DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 21
21
ZONDAG 18
Wat is het geloof?
In de vorige zondag heeft Calvijn de verklaring van de Apostolische belijdenis beëindigd. Het is dus nu de tijd, tot een slotsom te komen en samen te vatten, waarom het in deze belijdenis ging.
Dat gebeurt nu, waar Calvijn aan z'n catechisant vraagt: Nu we de grondslag kennen, waarop het geloof steunt, zullen we daaruit wel kunnen afleiden, wat het ware geloof is. Daarmee is de ondervraagde het geheel eens, blijkens wat hij antwoordt: Zeker, het is namelijk een zekere en vaste kennis van Gods liefde tot ons, zoals Hij zich door Zijn Evangelie ons doet kennen als onze Vader en Verlosser, door middel van de Here Jezus Christus.
Zo geeft Calvijn ook op andere plaatsen de betekenis van het geloof graag weer. Als we vertaalden: zekere kennis, bedoelt dat natuurlijk niet: een heel vage, onbepaalde kennis, want dat is het tegendeel van wat Calvijn bedoelt. Het geloof is zekerheid en wekt verzekerdheid; niet van ons uit, maar van God en Zijn beloften en Heilige Geest uit. Omdat 't geloof met zekere, dus gewisse zaken te maken heeft, zoals de Apostolische belijdenis ze voor ons stelde, daarom kan Calvijn ook van vastheid spreken. Gods beloften, in geloof beaamd, zijn zo vol en echt en betrouwbaar, dat er een huis op kan gebouwd worden, een huis voor tijd en eeuwigheid. En merkwaardig dan, dat voor Calvijn Gods liefde tot ons wel degelijk in het hart van het geloof staat en klopt. Men meent altijd weer, dat Calvijn die harde man is, man van Wet en toorn en we hebben nooit verheeld, hoezeer die bij Calvijn tot hun recht komen.
Door het geloof wordt Gods liefde gekend.
Maar het is volkomen onjuist, als een Luthers theoloog hierin Luther ver boven Calvijn wil verheffen en meent, dat men bij Calvijn niet zoals bij Luther van de uitspraken vindt, volgens welke de liefde heel Gods hart vult. Want reeds hier hebben we zo'n plaats en het valt heel niet moeilijk, er meerdere naast te zetten. Voor Calvijn hoort geloof en liefde samen; anders zou er toch ook van geen evangelie (goede, blijde tijding) kuimen sprake zijn? In dat Evangelie heeft God Zijn liefde verklaard en verklaart Hij ze nog; niet maar zo in het algemeen en in het vage, maar in dit zeer concrete, dat Hij in Christus Jezus ons, inpiaats van een Rechter, een Vader en Verlosser wil zijn.
Calvijn sprak van het kennen van Gods liefde. Dit is uiteraard een belangrijk punt: dit kennen van de liefde Gods in onze Here Jezus Christus. Dat doet de vraag stellen: Kunnen we die (kennis) van ons zelf hebben of komt ze van God? Het antwoord luidt: De Schrift leert ons, dat het een bijzondere gave van de Heilige Geest is en dat bewijst de ervaring ook. Beter dan hierover eerst te spreken, kunnen we er de volgende vraag en antwoord bij zetten, omdat daarin de verklaring van het vorige ligt opgesloten. Op de vraag van de dominee: Hoe moeten we dat verstaan? antwoordt de catechisant: Omdat ons verstaan te zwak is, om de geestelijke wijsheid Gods te verstaan, die ons door het geloof wordt geopenbaard, en onze harten geneigd zijn tot wantrouwen of wel tot verkeerd vertrouwen in ons zelf of in schepselen. Maar de Heilige Geest verlicht ons en stelt ons in staat om te verstaan, wat ons anders onbegrijpelijk zou zijn en sterkt óns tot verzekerdheid, door de beloften van het heil in onze harten te verzegelen en in te drukken.
Een verstandelijk geloof.
Uit deze uitleg verstaan we, hoe bang Calvijn is voor een ververstandelijkt geloof. Het geloof heeft niet vooral met ons kenvermogen, ons redelicht enz. te maken, maar het heeft van doen met de mens des harten. Hoewel het ook zeker Calvijn's overtuiging is, dat onze verstandelijke, vermogens ons niet in staat stellen God te kennen en hij zo de wijsgerig getinte bewijzen voor Gods bestaan, die vooral in de Roomse theologie zo belangrijk zijn, afwijst, laat hij hier deze hele zaak zelfs buiten beschouwing om er op te wijzen, dat we, van het geloof sprekend, in een geestelijker, „existentiële" sfeer verkeren. De vleselijke mens verstaat, in z'n levensrichting, niet de dingen die van de Geest van God zijn. Heel de gedachte van genade, rijk en vrij, is zo vreemd aan het natuurlijk wraakzuchtig menselijk denken en voelen, dat daarvan geen kennis, geen smaak wordt gevonden van de mens uit. Daar maakt de Heilige Geest onze harten ontvankelijk en toegankelijk voor en we verstaan reeds hier, dat dit een verandering van levenstoon en levensrichting betekent, die Calvijn doet zeggen, dat wij door dit geloof wedergeboren worden, andere, nieuwe mensen.
Daarnaast wijst hij op het wantrouwen, dat in ons mensen woont, maar dat, zeer vreemd, kan omslaan in een blind vertrouwen op ons zelf of andere schepselen. Daaruit verstaan we alweer, dat geloof vooral een zaak des harten is, omdat vandaar de uitgangen des levens zijn. Dan is het de Heilige Geest, die dat hart daartoe bestraalt, bewerkt, vernieuwt; er een kinderlijke zin in wekt, zodat de genade en het vertrouwen, die het deel der „Kinderen" zijn, erin leven kan. De beloften van het heil, die eerst buiten ons en tegenover ons stonden, komen zo in ons hart en leven te staan; de Heilige Geest bezegelt ze en drukt ze er in als in de zachte was en zo komt het tot een geloof, dat het goddelijk merkteken der echtheid draagt.
Geloof en zondebesef.
We merken er goed uit op, dat op de achtergrond van deze geloofsbeschouwing een diep zondebesef staat, dat daarom die gevallen en ontaarde mens ongeschikt tot Gods Rijk moet achten, tenzij van nieuws geboren. Het gaat in de kerkgeschiedenis altijd samen; oppervlakkige zondekennis kweekt een verstandelijk , , pelagiaans" geloofsbegrip; waar de zonde als véél en zwaar erkend wordt, daar gaat de mens aan de kant en daar komt het werk van de Heilige Geest tot zijn recht.
De vrucht van het geloof. — Osiander.
Welke vrucht heeft dat geloof voor ons, als wij het bezitten? Antwoord : Het rechtvaardigt ons voor God en doet ons het eeuwige leven verkrijgen. Na wat we gezegd hebben, kan het goed zijn, hier even uit te wijden over een merkwaardig man, wiens naam de meesten onzer onbekend is, hoewel iets en veel van zijn gedachten ook onder ons wel valt te ontmoeten en er wel mede de schuld van kan zijn, dat de , , bevinding" in zo kwade roep kan staan.
We bedoelen met die onbekende man de persoon van Andreas Osiander, een Duits hoogleraar. Osiander is bang, dat de enkele toerekening van Christus' gerechtigheid, zoals Calvijn die zo krachtig leert, een koud en arm soort christendom wekt. Hij heeft stellig met instemming gehoord, dat bij het brengen tot geloof de Heilige Geest het hart vernieuwt, bestraalt, van vleselijk geestelijk maakt. En dat brengt hem dan tot zijn (ketterse) leer: niet de toerekening van Christus' gerechtigheid stelt ons tot voor God rechtvaardig, maar pas dat innerlijke werk van de Geest in ons, waardoor wij dus ook werkelijk rechtvaardig worden. Dr. M. J. Arntzen, die onlangs over Osiander promoveerde, spreekt terecht van een mystieke rechtvaardigingsleer. Ons treft allicht, hoe Osiander daarmede weer in de oude- Roomse leer terugvalt, zonder dat te bedoelen. Maar we begrijpen, hopen we, ook dat Calvijn van deze zo geestelijke en mystieke theorie niets moet hebben. Nee: de rechtvaardiging is en blijft de rechtvaardiging van een goddeloze, door de toerekening van Christus' gerechtigheid. Dat de toerekening vruchten en gevolgen heeft, dat echte rechtvaardiging echte heiliging wekt, is een heel andere zaak, want die gevolgen zijn niet de grond des geloofs en der rechtvaardiging, maar een gevolg ervan. Op gelijke wijze kunnen we zeggen, dat het geloof dat rechtvaardigt, bevinding meebrengt en zonder die ook niet werkelijk leeft. Maar het is een terugkeer tot Osiander's dwaalleer, wanneer dat onder ons nog al eens wordt omgekeerd en de bevinding tot grond van geloof en rechtvaardiging wordt gemaakt, wat ze immers nooit zijn kan.
Calvijn zegt van het geloof, dat het rechtvaardigt, d.w.z. tot rechtvaardige stelt in Gods oordeel. Dat is de poort ten leven: in Christus gelovende, met niets dan met Zijn gerechtigheid als oirze bekleding en onze rijkdom, smaken wij, wat eeuwig (= werkelijk, echt) leven is. Wat daarvoor en daarbuiten ligt, was en is enkel namaak en bedrog.
Geloof en goede werken.
Waar van geloof en rechtvaardiging sprake is, komen de goede werken mede in het gezicht. We denken aan Paulus en Jacobus en aan de tegenspraak, die men (vergeefs) in hun woorden heeft willen ontdekken. Als Calvijn nu, tegen Rome en tegen Osiander het geloof zo verbindt aan de rechtvaardiging, dus aan Gods genade in Christus, moet hij natuurlijk Roomsen en anderen de vraag in de mond geven: Ja maar: wordt de mens dan niet gerechtvaardigd door goede werken, door heilig en overeenkomstig Gods wil te leven? U merkt wel, daar staan Roomse, Liberale, Osiandrische gedachten voor en tegenover ons. Calvijn's antwoord luidt: Als er iemand bestond, die volmaakt was, zou men hem rechtvaardig kunnen noemen. Maar daar wij allen arme zondaars zijn, moeten wij onze waardigheid elders zoeken, om te beantwoorden aan het oordeel Gods.
Wedergeborene en arme zondaar.
Als bij Osiander de gerechtvaardigde, herboren mens en christen wat , , wordt" in eigen ogen en, naar hij hoopt, ook in Gods oordeel, dan blijkt ons hier, hoe weinig dat voor Calvijn kan gelden. Hij sprak van een verlichting (wedergeboorte) door de H. Geest. Maar dat moet dan betekenen, dat de wedergeboorte niet leidt tot geestelijke weelde, waarop zelfverheffing licht volgt, maar dat integendeel, de herboren, gelovige mens met Calvijn instemt en zegt: Ja, dat ben ik geweest en gebleven: een arm zondaar. Het betekent niet, dat de wedergeboorte ons zo'n nieuwe geestelijke natuur verleent, dat we nu het oude voor afgelopen verklaren en dit nieuwe alleen doen gelden. De christelijke zelfbeoordeling, die altijd zelf veroordeling insluit, erkent ootmoedig en dankbaar dat verlichtende, vernieuwende werk van de H. Geest. Daardoor wordt het eeuwige leven gekend en gesmaakt. Maar zo weinig vervult dit nieuwe ons hele bestaan, dat Calvijn zeggen kan, dat Gods heiligen, als het spant en er op aankomt, in de vergeving, dus weer en nog in de rechtvaardiging het anker van hun ziel hebben. We merken hier, dat de afstand tussen Calvijn en Kohlbrugge, ook in deze niet groot is, al is alles ook niet gelijk.
Begrijpelijk dan, dat, hoezeer de goede werken in de heiliging gewaardeerd worden (nochtans ook daar zeer getemperd), ze in de rechtvaardiging bepaald niet kunnen en niet mogen meespreken. Arme zondaars moeten van elders hun „waardigheid" halen, of ze halen die nergens vandaan. Na hetgeen gezegd werd, is het niet onduidelijk, waar Calvijn heen verwijst: in Christus is de schatkamer, ook der goede werken. Arme zondaars hebben daar him rijkdom, krijgen er iets en veel van mee in hun leven, opdat hun Vader erin geprezen worde. Maar ze erkennen: Het beste en laatste blijft in de schatkamer, veilig bewaard, tot Christus' Dag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 juli 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's