DE PREDIKING VAN CALVIJN 1
1. De prediking van Luther en Calvijn.
Professor H. Bavinck Sr. heeft ergens geschreven, dat de voorstelling, die iemand heeft van de wedergeboorte, samenhangt met de wijze, waarop hij zelf deze doorleefde.
Deze opmerking zien wij bevestigd, wanneer wij ons verdiepen in de prediking van Calvijn, vergeleken met die van Luther. In beider prediking vinden wij terug de neerslag van hun eigen bekering.
Enerzijds is dit niet te verwerpen. Het is wel goed, als men iets eigens in de prediking heeft, zodat men niet oude, afgetreden paadjes bewandelt en niet vervalt in traditionele termen. De profeten en apostelen hebben niet alleen 'n eigen taal, zijn niet alleen verschillend in welsprekendheid, maar hebben ook een eigen accent. Jesaja predikt dezelfde boodschap van God weer met andere accenten dan Jeremia; de prediking van de apostel Johannes vertoont andere diepten en andere trefwoorden, dan de prediking van Paulus. Het zou dus een on-bijbelse, zondige verarming betekenen, als wij bij alle predikers dezelfde , woordkeus, dezelfde accenten en dezelfde diepten zouden eisen. Dit moet alle predikers bescheiden maken in het beoordelen van zichzelf en van anderen. Wij kennen maar ten dele en profeteren ten dele, ja zeer ten dele. God heeft aan niemand de volle wijsheid gegeven.
Maar anderzijds zien wij uit dergelijke verschillen, hoe groot het gevaar van eenzijdigheid is. Daar staat iedere prediker voor bloot. Van deze gevaarlijke eenzijdigheid kunnen wij alleen verlost worden door gedurig de Schrift te onderzoeken, opdat de volheid van Gods Woord ons beware voor de beperktheid van ons eigen denken en beleven.
Ook tussen Luther en Calvijns prediking zien wij, ondanks de grote overeenkomst in het centrale — de rechtvaardiging uit genade, alleen door het geloof in Christus — toch ook duidelijke verschillen in accenten.
Luthers bekering. U weet waarschijnlijk, dat bij Luther de dageraad in zijn ziel doorbrak, doordat God hem licht gaf over Romeinen 1 : 17: , , Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven". Reeds lang had hij met deze tekst geworsteld. Hij staarde zich blind op het woord: „de rechtvaardige" en dat woord ontnam hem alle hoop, want hij was niet rechtvaardig en kon niet rechtvaardig worden, ondanks zijn wanhopig streven. Menigmaal klaagde hij: , , Wanneer zal ik eens genoeg gedaan hebben om een rechtvaardig God te ontmoeten? " Tenslotte werd zijn benauwdheid zo groot, dat hij dat woord uit Rom. 1 : 17 ging haten. Maar toen God door middel van dit woord aan zijn hart ontsloot het wonder van de rechtvaardiging door Christus, toen was het alsof de hemel neerdaalde in zijn, ziel en in verrukking riep hij het uit: , , Ik Jezus ben Uw zonde en Gij zijt mijn heil".
Nu kon hij schrijven: , , Zozeer als ik eerst dit woord gerechtigheid Gods haatte, zo lief kreeg ik het nu. Deze, tekst werd mij werkelijk een poort van het paradijs".
Dit accent komt in zijn prediking her haaldelijk naar voren. Als hij in zijn prediking, of in een brief ^Is antwoord op vragen, wil zeggen, wat het allernoodzakelijkste is, dan schrijft hij bij voorbeeld:
„Leer toch Jezus kennen en wel als de Gekruisigde; leer een loflied zingen tot Zijn eer en leer uzelf geheel verloochenen zeggende: Here Jezus, Gij zijt mijn gerechtigheid en ik ben Uw zonde. Gij hebt aangenomen wat Gij niet waart en hebt mij gegeven wat ik niet was. Zie toe, dat gij er niet op uit zijt om hier nog eenmaal tot zo grote reinheid te komen, dat gij niet meer een zondaar in eigen oog zijt of wilt zijn; want Christus woont slechts in zondaars".
Dit komt telkens weer in Luthers preken en geschriften terug. Evenmin als Johannes blijkbaar de tiende ure kon vergeten (Joh. 1 : 40), evenmin kon Luther het ogenblik vergeten, waarop Christus als de Zon der gerechtigheid in zijn leven doortrak.
Ook voor Calvijn is de rechtvaardiging uit genade, door het geloof in Christus, het centrale. Daarin ligt de enige troost in leven en sterven. In een preek over Genesis 15 : 4—6 zegt hij dan ook, dat de rechtvaardiging uit genade is" ons a.b.c; het kort begrip van al onze wijsheid. Het bevat de fundamenten, waarop ons geloof rust". , , Hier moeten wij beginnen om in de school van God met vrucht te leren"; „dit is de voornaamste sleutel tot het gehele Evangelie"; „de poort tot de goede weg". „Als Rome deze leer verstond, zou het gehele pausdom ineenstorten".
Maar Calvijns prediking waaiert breder uit. Het geloof, de vreze des Heren, de gehoorzaamheid aan het Woord Gods heeft betrekking op ons gehele leven.
Over Calvijns bekering is weinig bekend en omdat hij er weinig over schrijft, maar ook wel, omdat deze niet op zo bijzondere wijze tot openbaring gekomen is als bij Luther.
In zijn inleiding op de verklaring van de Psalmen schrijft hij: „Ik was het bijgeloof van het pausdom zo hardnekkig toegedaan, dat het niet gemakkelijk was mij uit deze diepe afgrond te rukken. God heeft echter mijn hart, dat voor mijn leeftijd reeds vrij verstokt was, door een plotselinge bekering gedwee en leergierig gemaakt".
Ook in zijn brief aan kardinaal Sadoletus, een brief waarin hij het goed recht van een kerkhervorming verdedigt tegenover de Roomse laster van verdeeldheid zaaien en van de waarheid afwijken, schrijft hij: dat hij al maar geen vrede kon vinden in zijn geweten, ondanks alle inspanning om zich de genade waardig te maken. Maar.... hij wist geen andere weg, dus ging hij ermede voort op de ingeslagen weg. „Intussen was een andere leer opgekomen en die voerde rechtstreeks tot de bron. Slechts met moeite kon ik er toe gebracht worden om toe te geven, dat mijn gehele leven slechts onwetendheid en dwaling geweest was. Vooral één ding hield mij tegen: de eerbied voor de kerk".
Vervolgens schrijft hij, dat hij steeds meer overtuigd werd, dat de paus niet de wettige vertegenwoordiger van Christus is, maar dat deze tyrannie geen grond in. het Woord heeft. Toen hij dat inzag, toen deze grondzuilen werden weggetrokken, viel het gehele troste gebouw ineen.
„Toen bemerkte ik, alsof plotseling een licht voor mij opging, in welke dichte mist van dwalingen ik was geraakt, met hoeveel smetten ik mij bezoedeld had. Diep verslagen door de bekentenis der ellende, waarin ik gevallen was, meer nog door wat mij dreigde, namelijk de eeuwige dood, deed ik, wat mijn plicht was: achtte niets dringender, dan om onder wenen en klagen over mijn vroeger leven de staf te breken en mij te verlaten op U. En nu, Here, wat blijft mij anders over, dan tot U in plaats van een verdediging de bede te richten: Reken mij deze ontzettende afval van Uw Woord niet toe, waaruit Gij mij door Uwe wonderbare goedheid gered hebt".
Hier zien wij, dat ook Calvijns innerlijke bevrijding door diepe strijd is heen gegaan, maar het licht brak anders door dan bij Luther. Luther worstelde meer om de vrede zijner ziel en vond deze in het bloed van Christus; Calvijn worstelde meer om licht, hoe hij voor God kon bestaan; hoe hij God moest dienen. Hij zag zijn zonde als een ontzettende afval van Gods Woord en werd gebracht tot de gehoorzaamheid aan dat Woord,
Daarom treft mij in Calvijns preken en in zijn Bijbelverklaring steeds weer de voluit Bijbelse visie. Luther blijft meermalen staan bij het troostrijke centrum: Christus voor arme, ellendige zondaren; Calvijn trekt de lijnen breder door. Wat Luther predikt, predikt hij ook, want Christus is hem het „inbegrip van het ganse Evangelie", maar bouwt het uit tot een vollere, Schriftuurlijke omvang. Het is steeds weer zijn streven recht te doen aan het volle Woord van God. Kenmerkend zijn bijvoorbeeld uitspraken als deze: „Wat God aan Zijn gemeente heeft willen openbaren, zij de grens van onze wetenschap". Verder willen gaan, dan God geopenbaard heeft, noemt hij vervloekte nieuwsgierighied; de Schrift niet voluit laten spreken is schandelijke ondankbaarheid. „Wij moeten ons oor open zetten, zolang God spreekt, maar zodra God zwijgt, moeten wij onze oren dicht doen".
Geen ijdele speculaties, zeker niet in de prediking.
Luthers Bijbelverklaring is wel eens gezocht, zodat je moet zeggen: Dat is geestig verzonnen, maar ligt toch niet in de tekst. Voor zover mij bekend is, zult u dat nooit of zelden bij Calyijn aantreffen. Hij is een nauwkeurige Schriftuitlegger. Maar zó, dat blijkt, dat het Woord voor hèm is geest en leven.
Die strenge gehoorzaamheid aan Gods Woord is kenmerkend voor het Calvinisme in alle facetten, ook in de inrichting van de kerkgebouwen en de eredienst. Alles wat niet in de Schrift geboden is, acht Calvijn „hoerenversiersel", dat de bruid van Christus niet past. Haar kuisheid bestaat in gehoorzaamheid aan het Woord.
Wat hier gezegd is over het verschil tussen Luthers prediking en die van Calvijn, moet u beslist niet opvatten als een tegenstelling. Dat is het beslist niet. Calvijns prediking is ook Christus-prediking. Wie God losmaakt van Christus, houdt een afgod over, zo drukt hij zich zelfs uit. Wie het geloof van Christus scheidt houdt een inbeelding over. , , Het geloof moet geheel op Christus zien, aan Hem hangen, in Hem rusten en besloten worden. Zo het verder wil zal het verdwijnen en zal niet meer geloof, maar bedrog zijn." Dit mogen wij ons wel voor gezegd houden. Wie geen Christus-prediking brengt, brengt geen Christelijke prediking!"
Tussen Luther en Calvijn bestaat geen tegenstelling. Het is een duidelijk accentsverschil. Tegenwoordig zouden wij zeggen: verschil in ligging.
Overtuigd, dat Calvijn meer voluit de leer der Schriften predikte dan Luther, hebben onze vaderen Luther wel geëerd als een groot en goed instrument Gods, maar zij hebben Calvijn moeten kiezen als hun leermeester.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's