DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK II, ARTIKEL 2. Maar alzo wij zelve niet kunnen genoegdoen, en ons van de toorn Gods bevrijden, zo heeft God uit oneindige barmhartigheid Zijn eniggeboren Zoon, ons tot een borg gegeven, die, opdat Hij voor ons zou genoegdoen, voor ons of in onze plaats, zonde en vervloeking aan 't kruis geworden is.
L VROEGINDEWEIJ
Dit keer geven we onze aandacht aan het borgtochtelijke in het werk van Christus. Een borg treedt in functie als er een schuldenaar is, voor wie hij borg gesproken heeft, en als die schuldenaar in gebreke blijft. De mens is de schuldige. Hij is schuldenaar voor God. De wet Gods eist een volmaakte gehoorzaamheid. , , Doe dat en gij zult leven". Maar wie de wet Gods niet houdt moet sterven. Die is vervloekt. Voor hem is de buitenste duisternis, ver van God, Die een ontoegankelijk licht bewoont. De mens heeft Gods wet niet gehouden en in zijn gevallen staat kan hij haar niet houden. Zo ligt ieder mens verloren. Door de zonde hebben wij Gods wet omvergeworpen, die de grondslag van het leven is. Wij hebben in Adam gezondigd en zijn gedurig bezig door onze dagelijkse zonden de wet Gods om te werpen. Wat is het gevolg daarvan? De toorn Gods, de vloek, de dood, de hel en zoveel meer. Wil God nu de zonde niet ongestraft laten? Neen, dat kan Hij niet, want God is Rechter. Het behoort tot Zijn Wezen om de zonde te straffen. Hoezeer of dit tot Gods Wezen behoort lezen we in Exodus 34 : 7 : Hij houdt de schuldige geenszins onschuldig. In Ps. 92 staat: „Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheden van Gods troon". In Jesaja 26 lezen we: „Wanneer Gods gerichten op de aarde zijn zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid". Tot de gerechtigheid Gods behoort onafscheidelijk loon en straf en vergelding. In de brieven van de Apostel Paulus wordt het duidelijk uitgesproken, dat zijn evangelie er van uitgaat, dat God de Rechter is, die straft en beloont, gehoorzaamheid eisende.
Paulus Iaat ook duidelijk zien, dat de mensheid aan de zonde verslaafd is en schuldig voor God. Op dit punt staat de H. Schrift recht tegenover het jodendom. Daar gold de gedachte van de optimist: Ik kan de wet vervullen. Maar bij Paulus was de synagogale vroomheid volkomen ingestort. Daar was echter wel de stelling van overgebleven: Alleen de rechtvaardige kan in waarheid met God gemeenschap hebben. Rechtvaardig kan men echter alleen zijn door Christus en niet uit zijn eigen werken.
Wat heeft dan Christus gedaan? Hij is als Borg gegeven en opgetreden zegt ons artikel. Komt dat woord ook in de Schrift voor? Met betrekking op mensen meermalen. Juda bood zich volgens Gen. 43 aan om borg te staan voor Benjamin. Hiskia bad: , , 0, Here wees Gij mijn Borg". Daar is zeker bedoeld, dat God zorgt voor het leven van de koning. Van Jezusi wordt het woord gebruikt in Hehr. 7 : 22: „Van een zoveel beter verbond is Jezus 'borg geworden". Wat betekenen deze woorden? De H. Schrift gebruikt hier een woord, dat men door testament kan vertalen. Het is een verbond, dat sterk eenzijdig is en waarin de mens alleen voorkomt als ontvangende. Het is een openbaring der genade met de naam testament, waardoor aan Gods volk als erfgenamen iets wordt toegezegd n.l. het eeuwige leven en de vergeving van zonden. Als er van een testament sprake is, moet er iemand sterven tot bevestiging van dit testament. Onder Israël was het zo, dat tot vaststelling van het verbond vele priesters vele offers moesten slachten, opdat het ver'bond van kracht zou zijn. , .Zonder bloedstorting geen vergeving".
Maar met dit beter verbond ligt het anders. Daar zijn niet de vele priesters, doch is de ene Hogepriester. Hij is er Borg voor, dat de beschikkingen van dit testament zullen worden uitgevoerd. Hij brengt niet de vele offers, doch heeft eenmaal zichzelf opgeofferd. Als Borg van dit testament moet Jezus sterven, willen de erfgenamen de baten der erfstelling verkrijgen. Bij deze tekst wordt menigmaal de tegenstelling gemaakt, dat Jezus niet voor ons instaat bij God, maar bij ons instaat voor Gods genadebeschikking. Zeker, zeg ik, maar Hij kan alleen bij ons instaan door de offerande van Zich Zelf. Door Zijn gehoorzaamheid in leven en sterven, door Zichzelf ten offer en tot losprijs te geven, door al Zijn werk geeft Hij ons de zekerheid, dat Gods verbond zal worden uitgevoerd.
Behalve deze tekst is er nog veelmeer in de H. Schrift, die het spreken over Christus als Borg rechtvaardigt. De kenmerkende eigenschap van een borg is, dat hij voor anderen betaalt. We denken nu aan Marcus 10 : 45. , , Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn Ziel te geven tot een rantsoen voor velen". In deze tekst heeft elk woord bijzondere waarde. Jezus handelt hier voor velen. Kittel's woordenboek wil velen beschouwen als een onbepaalde menigte. Dit in tegenstelling met hen, die van allen willen spreken. Wat is nu voor? Is dit , , ten behoeve van of „in plaats van"? Het laatste verdient hier de voorkeur. Het woord „anti" betekent allereerst „in plaats van" b.v. kwaad voor kwaad vergelden (Rom. 12 : 17) en de hele tekst wijst ontegenzeggelijk naar de plaatsvervanging. Jezus geeft Zijn leven in de plaats van velen. Het is niet een geven voor velen, maar een losprijs in de plaats van velen.
Waarvan worden de velen vrij? Het staat er niet, maar de Heiland zag het ongeluk, de dood der mensen bestaan in het gescheiden zijn van God, het overgeleverd zijn aan Gods gericht, hun zonde. Dat weet ieder. Dus moeten de velen vrij worden van deze dingen. Dat velen van de zonde vrij worden, zodat zij rechtmatig en dus voor goed van haar zijn bevrijd is de vrucht van het sterven van Jezus. Deze vrucht kan zijn sterven hebben, omdat Hij de Zoon des mensen, d.i. de van God gegeven Messias is. Wij zouden zeggen: God en mens in één Persoon.
In deze tekst wordt de plaatsvervanging duidelijk geleerd. De woorden uit artikel 2: , , Voor ons of in onze plaats" zijn Schriftuurlijk verantwoord. We worden er mee herinnerd aan Marcus 8 : 37: , , Of wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel? " Hier is het antwoord. Christus heeft Zichzelf gegeven tot lossing van de ziel der velen. Wat niemand ooit heeft gekund, heeft Hij gedaan, die de Zoon Gods is.
Wat is nu met losgeld bedoeld? In het O.T. is de losprijs een betaling voor een verbeurd leven. In Exodus 21 is sprake van een boer en een os. De laatste doodt een man. Dan moet de os en de boer ook gedood worden. Het is echter mogelijk, dat de familie van de gedode genoegen neemt met losgeld. Daarvan staat in vers 30: , , Indien hem losgeld opgelegd wordt, zo zal hij tot lossing zijner ziel geven naar alles, wat hem zal opgelegd worden". De mogelijkheid van zulk een betaling berust op de goedwilligheid van hem, aan wie zulk een betaling wordt aangeboden.
Dit geven van een losgeld betekent dus een bevrijding uit een toestand van schuld. Hierbij kan slechts gedacht worden aan de schuldverhouding, waarin de mens zich tegenover God bevindt. Prof. A. M. Brouwer meent, dat hier alleen gedacht is aan het loskopen van krijgsgevangenen of slaven. Dit zou dan een beeld zijn om de verlossing van de zondemacht aanschouwelijk te maken. Ik ben nooit zo erg gelukkig met dit soort pogen om alles in beelden en symbolen op te lossen, waarachter de werkelijkheid verdwijnt. Prof Brouwer moet dan al direct verklaren, dat het zeer beslist verboden is om te vragen aan wie de prijs betaald moet worden. Het ligt echter veel meer voor de hand om hier aan schuld te denken. Daarom kan er ook geen twijfel over bestaan aan wie deze prijs betaald moet worden. Het staat wel niet met zoveel woorden in de tekst, maar men moet zichzelf dwang aandoen als men deze vraag wil onderdrukken. Het antwoord ligt trouwens voor de hand. Men kan hier een vergelijking maken met Galaten 3 : 13. Daar lezen we, dat Christus ons verlost heeft van de vloek der wet. Dat „verlossen" betekent vrijkopen. De vloek der wet is Gods vloek. Aan wie moet dan de koopprijs anders betaald worden dan aan Hem, Die de vloek uitsprak? Zo is het ook in Marcus 10 : 45. Hier is het een toestand van schuld tegenover God, waaruit de mens moet worden verlost. AanHemmoet de losprijs wordenbetaald.
Wie dient de Here Jezus? Hij dient God in Zijn sterven. God verlangt het lijden van Zijn Zoon. Daar is een moeten in dat lijden. Dat is een moeten, omdat God het wil. God slaat en kastijdt de Zoon. Van betalen aan de duivel is geen sprake. De satan wil veel liever Jezus van de weg des lijdens afdringen (Marcus 8 : 33). Het is niet aan de duivel, dat moet worden genoeg gedaan. God Zelf heeft de mensheid onder de vloek besloten. God Zelf kwam in het paradijs de zondaar veroordelen. Nochtans wordt Hij niet genoemd uit diepe eerbied voor de Rechter. Christus betaalt. Hij staat in de plaats der velen. De Vader laat aan Hem de drinkbeker niet voorbijgaan. Hij wordt van God verlaten in de plaats der velen. Jezus offert plaatsvervangend Zichzelf. Hij is voor ons of in onze plaats zonde en vervloeking aan het kruis geworden. Ik geloof niet, dat het geoorloofd is aan het plaatsvervangende van het werk des Verlossers te twijfelen. Voorts meen ik, dat er ons ook iets van geopenbaard wordt, wat de drie-enige God met dit lijden en sterven bedoelde. Het is niet bijbels te bewijzen, dat hier een afschrikwekkend voorbeeld gesteld moest worden en ook gaat het niet over een bewijs van Gods onbeperkte liefde. Jezus nam weg, wat er tussen God en mens instaat. Wat staat er tussen in? De zonde, de vloek, de schuld des doods. Om deze oneindige bergen tussen God en mens weg te nemen, is Jezus een vloek geworden en heeft Hij Zijn leven als losprijs gegeven en is Hij tot zonde gemaakt. Wie kan er nu toch met enige houdbare grond beweren, dat er van geen plaatsvervanging mag worden gesproken? Aan Gods recht wordt door Hem voldaan. In het lijden en sterven van Christus komt het recht Gods tegen de zonde openbaar.
Zowel wat zonde als wat vergeving betekent kan. pas verstaan worden in de dood van de door God Zelf daartoe gezonden Zoon des mensen. Plaasbekledend geeft deze het losgeld. Ongetwijfeld is er verband tussen onze tekst en Jesaja 53. In het licht van dit hoofdstuk wordt de plaatsbekleding nog duidelijker. In Jesaja 53 : 10 wordt de prijs, die de knecht des Heren brengt uitdrukkelijk het schuldoffer genoemd. Welnu, in het schuldoffer staat de idee van de voldoening aan het geschonden goddelijk recht op de voorgrond. Daarom zegt de Apostel in Romeinen 5:8: , , Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog vijanden waren".
Wanneer daar niet aan enige Goddelijke noodzaak werd voldaan, zou het sterven geen sterven kunnen zijn ten behoeve van anderen. Dan was het alleen maar een betreurenswaardig feit, zoals zovele sterfgevallen. Maar neen. Het sterven van onze Heiland had een doel en was een moeten. Hij heeft weggedaan wat tussen God en Zijn volk instond. Hij is tot een schuldoffer gesteld en Hijzelf was de losprijs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's