GLAD GEVIJLD OF BIJGEPUNT?
„De woorden der wijzen zijn gelijk prikkelen en gelijk nagelen". Prediker 12 : 11a.
Wij mensen houden er niet van ons te wonden. 't Is helemaal niet prettig om je huid open te rijten aan een scherpe doorn, of, in het algemeen, aan iets puntigs: een speld of naald, een glasschilfer, een uitstekende rotspunt. Als het gebeurt hebben velen moeite om ruwe verwensingen binnen de omheining van hun tanden te houden, al spreken ze doorgaans geen onvertogen woord. Wanneer ergens een spijkerpunt doorsteekt, en we lopen gevaar ons aan dit uitsteeksel te bezeren, dan doen we verstandig die punt zo snel mogelijk glad te vijlen. Haal de vijl over alles, wat u zou kunnen kwetsen. We vinden dit allemaal een goede raad, en we gedragen ons ernaar, al wordt anderzijds de put pas gedempt, wanneer het kalf verdronken is.
Ook op het terrein van de onderlinge discussies wachten we er ons voor onnodig scherp te zijn. Ongetwijfeld een goede gewoonte. Het is niet bijbels om grof te zijn en onze naaste onbetamelijke verwijten te maken, hem innerlijk te wonden en te kwetsen. U moet er de verklaring van de Heidelbergse Catechismus inzake het gebod , , gij zult niet doodslaan" nog maar eens op nalezen. Vijl dat venijnig scherpe puntje van uw tong maar af! U weet toch, dat de scherpst gepunte dolk, gedompeld in het dodelijkste gif, nog niet zo'n gevaarlijk wapen is als de menselijke tong? Jacobus noemde de tong een vuur, een wereld der ongerechtigheid, een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn!
Uw rede zij ten allen tijde in aangenaamheid, al mag het geen laffe, smakeloze conversatie zijn, want zij behoort, naar des apostels vermaan, met zout besprengd te wezen. In het dagelijkse leven trachten wij onze naaste niet te prikkelen, want ook wij wensen niet geprikkeld te worden. We ergeren ons aan lieden, die van die zure, wrange opmerkingen maken; geniepig, onder tafel, speldeprikken kunnen geven, steken uitdelen onder water.
Dat heeft men maar te laten. Wij houden van een soepel, vlot gesprek. Velen horen zelfs graag vleierijtjes : spreek mij van liefelijke dingen. Ergens vinden wij het prettig om woorden te horen, die onze hoogmoed strelen. Ach ja, laten we er maar niet omheen draaien en schaamrood het hoofd buigen : zo is het, en niet anders! Laten we er evenwel van overtuigd zijn, dat een ware vriend ons onze feilen toont. Dat doet een ware vriend niet bits, onvriendelijk of onbeleefd. Als het wèl is, drijft en dringt hem de liefde van Christus. En in zo'n geval geldt altijd: , , d' oprechte sla mij zonder vrezen, Ik reken zulks weldadigheid, En Zijn bestraffing, die niet vleit, Zal olie voor mijn schedel wezen".
Wanneer nu in aardse vriendschapsverhoudingen al geldt dat men soms wonden moet om te genezen, hoe noodzakelijk is het dan dat in de verkondiging des Woords geen afgesleten en afgevijlde frasen worden gebezigd, doch scherpgeslepen, bijgepunte woorden worden gebruikt.
De woorden der dwazen zijn kromgebogen, verroeste spijkers. Ze zijn ondeugdelijk. Ze kunnen niet in het hout gedreven worden. De dwazen prediken: u behoeft u nergens ongerust over te maken. God is een God van liefde. Christus is een lieve Heiland. We worden straks allemaal zalig; we zijn, zonder onderscheid allemaal op reis naar een hemel van louter glans en heerlijkheid. Vrede, vrede, en geen gevaar.
De woorden der dwazen wonden niet. Ze zijn gladgevijld en niet bijgepunt. Ze zijn te vergelijken met een slaapdrankje of morphinespuitje. Een mens, die ze hoort, roept nooit eens , , au"; houdt op: je doet me pijn!
De dwaalleraars in Paulus' dagen spraken woorden der dwazen. En in de dagen van de Prediker werden die woorden gehoord, zogoed als ze vandaag beluisterd worden.
Maar Prediker en Paulus, en alle Bijbelschrijvers en allen, die heden vertolkers begeren te zijn van het gezonde Woord Gods, spreken woorden van wijsheid. Het Woord der wijsheid is het woord, dat de wereld dwaasheid acht, omdat het is het Woord des kruises. Maar dat Woord des kruises is de prediking van Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods.
Onze eigen inzichten, opvattingen, meningen, die niet getoetst zijn aan de Schrift, niet conform het Woord, zijn woorden van dwaasheid. Het dwaze Gods is wijzer dan de mensen. Wie het dwaze Gods predikt, spreekt woorden der wijzen. En die woorden zijn prikkelen en nagelen. Die gaan, als een scherpsnijdend zwaard, door, zó diep, dat ze vaneen scheiden ziel en geest, gewrichten en merg, en schiften overleggingen en gedachten des harten.
Het lichaam aan scherpe uitsteeksels wonden is verre van aangenaam. Maar innerlijk door 't zwaard van het Woord getroffen te worden is alleen maar heilzaam. Als het hout kon spreken, zou het tot de timmerman zeggen: , , waarom wondt ge me zo? Waarom drijft ge de spijker zo diep in? " De vakman doet het alleen maar tot het welzijn van het hout. Er moet toch een degelijk huis gebouwd worden? Het meubel mag toch niet wankel zijn, maar het dient toch stevig in elkaar te zitten?
Klaag dan maar niet, mens, als de prediking ontdekkend is, pijn doet, u innerlijk wondt. Klaag maar niet over de prikkels en nagels, scherp bijgepunt, die u gedreven worden in de ziel, als u gepredikt wordt uw diepe val, uw onmacht en onwil om u te bekeren, uw vleselijk-zijn, uw verkocht zijn onder de zonde, de noodzakelijkheid van het sterven van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Als u in de kerk nooit gestoken of geprikkeld bent, dan hebt u óf een schildpadhuid óf de prediking deugde niet. Dan was de prediking niet een woord van wijsheid. Dan was de pijl niet bijgepunt, maar afgevijld. Dan was het zwaard verroest of krom gebogen.
Gezegend de mens, in wiens hart een spijker werd geslagen, door de hamer van Woord en Geest. De nagel van het Woord is iets anders dan de bijtende, sarcastische, bittere prediking, waarin sommigen behagen scheppen. Door de woorden der wijzen wordt een zondaar in de engte gedreven, opdat hij tot Christus zou leren roepen om uitredding. Opdat de bange twijfeling zou leren zwijgen. Opdat onvaste twijfelmoedige zielen zouden gaan verstaan : de vastheid is alleen in Christus.
De woorden der wijzen, deze nagelen en prikkelen, moeten ons doen beseffen (en ik eindig nu met een opmerking van Van der Groe, uit zijn brieven, geschreven aan Susanna Bosman): , , als het niet wordt: Christus waarachtig gewillig en ik dodelijk onwillig, vijandig ongelovig, dan kan een mens zich wel alle dagen bekommeren en veel goede dingen hebben en toch, in het einde, verloren gaan".
Ge zult, als een gebetene door de slang, enkel oog moeten hebben op de Verlosser der wereld.
, , Niets uit ons, maar al uit Hem, zo kom ik in Jeruzalem".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's