonen, dat ons geluk niet op aarde ligt. Dit werkt twee dingen uit. Ten eerste dat we zullen leren door deze wereld heen te gaan als door een vreemd land, de aardse dingen verachtend en zonder er ons hart op te zetten. Daarbij ook, dat we, hoewel we nog niet de vrucht der genade, die de Here ons bewezen heeft in Jezus Christus gewaar worden, we toch niet de moed verliezen, maar ze geduldig zullen verwachten, tot de tijd, waarop ze wordt geopenbaard

We worden in dit antwoord gewaar, hoe zware klemtoon de eeuwigheid bij Calvijn heeft tegenover de tijd. We hebben al kunnen opmerken, dat hij, die de Schepping zo volop eert als een werk en gave Gods, nooit schepping en wereld als zodanig kan verachten. Wanneer hier sprake is van een verachten der geschapen, aardse dingen, is daarmee veel meer bedoeld: het verachten van de caricaturen, die de zonde daarvan gemaakt heeft. Naar de klank schijnt Calvijn sterk , , dopers" te spreken en met hen de Geest te stellen tegenover al het geschapene en zichtbare. Toch is Calvijn een sterk tegenstander van die Dopers, juist omdat ze miskennen, wat hij met zoveel nadruk stelt, n.l. dat gebruik en misbruik twee zijn; de geschapen wereld en de gevallene evenzo, zodat een christen de schepping nooit gering kan achten, maar wel naar zijn aard de zonde, die het bederf der schepping werd, grimmig moet haten.

We stellen dit voorop, als we deze afdeling van de Catechismus verklaren. Schijnbaar Is de man, die hier spreekt een hater der cultuur en een liefhebber van een wereldmijdende mystiek. We begrijpen erg goed, dat men in deze klanken bij Calvijn iets kloosterlijks en monnikachtigs heeft willen opmerken. Nochthans ten onrechte. Want in de sfeer van klooster en monnikendom wordt de geschapene op zichzelf gemeden en veracht. Daar verheft men op de wijze van Plato de geest boven de stof en moet dan wel alle cultuur in de ban doen. De Calvijn, die hier spreekt, is een man, die voor echte cultuur zoals de Here ze geboden en veroorloofd heeft, een groot respect heeft. Maar die in dat alles zeer critisch te werk gaat en juist cultuurliefhehbers gedurig met de zonde confronteert, die een hart- en cultuur- en al-bederver is.

Zo bedoelt Calvijn het, als hij zich afvraagt, wat de opstanding van het vlees (van de gestorven mens) betekent. Ze leert hem deze centrale bijbelse waarheid, die stellig gold ook al vóór de val, dat ons geluk tenslotte niet hier op aarde ligt. Hij zou kunnen zeggen: God heeft ons de eeuwigheid in het hart gelegd en dat is de zin van ons leven. Hij heeft ons hier, in een oud- en nieuw proef gebod een rentmeesterschap over het geschapene toevertrouwd en het is zaak, in dat kleinere trouw te worden bevonden. Maar uiteindelijk vult het hart en ziel toch niet.

Dus de eeuwigheid (beter: de Eeuwige) gaat boven de tijd uit. Dat heeft ons twee doelstellingen te doen beseffen. Eerst, dat deze wereld ons een land van vreemdelingschap moet zijn, wat insluit de verachting der wereld en ons hart er verre van te houden. Dit is sterk gesproken; we nemen daar niets van terug, maar wijzen op wat we zoeven betuigden. Niet Gods wereld wordt hier vreemd land genoemd, dat te mijden is, maar dat is onze wereld, d.w.z. wat onze zonde van Gods wereld maakte. Ook. de ongevallen mens heeft kunnen zeggen, dat hij door deze wereld heentrok naar een Hogere en Betere, maar we begrijpen, dat het daar geen plaats kan hebben, te spreken van een haten en mijden van de aardse dingen-

Tussen haken zij opgemerkt, dat hier uiteraard het aanknopingspunt (of wilt u: het ontbreken van een aanknopingspunt) ligt voor een gereformeerde cultuurbeschouwing.

Wat is déze wereld, die onze wereld werd, maar toch niet kan ophouden Gods wereld te blijven, nog waard? Wat betekent wetenschap, politiek, kunst, economie enz. voor de gereformeerde christen? De diepe tweespalt van schepping en zonde wordt hier pijnlijk openbaar en het lukt ons maar niet, ze zeer diep te onderscheiden, zonder nochthans te scheiden, wat God uiteindelijk samenvoegde.

In de Gereformeerde Theologie van en sinds Calvijn heeft de cultuur een nooit onbestreden plaats gehad. Ze moet mogelijk zijn, als gebod en als gave Gods. Maar de ervaring leert, dat, waar men zeer sterk op de cultuur ingaat, het religieuze leven, het zondebesef pleegt af te nemen. We denken aan Remonstranten en huns gelijken en begrijpen waarom in een groot deel der gereformeerde gezindte een intense afkeer van alle cultuur woont. Uit reactie daartegen vinden we ter anderer zijde onder de genoemden een sterke cultuurhonger, een verlangen, dat ook de vragen, die deze vreemde, tijdelijke wereld ons stelt, zullen worden behartigd. Het kan niet onze bedoeling zijn, daarop nu hier in te gaan. Alleen zij gezegd, dat naar ons besef een gereformeerde cultuurbeschouwing, zeer critisch, maar nochthans zeer positief, moet mogelijk zijn. Bovendien, dat, wat, Calvijn hier zegt, moet beoordeeld worden niet naar , , doperse" maar op gereformeerde trant: , , alle schepsel Gods is goed, mits met dankzegging genoten".

In alle geval zal, ook bij een geboden en geoorloofde cultuurbeschouwing en een dankbaar aanvaarden van wetenschap, politiek en kunst, ons hart en althans het hart van ons hart daarin wel nooit rusten. Wie in deze dingen wat bezig is, krijgt menigmaal de woorden van de Prediker thuis, dat deze dingen zo moe kunnen maken, dat niemand het kan uitspreken. Dat ze daarom ons laatste (en eerste) honger zouden kunnen stillen, is stellig niet waar- Die honger èn zijn verzadiging ligt hoger en dieper.

Zo ziet Calvijn de belofte van de opstanding van het lichaam en het eeuwige leven als troost in een gespleten en in zich zelf ondragelijk leven. Maar: die opstanding ligt ver, het eeuwige leven schijnt nóg verder te liggen. Hebben we daar nü wel veel aan, dat we het straks zo goed hopen te hebben?

Calvijn erkent, dat deze volle vrucht van de genade van de Here Jezus Christus nog niet gezien wordt. We voegden hier met opzet het woordje vol in. Want Calvijn denkt er niet aan, het heden van alle troost en licht te beroven, om alles op „straks" te zetten, Het geloofsleven heeft reeds hier zijn vrucht en kracht.

Maar de volheid, die in opstanding en eeuwig leven bestaat zien we nog niet. Wat dat betekent? Calvijn antwoordt met de Romeinenbrief, dat het gekende en het gemiste samen , , bevinding" wekken. Dat betekent: draagkracht verlenen, lijdzaamheid, om te hopen en niet te versagen. Gods trouw is er borg voor, dat Hij, als Hij de Alpha werd, ook de Omega zal blijken. De eerste vrucht van geloof en geest wijzen heen naar de laatste en volste, als Christus alles zal zijn in allen. Zo kan en moet er reeds nu, in strijd en moeite, worden geleefd uit dit geloof in de belofte van opstanding en leven.

De Here Christus zei immers, dat daar reeds eeuwig leven gesmaakt wordt, waar de Vader gekend wordt in Christus Jezus, die Hij gezonden heeft- Ook daarin wijst het beginsel heen naar de volheid.

De opstanding van het vlees. Soms staan we op een kerkhof, zien graven openen en sluiten, zien graven , , opgeruimd" worden en merken op, hoe terecht Ezechiël doodsbeenderen zeer dor noemde. Dan kan de vraag ons ook bestormen: Zullen deze beenderen (straks ook de onze) levend worden? Is dat tenslotte vrome inbeelding of is het verrassende, paradoxale waarheid ? De vraag die we horen stellen, moet wel onze aandacht hebben: Hoe zal die opstanding geschieden?

Wat een bron van speculaties! Maar daar voelt Calvijn niet voor; hij kan zo hoog niet vliegen. Hij sluit zich eerbiedig aan bij wat Paulus hierover schreef in 1 Cor. 15. Wat gezaaid (begraven) werd in verderfelijkheid, zal opgewekt worden in onverderfelijkheid. Die nog leven, worden in één ogenblik omgezet (, , herboren"). In zondag 13 sprak Calvijn hier al van, daarom maakt hij het hier kort en wij met hem. Het antwoord luidt letterlijk: Zij, die al eerder gestorven waren, zullen weer hun lichaam aannemen, al zal dit van een andere hoedanigheid zijn. Dat wil zeggen, dat ze niet meer onderworpen zijn aan sterflijkheid en bederf, hoewel het toch van een zelfde wezen blijft. En hen, die nog in leven zullen zijn, zal God op die wonderbare wijze opwekken, waarover we al spraken (1 Cor. 15 : 52).

In dit aangehaalde hoofdstuk 1 Cor- 15 wordt zeer klaar gezegd, dat, zoals alle mensen in Adam stierven, ze ook allen in Christus zullen levend worden.

De Tweede Adam herstelt, wat de eerste misdeed.

Dat doet de vraag rijzen: Zal die opstanding niet gemeenschappelijk ten deel vallen aan bozen en goeden? Antwoord: Ja zeker, maar het zal geschieden onder verschillende omstandigheden (Joh. 5 : 29, Matth. 25 : 46). Want de ene groep zal opstaan tot heil en vreugde: de andere tot veroordeling en dood.

Wanneer we de genoemde Schriftplaatsen naslaan, moet het ons duidelijk worden, dat die algemene opstanding, die kennelijk overeenkomt met de algemene roeping ten leven, toch weer stukbreèkt en tweeërlei eind heeft. Er is een opstanding ten leven en er is een opstanding ten dode.

Dat schijnt toch wel weer vragen op te roepen. Want de Apost. Belijdenis spreekt immers met geen woord van dood of hel. Is het dan soms bekrompen en brutale inlegkunde, die tweeërlei afloop van de ene opstanding te stellen? De leerling vraagt: Waarom wordt er dan alleen gesproken van het eeuwige leven en niet van de hel? Dat is een goede vraag. Als we zeggen te geloven het Eeuwige leven, moet dat ook niet insluiten, dat we evenzo de hel geloven? We zouden hiertegen geen bezwaar willen inbrengen. Ook juist als wij, in de Zoon gelovend, dankbaar erkennen van de hel bevrijd te zijn, dan erkennen we daarmee, hoezeer die hel in onze wereld een plaats moet hebben. Toch moet het ons voorzichtig stemmen, dat we in de Schrift deze uitdrukking zeker niet vinden, evenmin als b.v. de uitdrukking, dat we in de zonde geloven zouden. We hadden en hebben reden, ons met haar bezig te houden, haar niet uit het oog te verliezen, omdat ze ons altijd belaagt. Maar tenslotte zijn zonde en hel zeer negatieve dingen, dingen van de mens, zozeer genade en Hemel positieve dingen zijn, die alleen bij onze Here God thuis zijn. Én het is toch wel een beter spraakgebruik, niet te spreken van geloof in negatieve, menselijke dingen, waaraan tenslotte wezenlijke kern ontbreekt en het geloof alleen te beperken tot de grote werken Gods-

Calvijn antwoordt op de vraag naar dat spreken van de hemel alleen, dat de Belijdenis zo spreekt, omdat er in haar niets staat geschreven, dan wat bepaald strekt tot vertroosting der gelovigen. Ze noemt ons enkel het goede dat God aan Zijn dienaren doet. Daarom wordt hier geheel niet gesproken over de bozen, die buiten Gods Rijk zijn gesloten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 20

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's