De Engelen Gods 1
Wanneer voor bovenstaand onderwerp in enkele artikelen uw aandacht gevraagd wordt, dunkt mij enige verdediging daarvan niet overbodig, 't Zou mij namelijk niet bevreemden, wanneer de eerste reactie van meerderen zou zijn: moet een dergelijk onderwerp nu aan de orde gesteld worden? Heeft dat nu werkelijk voor ons wel enige betekenis? Toch bewijzen dergelijke opmerkingen nu juist, hoe nodig het is, om ons eens nader in ons onderwerp te verdiepen. Terwijl immers in de Heilige Schrift zo heel vaak gesproken wordt over de engelen, staan zij in onze gedachten veel te veel op de achtergrond. Maar al te zeer gaan wij aan hun verschijning en betekenis voorbij.
Welnu, dit moet worden tegengegaan, want het onthoudt ons alle gemeenschap met een rijk en heerlijk leven dat bestaat, en waarvan God gewild heeft, dat het bestaan zou ook voor ons en voor ons bewustzijn. Christus heeft zelfs in het , , Onze Vader" het bestaan der engelen ingevlochten, en zo onze biddende gemeenschap met God aan de engelenwereld verbonden: , , Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde", dat is: , , Geef, dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in de hemel doen" (zondag 49, Heid. Cat.).
Nu rijst hier al direct de vraag, waar eigenlijk de oorzaak ligt van het feit, dat de engelen-wereld voor ons — en wij mogen wel zeggen: voor de protestanten in het algemeen — een veelal verwaarloosd hoofdstuk is. Welnu, ongetwijfeld is dit mede een gevolg van het protest door Reformatie tegen de heiligenaanbidding. Eenparig wezen de Hervormers met alle beslistheid de verering en aanroeping der heiligen en engelen af, zoals deze bij Rome gevonden werd en wordt. Terecht stelden zij Christus als de enige Middelaar weer in het centrum van het leven des geloofs. En die afwijzing van de godsdienstige verering der engelen houdt in, dat de engelen geen onmisbaar element zijn in het geestelijk leven. Zij zijn de bewerkers niet van ons heil, niet de grond van ons vertrouwen, het voorwerp niet van onze verering; niet met hen, maar met God staan wij in gemeenschap; zelfs verschijnen zij ons thans niet meer, en heeft alle bijzondere openbaring door bemiddeling van engelen opgehouden. De engelen kunnen en mogen bij ons niet die plaats innemen, welke hun door Rome is ingeruimd. Maar dat betekent weer niet, dat alle betekenis van de wereld der engelen voor het geestelijke leven moet ontkend worden.
Wanneer wij onze belijdenisgeschriften opslaan, valt ons op, dat daarin van de engelen zeer weinig sprake is. Zij worden vermeld in de bovengenoemde zondag van de Catechismus, terwijl zij, wat uitvoeriger, ook nog ter sprake komen in art. 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Deze soberheid getuigt stellig van wijsheid. Steeds weer zullen wij ons moeten herinneren dat het denken en spreken over de engelen niet zonder gevaar is. In tweeërlei opzicht dreigt hier een noodlottige ontsporing. In de heilshistorie komt de centrale plaats toe aan Christus, en het gevaar dat versterkte aandacht voor de engelen een verslapping van de aandacht voor Hém betekent, is allerminst denkbeeldig. Wij doen Christus onrecht, wanneer wij aandacht die Hém toekomt, geven aan de engelen. Maar wij doen Hem óók onrecht, wanneer wij de engelen, aan wie Hij wél aandacht schonk, geen blik, geen overweging zelfs waardig keuren!
Bovendien dreigt het gevaar — de geschiedenis bewijst het — dat wij meer van de onzienlijke wereld der geesten willen weten dan Gods Woord ons voorstelt. Ook bij een onderwerp als het onze, hebben wij het woord van Calvijn ter harte te nemen: , , Laat ons er op bedacht zijn ons te hoeden voor al te grote nieuwsgierigheid in het onderzoeken, of al te grote stoutmoedigheid in het spreken." Ook hier moet , , één regel van bescheidenheid en matigheid in acht genomen worden, namelijk deze, dat wij over duistere zaken niets anders moeten spreken, of gevoelen, of ook begeren te weten dan wat in Gods Woord ons meegedeeld is", en tevens, , , dat wij bij het lezen der Schrift ons voortdurend bezig houden met het zoeken en overdenken van die dingen, die tot opbouwing dienen, en niet toegeven aan nieuwsgierigheid of het najagen van onnutte dingen".
Het bestaan der engelen werd intussen in de loop der tijden door velen ontkend. Volgens Handelingen 23 : 8 door de Sadduceërs. Wij lezen daar: „Want de Sadduceërs zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest; maar de Farizeen belijden het beide. De voorname priesterpartij der Sadduceërs stond, in tegenstelling tot de machtige partij der Farizeen, open voor de Grieks-Romeinse invloeden. Hieruit moeten hun afwijkende opvattingen stellig mede verklaard worden.
In latere tijden werd het bestaan der engelen ook geloochend door de volgelingen van de dweper David Joris († 1556) en door verschillende wijsgeren, o.a. Spinoza († 1677). Tegen het einde van de 17de eeuw werd de kerkelijke wereld in ons land in hevige beroering gelbracht door een uitvoerig geschrift van de predikant Balthasar Bekker, getiteld: , , Betoverde Werelt". Bekker bedoelde met zijn werk een krachtige bestrijding te leveren van het geloof in toverij en hekserij, en heeft in dit opzicht zeker zijn verdiensten gehad. Want genoemd soort bijgeloof was in die dagen geen zeldzaamheid! In zijn ijver ging Bekker echter te ver. Hij ontkende wel niet het bestaan der engelen, maar loochende toch de inwerking van engelen, goede zowel als kwade, op de stoffelijke wereld, en kwam daarmee in strijd met de duidelijke uitspraken der Heilige Schrift. Ook leerde hij, evenals Spinoza, dat Christus en Zijn apostelen zich in hun uitspraken over de engelen telkens hadden aangepast bij de opvattingen van hun tijdgenoten. Christus zelf en de apostelen zouden wel anders en beter geweten hebben!
Tenslotte bleef er vooral in de vorige eeuw van de engelenwereld weinig over. Alles moest naar de regels van het natuurlijke leven verklaard worden: Heel de leer van geesten der engelen was goed geweest voor een tijd, toen men de werking der natuurkrachten nog niet kende en derhalve allerlei verschijnselen toeschreef aan een geheimzinnige, bovenzinnelijke oorzaak. Nog wist men wel niet alles, maar de wetenschap zou spoedig al wat nog geheimzinnig leek, uit geconstateerde oorzaken verklafen. Alle geloof aan het bestaan van geesten was dan ook der verdwijning nabij.
Merkwaardig is, dat tegenover deze miskenning van de wereld der onzienlijke dingen een reactie opkwam in het spiritisme, waarbij contact gezocht wordt met geesten uit de onzichtbare wereld. Inderdaad, in de wereld van het stoffelijke kan het menselijke hart geen voldoening en vrede vinden. Maar wie in de vragen inzake de bovenzinnelijke dingen zich niet stelt op de vaste bodem der Heilige Schrift, vervalt daarbij in allerlei bijgeloof, waarin geen bevrijding en troost gevonden wordt.
Wij willen in een volgend artikel dan ook gaan luisteren naar wat Gods Woord ons over de wereld der engelen meedeelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's