Uit de Synode II
„Later is over bepaalde zaken nog een keer gesproken. Maar daarover de volgende maal"; aldus besloten wij het vorige artikel, 't Is misschien goed vooraf echter nog even iets te vermelden van de stemming van de reacties onder de synodeleden, omdat hierover in de kerkelijke pers bepaalde uitingen zijn gelanceerd, die nadere opheldering behoeven.
't Is begrijpelijk, dat bij vele tegenstanders, vooral bij hen, die tot op het laatste moment gehoopt en verwacht hadden, dat de voorstellen verworpen zouden worden, een grote verslagenheid heerste. Men wist niet goed, wat te doen. Moesten we onze papieren oppakken en vertrekken? Of toch nog blijven? We zijn gebleven. Wij waren geen afgevaardigden van een of andere partij, maar van kerkelijke vergaderingen. Bovendien stonden er nog enkele andere zeer belangrijke punten op de agenda en het zou niet verantwoord geweest zijn te laten beslissen over ons en zonder ons.
En de voorstanders? Hoe reageerden zij? Ds. Landsman schrijft in , , Hervormd Nederland" van 5 juli jl., dat er in elk geval één ding niet is gebeurd, nl.: , , Bij de leden van de synode, die vóór deze wijziging in de kerkorde hadden gestemd, was niets te bespeuren van een soort van overwinningsroes. Het is dan ook beslist onjuist, wat een artikel in „De Waarheidsvriend" ons wil doen geloven, dat ze elkander na deze uitslag gingen gelukwensen".
Welnu, , , De Waarheidsvriend" heeft helemaal niet geschreven, dat er een soort van overwinningsroes viel te bespeuren. Het enige, wat ds. Tukker hierover geschreven heeft is, dat voorstemmers ter synode elkaar met hun overwinning hebben gefeliciteerd. En dit is volkomen juist. Ds. Tukker had deze mededeling van mij persoonlijk ontvangen. Ik kon dit zeggen, omdat ik met eigen ogen en oren twee voorstanders elkaar heb zien en horen gelukwensen na afloop van de dagsluiting. , , De Waarheidsvriend" heeft wel degelijk de waarheid in dit opzicht geschreven.
's Woensdagsavonds dan is op deze zaak nog eenmaal teruggekomen. Waarom? Tijdens de discussies had een van de voorstanders het voorstel gedaan om bij aanvaarding van de voorstellen een overgangsbepaling te maken, waarin zou worden bepaald, dat vrouwelijke ambtsdragers de eerste 5 of 10 jaren niet zouden worden toegelaten tot de meerdere vergaderingen. Hij hoopte hiermee de bezwaren van de tegenstanders te kunnen ondervangen.
Door mij is toen gezegd, dat dit voorstel wel sympathiek was, maar dat hiermee onze bezwaren om voor te stemmen niet werden weggenomen, omdat, wat wij als schriftuurlijke eis zien, voor heel de kerk geldt. Bovendien zou met de aanneming van dit voorstel het ambt theologisch worden uitgehold, 't Is wezenlijk voor het ambt om in de kerkelijke vergaderingen te functionneren.
Dit voorstel werd toen ingetrokken, omdat de indiener ervan gebleken was, dat hij hiermee op geen enkele wijze aan de principiële bezwaren van de tegenstanders tegemoetkwam.
Later, nadat het principe-besluit gevallen was en men overging tot de kerkordelijke-technische regeling van een en ander, kwam dit voorstel opnieuw ter tafel. Nu uit het oogpunt van kerkelijk beleid. Bij aanvaarding van dit voorstel zou een klein deel van veel kerkelijke moeilijkheden voorlopig kunnen worden voorkomen. Het kon echter geen meerderheid halen en werd dus niet aanvaard. Dit zou wel gebeurd zijn, als alle tegenstanders op dat moment hadden vóór gestemd, wat niet gebeurd is, omdat een deel van hen in dit stadium van de discussie over het hoofd zag, dat de tweede keer dit voorstel in een heel ander kader van gedachten stond dan de eerste keer.
Dit feit nu heeft later bij vele leden een groot onbehagen geschapen, hetgeen voor ds. Zeydner, de praeses van visitatoren-generaal, aanleiding is geweest in een bewogen woord de synode op te roepen te handelen in de geest van het apostelconvent, ons beschreven in Hand. 15. Volgens zijn mening hadden de gemeenten en de kerkelijke vergaderingen hierin een mogelijkheid om vele moeilijkheden te voorkomen.
Op de argumentatie van ds. Zeydner als zodanig ga ik hier nu niet meer in. Dit is verleden week door de kroniekschrijver in dit blad gedaan. Daarheen moge ik u dus verwijzen. Maar dit neemt niet weg, dat de woorden van ds. Zeydner een grote indruk hébben gemaakt.
Het resultaat van de toen gehouden discussie was, dat besloten werd aan de gemeenten 'n herderlijke brief te schrijven. De inhoud van deze brief is enkele weken geleden in dit blad gepubliceerd, zodat ieder er kennis van heeft kunnen nemen. Inmiddels is zij ook al aan de kerkeraden toegezonden, 'k Hoop van ganser harte, dat de daarin gegeven wenken en suggesties ten aanzien van de afvaardiging naar de kerkelijke vergaderingen en nog enkele dingen meer ter harte zullen worden genomen, al is hiermee natuurlijk het vraagstuk als zodanig niet opgelost.
Hoe nu verder? Dat is de belangrijkste vraag, waarvoor wij nu en in de toekomst komen te staan. Als men diep in zijn ziel ervan overtuigd is, dat de genomen beslissing lijnrecht indruist tegen het Woord Gods en dus een aantasting betekent van 't gezag van de H. Schrift, dan zal men moeten zeggen: synode, wij zullen u in deze niet mogen en niet kunnen gehoorzamen. Dit brengt zijn consequenties mee. Welke deze zullen zijn, valt nu nog niet te overzien. Dit zal de toekomst moeten leren.
Van de zijde van de assessor der synode is opgemerkt, dat men eigen inzicht niet als het enig juiste mag monopoliseren, en dat men elke gedachte aan chantage en sabotage moet achterwege laten. Als men deze beslissing terzijde legt denkt en handelt men sectarisch, want deze beslissing is een kerkelijke beslissing.
Toen hem gevraagd werd deze woorden in te trekken, omdat de tegenstanders uit gewetensnood deze kerkelijke beslissing toch niet zouden accepteren en deze houding niets te maken had met sabotage, chantage en sectarisme, bleek hij daartoe niet bereid te zijn. Wij weten dus, waar we aan toe zijn.
Nadat door de assessor deze woorden gesproken waren, dacht ik aan een zinsnede uit art. 7 van de Ned. Gel. Bel., nl. deze: „Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijk stellen met de goddelijke schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is boven alles), noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden en personen, noch de conciliën, decreten of besluiten". , , Daarom verwerpen wij van ganser harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt".
Toen ging het om de volkomenheid, genoegzaamheid en duidelijkheid van de H. Schrift tegenover de roomse schriftinterpretatie en dogmenvorming. Thans gaat het om diezelfde volkomenheid, genoegzaamheid en duidelijkheid van de H. Schrift tegenover een in wezen niet-reformatorische schriftopvatting en besluitvorming.
Daar is wel gezegd, dat, als het voor de tegenstanders dan zo'n gewetensnood is, als zij zeggen, zij dan slechts één consequente houding kunnen aannemen, nl. die van afscheiding van de Hervormde Kerk. Men zou voor zo'n houding dan nog respect hebben. Dit zeggen heeft mij wel heel diep gegriefd. Want dat komt hierop neer, dat de erve der vaderen dan maar moet worden prijsgegeven aan, ik zeg niet: bastaarden, maar wel aan allerlei onwettige leringen en stelsels. Dit mag niet. Wij moeten blijven worstelen om herstel van het gezag van het Woord Gods en van het daarvan afgeleide gezag van de belijdenis der vaderen, die nog altijd wettig de belijdenis van onze kerk ook nu is.
Wel zal het steeds moeilijker worden. Om maar één voorbeeld uit de vele te noemen. Hoe moeten straks zij handelen, die het colloquium voor de toelating tot het ambt van dienaar des Woords in de Ned. Herv. Kerk hebben afgelegd? Een van de drie vragen, die zij bevestigend moeten beantwoorden en met hun handtekening moeten bekrachtigen, luidt: „Zijt gij bereid, u te onderwerpen aan de regelen in de orde der kerk voor haar apostolaat en belijden, haar leven en werken gesteld? " Zal nu ook rondom deze vragen een andersoortige quiaen quatenusstrijd ontbranden? Ik weet geen oplossing.
Terzake van deze kwestie houd ik op dit punt nu op, hoewel er nog stof te over is voor meer dan één artikel. Er is echter nog meer aan de orde geweest, wat ook voor de lezers van belang is om te weten.
Een tweede kerkordelijke wijziging betrof de voorstellen betrekking hebbende op de verplichting tot geheimhouding, van datgene wat uit hoofde van vervulling van ambt, bediening of functie vertrouwelijk ter kennis van de betrokkene komt. Het ging om vastlegging van deze verplichtingen in de kerkorde en de bevestigingsformulieren.
Al jaren is aan deze zaak gedokterd. Nu eindelijk moesten de voorstellen in tweede, definitieve lezing behandeld worden. Tegen de zaak ais zodanig had eigenlijk niemand overwegend principiële bezwaren, hoewel het niet moest nodig zijn deze verplichting kerkordehjk te formuleren.
Waar nog wel een hele discussie is over gehouden, was de vraag of deze geheimhoudingsplicht ook in de bevestigingsvragen moest worden opgenomen. Op dit punt gingen opnieuw de meningen uiteen. Liturgisch vonden vele leden dit niet juist, evenmin wat het quantum van de woorden betreft, zoals prof. van Ruler opmerkte. Wel kon er iets van opgenomen worden in het didactisch gedeelte van de betreffende formulieren. .
De synode aanvaardde echter de voorgestelde wijzigingen, met dien verstande, dat in het didactisch gedeelte van de formulieren een meer klassieke stijl werd overgenomen.
Andere Voorstellen tot wijziging van de kerkorde in tweede lezing werden zonder meer aanvaard. Ook werden er weer nieuwe wijzigingen voorgesteld. Deze zullen binnenkort op de classicale vergaderingen behandeld moeten worden. Ik noem hiervan het voorstel de mogelijkheid te scheppen, dat een praesès synodi, ook nadat zijn zittingstijd als afgevaardigde van.een classis verstreken is, toch nog voor een bepaalde tijd en onder bepaalde voorwaarden als zodanig kan herkozen worden. En in de tweede plaats het voorstel om in de kerkorde de verplichting op te nemen, dat bij een predikants-vacature ook de commissie voor het beroepingswerk om advies gevraagd wordt. Dit laatste zal in de classes wel de nodige stof doen opwaaien. Men bezinne zich hierop wel terdege, voordat men zijn stem aan deze voorstellen geeft. Want mogelijk ligt hier weer het gevaar van ondergraving van ons presibyteriaal-synodaal kerkrecht. *
Wat de lezers ongetwijfeld veel meer zal interesseren, is datgene, wat vermeld stond onder agendapunt 16: een voorstel van het moderamen der synode tot het doen uitgaan van een verklaring, betrekking hebbende op het belijden der kerk.
Het moderamen had dr. H. Berkhof, de rector van het seminarie, verzocht een concept-verklaring op te stellen. Deze had aan dit verzoek gehoor gegeven en in samenwerking met prof dr. J. de Graaf, hoogleraar te Utrecht, een concept opgesteld, dat aan de synodeleden was toegezonden ter bestudering en overweging.
De indirecte aanleiding hiertoe was de grote verontrusting, die in de kerk ontstaan was naar aanleiding van de befaamde briefwisseling tussen dr. J. J. Buskes en dr. A. de Wilde, gehouden in „Woord en Dienst". Wie kennis genomen heeft van deze briefwisseling, weet, dat dr. De Wilde hierin op ernstige wjjize het belijden der kerk heeft ondergraven. Kan dat nu allemaal maar in een reformatorische kerk ? zo werd van verschillende kanten gevraagd.
Nu moet men wel goed weten, dat de directe verantwoordelijkheid voor de prediking en de catechese van de dienaren des Woords in eerste instantie ligt bij de provinciale kerkvergaderingen. Zij hebben er in de eerste plaats op toe te zien, dat geweerd wordt al wat het belijden der kerk weerspreekt, zoals de kerkorde het onder woorden brengt.
Toch neemt dit niet weg, dat de synode in dit opzicht ook verantwoordelijkheid draagt en dat zij dus hierin leiding heeft te geven. Genoemde verklaring is nu hiervan een uiting.
Toen de concept-verklaring in bespreking werd gegeven, heeft de praeses er op gewezen, dat het hier niet ging om de vaststelling van een nieuwe belijdenis, ook niet om een exegese van art. X van de kerkorde, maar om een reactie op de bovengenoemde briefwisseling.
'Hoe was het oordeel van de synode over deze concept-verklaring? Ze oogstte veel waardering en lof, maar aan de andere kant vond men haar op sommige punten onduidelijk en vaag. Ook achtte men haar voor het gewone kerkvolk, dat toch ook bij deze zaak betrokken is, veel te moeilijk. Bovendien had veel meer verwezen moeten worden naar de geldende belijdenis der kerk.
Het resultaat van deze discussie was, dat deze concept-verklaring werd teruggewezen naar een commissie, die de gemaakte opmerkingen moest trachten te verwerken. Later kwam men met een gewijzigde verklaring ter tafel, ongeveer in de vorm, zoals zij nu de kerk is ingezonden.
De hoofdredacteur van dit blad heeft geschreven, dat hijzelf dieper op deze verklaring zou ingaan. Daarom volsta ik hier in het kort te vermelden, hoe de discussie zich vooral heeft toegespitst op de punten 2 en 5 van deze verklaring, waar resp. gehandeld wordt over: De persoon van Jezus Christus, en: De grenzen van kerk en belijdenis.
Over de persoon van Jezus Christus wordt o.a. dit verklaard. „Dat Jezus van Nazareth de Christus is, de Zoon van de levende God, is het fundament der kerk". „Jezus is de Christus; in het leven en sterven is Hij Dezelfde; Dezelfde, Die het lijden en de verwerping droeg, is ook Degene, Die opgewekt werd en verheeriijkt." „Bij het lezen van het Nieuwe Testament wordt het ons duidelijk, dat, indien wij stellen, dat Jezus gestorven is, Christus echter opgewekt, wij het geheimenis der verkondiging miskennen en de hartader van het getuigenis der apostelen aantasten".
Op dit punt laat, naar mijn bescheiden mening, deze verklaring aan duidelijkheid niets te wensen over. Hiermee is datgene, wat dr. De Wilde in een paasmeditatie heeft geschreven: Jezus is gestorven, maar Christus is opgewekt, en: God heeft uit het erts Jezus het goud Christus omgesmolten, als onbijbels veroordeeld. Zo zou er uit geheel van deze verklaring nog veel meer te noemen zijn, waarin rechtstreeks gereageerd op de discussie Buskes-De Wilde.
Eén woord in het bovenstaande heeft discussie opgeroepen, n.l. het woord , , verwerping": Jezus droeg de verwerping, 'k Heb er voor gepleit dit woord te vervangen door: verlating of verlatenheid, om zoveel mogelijk aansluiting te verkrijgen aan de bijbelse uitdrukkingswijze. Ds. L. Vroegindewey stelde de zaak nog scherper door hierin Barthianisme te ruiken. Hiertegen werd opgemerkt, dat ook de Schrift van , , verwerping" spreekt: de steen, die de bouwlieden verworpen hebben, is door God tot een hoofd des hoeks gelegd; dit is van de Here geschied. Men moet in dat woord verwerping een kernachtige samenvatting zien van het handelen der mensen en het handelen Gods. Alles ligt er in opgesloten: de toorn Gods, het oordeel Gods over de zonde, en het schuldige doen der mensen. Aldiis zij, die het woord verwerping verdedigden.
Terzake van de grenzen van kerk en belijdenis staat in deze verklaring o.a. het volgende: , , De strekking van art. X is, zowel blijkens de daarin gebezigde weloverwogen uitdrukkingen als blijkens de discussie, die aan de vaststelling van dit artikel voorafging, om, onder afwijzing van een wettische gebondenheid aan de woorden der klassieke belijdenisgeschriften, een leervrijheid te voorkomen, die de fundamenten der kerk aantast, zoals deze in de Heilige Schrift en in de samenvatting en uitleg daarvan in de belijdenisgeschriften aan onze kerk en aan onze vaderen aan ons en onze kinderen gegeven zijn".
In het oorspronkelijke, stuk was sprake van „letterlijke gebondenheid" in plaats van „wettische gebondenheid". Wederom was- het toen ds. L. Vroegindewey, die op dit punt in het strijdperk der meningen trad en inderdaad het woord , , letterlijk" de doodsteek toebracht, zodat het veranderd werd in „wettisch". Hij betoogde o.a., dat nergens in art. X staat, dat men niét gébonden is aan de letter van debelijdenis. Waar is men dan aan gebonden, -als alle letters wegvallen? Een gebondenheid aan de belijdenis, die niet gebondenheid aan de letter is, begreep hij niet. Geldt dan soms de helft van de letters ?
U merkt, dat het in de strijd om woorden uiteindelijk ging om de strijd om bepaalde zaken, al komt het aan buitenstaanders vaak voor als woordenzifterij. Dit is in de kerkgeschiedenis wel meer voorgekomen. Zelfs is wel eens getwist om een bepaalde letter, het griekse lettertje i, in de strijd om de twee-naturenleer van Christus en de Drieëenheid Gods.
Of we met deze woordverandering veel gewonnen hebben, de toekomst zal het leren. Elke verklaring roept weer om een nadere verklaring, want vaak is het zo, dat ieder zijn eigen mening en opvatting er in leest. Persoonlijk was het mij daarom veel liever geweest, dat men de zaak van art. X maar had laten rusten. Nu komt er ongetwijfeld weer eèn stroom van discussie los over dit punt van de verklaring. Al met al blijft de vraag van het „hoe" van de gebondenheid' der kerk aan haar belijdenis in de mist. Deze vraag is niet op te lossen met allerlei verklaringen en uitspraken, maar wordt beantwoord in de kerkelijke praktijk van de bediening des Woords en van de catechese, waarhij het uitgangspunt is, dat de kerk een belijdenis heeft en dat deze gezag heeft. Dit gezag is op een 'bepaalde wijze innerlijk evident daar, waar men zich onderwerpt aan het gezag van het Woord Gods.
Zoals de toelating van de vrouw in de ambten een verdrietige zaak is, zo is de uitgifte van deze verklaring tot op zekere hoogte een verblijdende zaak. Wat nu te denken van deze gang van zaken in een en dezelfde synodevergadering? Persoonlijk kan ik de mening niet onderdrukken, dat onze kerk toont door deze handelwijze hoe langer hoe meer een , , midden-orthodoxe" kerk te worden. Naar rechts vervreemdt men van zich hen, die opkomen voor de rechten van de belijdenis en het gezag van het Woord Gods door de vrouw tot de ambten toe te laten. En naar links vervreemdt men van zich hen, die in hun christologie zich nog ouderwets modern betonen. Of is deze mening onjuist?
Graag zou ik dan het tegendeel horen.
De Here beware onze kerk voor nog verder afglijden van de weg der waarheid.
L.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's