De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 22

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 22

Zondag 19

8 minuten leestijd

Goede werken.

Goede werken, vermeende en echte, zijn in de loop der eeuwen veel besproken. We letten er vorig maal op, dat Calvijn ze hoog waardeert, als vrucht der rechtvaardiging, maar volstrekt niet als grond daarvan.

Die goede werken werden dus aan het slot van de vorige zondag afgewezen, in zoverre, dat ze geen grond voor de genadige vergeving uitmaken. Het laat zich echter denken, dat de liefhebbers dezer goede werken het daarbij zo niet laten zitten en Calvijn geeft a.h.w. aan één ervan het woord, om aan z'n gemoed lucht te geven. Hij doet dat onder deze bewoordingen: Maar zijn al onze werken dan zo verwerpelijk, dat ze ons geen genade bij God kunnen verwerven ?

Daarop zou Calvijn kort en bondig kunnen antwoorden: Ja, dat zijn ze. Immers ook onze christelijke goede werken kunnen zelf ook allerminst de toets van Gods kritiek doorstaan. Toch maakt hij onderscheid: de werken, die de christen deed en die door geloof zijn gedragen, wil God genadig aannemen, erin toedekkend, hetgeen onder de maat des heiligdoms was.

Deze onderscheiding schijnt al door in deze onze vraag, al wordt ze nog niet openlijk uitgesproken. Luister maar: Vóór alles: alle werken die wij doen krachtens onze eigen aard, zijn vol gebrek en bijgevolg kunnen ze God niet behagen, maar Hij veroordeelt ze alle. Daar spreekt Calvijn kennelijk van „de werken van het vlees", van de natuurlijke mens. En van hem kan hij niet anders zeggen, dan dat in dit vlees geen goeds woont en dat er dus ook niets goeds uit voortkomt Daarmee is gezegd, dat er van goede werken vanuit die wortel nooit sprake kan zijn. Onze werken zijn inderdaad verwerpelijk, de Here kan er niets mee beginnen, wij zelf ook niet, al kan het voor een tijd anders lijken.

Dit antwoord is werkelijk overduidelijk. Toch blijkt Calvijn een goed mensenkenner, doordat hij de genoemde liefhebber van goede werken nog laat vragen: Dus je zegt, dat vóór God ons in genade heeft aangenomen, we enkel zondigen kunnen, zoals een slechte boom alleen slechte vruchten kan voortbrengen? De leerling krabbelt niet terug, maar antwoordt: Inderdaad. Want al lijken onze werken van buiten nog wat moois, toch zijn ze slecht, omdat ons hart verdorven is en God dat aanziet.

Als we dit harde, maar ware antwoord horen, komt ons in gedachte, hoe Augustinus, Calvijn's zeer vereerde leermeester, vóór hem hetzelfde uitsprak, als hij de deugden der heidenen noemde: blinkende ondeugden. Calvijn toont zich mensenkenner en theoloog, door niet op humanistische manier te spreken over de natuurlijke goedheid van de mens, door te letten op deze of gene goedige opwellingen en dgl. Maar hij raakt de wortel, als hij zegt: Het lijkt van buiten vaak nog wel mooi. Maar het hart is tenslotte in het geding. Dat geeft aan het werk zijn waarde. En eer dat hart uit de genade Gods., uit het geloof in Christus leeft, kan het enkel boos zijn en dus z'n werken ook.

Deze beoordeling van de natuurlijke deugden der heidenen en natuurlijke mensen zal o.i, op geen manier moeten worden verzwakt. We wijzen er alleen op, dat Calvijn's oordeel lang niet door allen gedeeld wordt. Zo was Zwingli diep onder de indruk van de deugzame heidenen, zag daarin een werking van de Heilige Geest en ruimde aan deze deugdzame en , , gelovige" heidenen een plaats in de hemel toe. Anderen, vooral binnen de Nadere Reformatie, hebben die goede werken, die burgerlijke correctheid der heidenen wel gebruikt als middel, om de christenen te beschamen en op te wekken tot een echt christelijk leven. Zo schreef Ridderus z'n boekje: Beschaamde christen overtuygt door het leven van heydenen en Van Lodenstein kent dergelijke gedachten. Het is echter duidelijk, dat deze gang van zaken niets afdoet van Calvijn's oordeel, waarvan we niet aarzelen te zeggen, dat het volop schriftuurlijk is.

Het bleef dus bij het in de eerste vraag gestelde. Nog wat verder haalt de catecheet uit, als hij vraagt: Besluit je daaruit, dat wij God niet kunnen vóórkomen met onze verdiensten van Hem er toe te brengen, ons goedgezind ie zijn, maar dat we integendeel Hem enkel tegen ons opzetten?

De gedachte van die vóórkomende goede werken herinnert even aan de middeleeuwse theologie, waar vóórkomende en navolgende genade zeer bekend zijn. Voor alle eerlijkheid zij even gezegd, dat, wat Calvijn hier stelt, niet bedoelt, een weergave van de Roomse zienswijze te zijn. Naar ons oordeel heeft Calvijn hier (en zoveel vaker) een libertijnse, volkomen onreligieuze denkwijze op het oog. Rome ontkent nl. ten sterkste, dat de natuurlijke mens, van zichzelf uit, goede werken zou hebben of doen. Ook Rome weet van vóórkomende 'genade, al is het daarmee dan wel zeer royaal en oppervlakkig en al bederft het de hele zaak, door de , .navolgende" genade zoveel nadruk te geven, dat we niet zien, dat die vóórkomende ook werkelijk vóór was en bleef.

De betekenis van de vraag is ons wèl zeer duidelijk. Het antwoord is even klaar: Ja zeker. En toch zeg ik, dat God, door Zijn zuivere barmhartigheid en goedheid, zonder enigszins op onze werken te letten, ons in Christus Jezus genadig aanziet, ons Zijn gerechtigheid toerekent en niet onze eigen zonden. (Titus 3:5). Na hetgeen we al opgemerkt hebben, zien we geen noodzaak, er nog breder op in te gaan. We merken weer op die klemtoon op Gods liefde, Zijn pure barmhartigheid, die heel niet met onze werken rekening hield, het van ons niet verwachtte, maar ons genadig aanziet in onze Here Jezus Christus, ons toerekent Zijn gerechtigheid die onze overtredingen toedekt.

Rechtvaardiging door geloof alleen.

Daarmee is de vrager dan wel gebleken, welke betekenis goede werken in de gereformeerde kerk hebben. Hij is door die herhaalde afwijzing telkens weer met de rechtvaardiging geconfronteerd en heeft die nu ook in het gezicht gekregen. Want hij vraagt nu: Waarom zeg je, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt en krijgt ten antwoord: Omdat wij, door te geloven en door de beloften van het Evangelie met hartelijk vertrouwen te ontvangen in het bezit komen van de rechtvaardigheid.

Het geloof heeft, zegt Calvijn, met de beloften van het Evangelie te doen. Dat is een kostelijke, nodigende wijze van spreken, die tot geen prijs .moet worden verduisterd. Want de vrije genade, die in ons niets aanmerkte, die tollenaren en wrakhout stelde boven keurige, beschaafde Farizeërs, is een teer goed, dat gemakkelijk weer wordt toegesloten, als we nochtans allerlei voorwaarden en vroomheden in de mens z.g. als veiligheidsmaatregelen gaan beramen, en daarmee het Evangelie verijdelen. Dat deed Calvijn niet; in de Gereformeerde gezindte (en elders!) heeft het veelvuldig plaatsgevonden.

Geloven betekent dus voor Calvijn: de genadige onvoorwaardelijke beloften van het Evangelie beamen; daar niets mee zijn en niets mee worden; daarmee niet de hoogte ingaand, maar de diepte en zo weten: zo wil de Here mij hebben. Zo kan ik bestaan voor Zijn heilig aangezicht. Het kan daarbij niet Calvijn's bedoeling zijn, waar hij immers dit geloof een werk van de Heilige Geest acht (zondag 18) dat wij eerst zeker moeten weten, dat de Heilige Geest in ons werkt en dan pas geloven mogen en durven. Zo leert het wel een wijdverbreide , , gemeente theologie", maar die in deze wel evenzeer dwaalt als inzake Gods verkiezing. Het kan niet zo zijn, dat ik eerst moet weten te zijn verkoren en dan vrijmoedigheid heb, om te geloven. Maar door te geloven en door zo heen te kunnen breken door de wanhoop heen, word ik verzekerd van roeping en verkiezing. Evenzo in dit stuk: door te geloven, door het met de enkele belofte van de Here Christus, met niets daarbij te wagen (en het is toch geen wagen), en daarbij voet aan de grond krijgend, weet ik: Dat schonk en schenkt mij de Heilige Geest. Wanneer wij deze zeer levende intieme stukken geloofsleven verstandelijk uit elkaar gaan halen en uiteen leggen, is het leven en de kracht er uit. Wat God tot één levend geheel gemaakt heeft, zullen wij niet straffeloos uiteen rafelen.

Nu heeft de vrager het blijkbaar verstaan. Geen wonder, want het is in z'n  aard wel zo eenvoudig, dat een kind er bij kan. En wij moeten wel toezien of wij niet in vele opzichten veel te, , groot" zijn, en daardoor buiten dat Koninkrijk en Zijn goederen en Zijn Koning blijven, dat aan de kinderen is toegezegd. De laatste vraag is: Vat je het zo op, dat, zoals God het heil ons aanbiedt door het Evangelie, zo het geloof het middel is om het te ontvangen? We zouden willen aantekenen, dat het woord , , middel" ons niet zo helemaal kan bevredigen. Calvijn gebruikt trouwens vaker het woord instrument en dat smaakt ons beter, omdat er iets meer organisch en levends in zit. In zijn Institutie heeft Calvijn voor het geloof het beeld gebruikt van de lege hand, die de rijkdom van Christus aangrijpt. Dit beeld is nog weer levender en levendiger en geschikt, ons voor een zielloze, mechanische opvatting van , , de weg der middelen" te bewaren.

De catecheet heeft het zo voorgesteld, dat de leerling het gevat heeft. Bij de rijkdom van Christus' gerechtigheid passen arme zondaars en bedelaars. Daarom beantwoordt hij de laatste vraag met een hartelijk Ja: ondanks zijn jonge jaren weet hij ervan, dat lege handen koninklijk worden gevuld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 22

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's