De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

10 minuten leestijd

HOOFDSTUK II, ARTIKEL 2. Maar alzo wij zelve niet kunnen genoegdoen, en ons van de toorn Gods bevrijden, zo heeft God uit oneindige barmhartigheid Zijn eniggeboren Zoon, ons tot een borg gegeven, die, opdat Hij voor ons zou genoegdoen, voor ons of in onze plaats, zonde en vervloeking aan 't kruis geworden is.

Wij kunnen dus niet aan Gods recht genoeg doen. Door braafheid kunnen wij de hemel niet verdienen, door ons zelf beter te maken dan we zijn, niet aan Gods wet voldoen. Wanneer wij onze zaligheid zouden gronden op vroomheid, rechtzinnigheid of deugd, zouden we met een ingebeelde hemel verloren gaan. Hoe is dat echter verder gegaan ? Een gezangvers zegt: „Rechtvaardigheid hield aan om straf. Genade dong om vrijgeleide. Hier trad Gods wijsheid tussenbeide. Die z' allebei voldoening gaf". Dat is toch wel niet de juiste voorstelling der zaak. Daar was meer nodig dan Gods wijsheid. Een bijzondere liefde en barmhartigheid kon alleen de oplossing brengen. Doch dat zou dan een liefde Gods moeten zijn geweest voor schuldige mensen, op wie de Here toomt.

Is het niet veeleer zo te denken, dat Gods toorn zeer groot was en de Almachtige onwillig om enig goeds aan de zondaar te schenken of te doen, maar dat de Here Jezus door Zijn lijden en sterven een verandering heeft aangebracht in de gezindheid van de Vader? Wij zullen in het vervolg van onze artikelen wel genoodzaakt zijn om stil te staan bij de vraag of God het voorwerp is der verzoening, dan wel de mens.

Het komt mij voor, dat het bloed van Christus inderdaad bij God wat heeft veranderd. Daar is ergens aan voldaan, n.l. aan Gods gerechtig'heid. Maar dit betekent niet, dat God de Vader toen pas liefde en genegenheid gekregen heeft voor Zijn volk. Het volk voor wie Christus gestorven is heeft de Vader liefgehad met een eeuwige liefde. De liefde Gods voor Zijn volk is niet opgewekt, ook niet vermeerderd door het zoenoffer van Christus. En toch is daar die toorn Gods voor allen, ook voor de uitverkorenen, die nog buiten de gemeenschap met Christus zijn. Die tweeheid is er. .

Terwijl God op Zijn volk toornt, hééft Hij dit volk toch op wonderlijke wijze lief. Het is daarom een onjuiste voorstelling als men een tweestrijd stelt tussen de gezindheid des Vaders en die van Zijn Zoon Jezus Christus.

Volgens sommigen leren wij, die belijden dat de verzoening ook God tot voorwerp heeft, dat God de Vader eigenlijk en oorspronkelijk niet de gezindheid zou hebben gehad van liefde en verzoening, maar daar toe door Christus zou zijn bewogen. Artikel 2 weerspreekt dit. Voordat Christus was gestorven, was daar de oneindige barmhartigiheid, die de Vader dreef ons Zijn Zoon te geven. Het is naar waarheid, dat artikel 21 van onze geloofsbelijdenis belijdt, dat Christus zichzelf in onze naam voor de Vader heeft gesteld „om Zijn toorn te stillen met volle genoegdoening Zich opofferende aan het hout des kruises". Doch die oneindige barmhartigheid is niet minder krachtig in God. Wij lezen daarvan veel in de H. Schrift. Daar is de bekende tekst: „Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft". Wanneer heeft God Zijn Zoon gegeven? Dat moet geschied zijn vóór de grondlegging der wereld, want van Hem lezen we in 1 Petrus 1 : 20: Dewelke wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijd om uwentwil.

De dogmatiek stelt het ons zo voor, dat de Zoon reeds, gegeven is en Zich gegeven heeft in de Raad des vredes. Gods barmhartigheid is niet begonnen toen Christus alles volbracht had, maar uit deze barmhartigheid is Christus Jezus gegeven. Ik noemde de Raad des vredes. Deze naam zal wel ontleend zijn aan Zach. 6 : 12. Maar of de bedoelde zaak in genoemde tekst te vinden is kan men betwijfelen. Het is ook niet gemakkelijk om deze Raad des vredes of dit verbond der verlossing in bepaalde teksten'aan te wijzen. Desniettemin rust dit Verbond wel op de Schrift. Daar is geen strijd tussen de Vader en de Zoon inzake de verlossing, doch een eenheid. Dit verbond der verlossing is bij uitstek een wederzijds vrij gesloten verbond. Daar is de eeuwigheid en daarin is God Drie-enig. Hij bewoont een ontoegankelijk licht. Wij kunnen over dat hoge Wezen niets zeggen uit onszelf. Doch de Schrift laat ons zien, dat er zekere onderhandelingen zijn gevoerd over het werk der verlossing en deszelfs uitvoering. Ik denk hier aan Psalm 40. Als ik van eerst mag spreken dan is er eerst de wil Gods om te verlossen. Dat is een vrije, souvereine wil om te herscheppen. Maar hoe zal deze herschepping uitgevoerd worden? Deze zal uitgevoerd worden verbondsgewijze. Weliswaar is Christus voorgekend en voorbestemd tot Middelaar. Doch dit sluit de vrijheid van Zijn handelen niet uit. Hij heeft lust om de wil Gods te doen. Vrijwillig komen de drie Personen van het Goddelijk Wezen overeen om te doen wat tot de verlossing en herschepping van de Kerke Gods nodig is.

De Zone Gods, tot Middelaar des Verbonds door God gesteld zijnde, wordt Borg voor twee dingen. 1. Dat Hij zal voldoen voor de zonden van allen, die de Vader Hem gegeven heeft. 2. Ook te zullen bewerken, dat zij, Hem ingeplant, de vrede in de consciëntie genieten, en van dag tot dag naar het beeld Gods vernieuwd worden. Christus heeft Zich om onzentwil als Middelaar aan het verbond der werken en aan de wet onderworpen en zowel de voorwaarde van dat vertoond in Zijn heilig leven vervuld alsook de vloek verduurd, die wij ons vanwege de verbreking van dit verbond waardig maakten. Wat doet de Vader ? Hij bepaalt in welke weg verlossing kan worden aangebracht. Hij verordineert het verbond aan de Borg. God de Zoon wordt Borg voor het volbrengen van de eis. Hij neemt op Zich in onze natuur te zullen verrichten, wat tot de behoudenis des zondaars nodig is. Aan God de H. Geest valt de toepassing des heils ten deel. Zo'n verbond ligt er dus tussen de Goddelijke Personen. Zeer vast ligt alzo de verlossing der uitverkorenen. De drie Personen waren en zijn zeer bewogen over de afgevallen wereld. Daar is niet alleen een besluit Gods, doch ook een onderling vertoond. Het ene bevestigt het andere. Verlossing is wel heel duidelijk een werk van God. Voor de 'mens is niets meer te doen overgebleven. De verwerving van het eeuwige leven komt hiermee in God te liggen, als een werk dat Hem alleen toekomt, waarin Zijn eer uitblinkt en waarvan, zonder op die eer af te dingen, niets aan het schepsel kan worden toegeschreven. Zolang de zondaar zelf iets tot zijn verlossing en vrijspraak moet toedoen, blijft het een onvast werk, doch bovendien komt God dan niet ten volle aan Zijn eer.

Daar is nog een grote zaak, die in de leer van het pactum salutis, het verbond des vredes, helder tot zijn recht komt. Het is de vernedering van de Knecht des Heren. Het verbond des heils maakt duidelijk, dat deze vernedering geheel vrijwillig was. De Vader heeft de Zoon tot Borg voorgekend, verordineerd, gesteld. Maar dan niet zo, dat dit buiten de wil des Zoons omging. De Zoon is uitverkoren om Verlosser en Zaligmaker te zijn, doch de Zoon heeft Zijn verkiezing vrijwillig aanvaard. Van alle kanten komt hier de liefde en de barmhartigheid Gods naar buiten. En dan is er nog iets. Het gaat over een geven van het hoogste en beste, — ik spreek naar de mens — wat God de Vader bezit. Alles wat wij over de Here zeggen is maar een stamelen, dooh hier wordt het een stamelen in het kwadraat. Maar toch wil de Schrift, dat wij er acht op slaan. Daar wordt gesproken van Gods eniggeboren Zoon. Of ook: Deze is Mijn geliefde Zoon. In Johannes 1 : 18 leren zelfs zeer goede — men zegt: de beste — handschriften: de eniggeboren God.

Wat is het een noodzakelijkheid, dat wij ingeleid worden in de heerlijkheid van Christus. De eerste inleiding heeft plaats door een ijverig onderzoek van de Heilige Schrift. Hoe wordt de Here Jezus geprezen in Philippenzen 2. Daar wordt gezegd, dat Christus in de gestalte Gods was. Hij heeft echter de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had verlaten en de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen, hoewel hij Gode gelijk was. In 2 Cor. 8 : 9 wordt de rijkdom van Christus voor Zijn geboorte en de armoe na Zijn geboorte tegenover elkaar gesteld. Wat een wonderlijke taal zou dit zijn wanneer hier alleen van een mens sprake was. Die heeft immers geen rijkdom voor zijn geboorte. Die God, die als Zoon eeuwig bij God was, heeft de Vader gegeven. Men komt daar niet over uitgedacht, als de H. Geest ons iets van Zijn heerlijkheid is begonnen te openbaren. Ons menselijk verstand schiet hier verre te kort. Daarom had Petrus het nodig, dat hem de waarheid omtrent Christin werd geopenbaard. Wat in het eeuwig besluit en in de Raad des Vredes vastgelegd is, moet ons, zover dat kan, verklaard worden. Dan zien wij de noodzakelijkheid van Christus voor ons. Wij weten niet of God nog een andere weg had kunnen gaan. Wij weten alleen, dat het God behaagd heeft Zijn Zoon te geven en dat de Zoon het daarmee geheel eens was.

En nu is de Christus en dus de gemeenschap met Hem voor ons beslist noodzakelijk. Ik moet een Borg en een Verlosser hebben. Hoe meer ik de noodzakelijkheid van Christus zie, Die alleen mijn schuld kan boeten en mijn Voorspraak zijn bij de Vader, hoe meer mijn hart naar Hem gelovig uitgaat. Dan moet ik zien hoe de Vader Hem heeft gegeven als de aller geschiktste voor dat werk der verlossing. In die weg moet Hij als zo gepast en begeerlijk voor mij verschijnen, dat ik alles wel zou willen missen als ik Hem maar niet hoef te missen. Wanneer ik de gepastheid van Christus zie, word ik innerlijk overtuigd, dat ik geen gelukkig uur meer zal kunnen hebben zolang ik Jezus mis. Het werk der zaligheid ligt onwrikbaar vast in God voor alle uitverkorenen. Doch wil het mij ten goede komen zo moet ik de algenoegzame volheid van Christus kennen. Ik moet weten, dat de grootste der zondaren nog gemakkelijk door Hem geholpen kan worden. Bij mij moet elke gedachte aan enige moeilijkheid in de weg tot de zaligheid worden weggenomen. Ik moet Christus zien als een volstrekt algenoegzame Zaligmaker, waar ik met al mijn zonden heen kan. In de Vrederaad was de Zoon gewillig en Hij is gekomen om Gods wil te doen. Wat wij 'nodig hebben is, dat wij deze gewilligheid persoonlijk leren kennen. En dan niet een algemene gewilligheid, doch een gewilligheid om juist mij, deze zondaar, zalig te maken. Het ware geloof richt zich niet op een belofte, dat God alle mensen zahgt, doch is een vrucht van de werking des H. Geestes, die in de uitverkoren zondaar het vertrouwen vastlegt, dat de Christus' niet alleen voor anderen, doch ook voor hem persoonlijk vergeving van zonde, eeuwige gerechtigheid en zaligheid verworven heeft. Hij leert Christus kennen als een zeer 'bereidwillige Heiland voor hem. En zo leert hij Jezus zelf kennen en van harte beminnen. Dus dat is wat God deed: Hij gaf Zijn Zoon als Borg.

We gaan nu zien wat dit inhoudt.

L. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's