De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERKLARING 2

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERKLARING 2

8 minuten leestijd

Punt 2. Aangaande Jezus Christus en de godsdiensten der wereld.
Bij de bespreking van het .eerste punt hebben wij bezwaar gemaakt tegen de methode, welke de Synode hier aangrijpt. Het gaat toch in de grond van de zaak om de „leer".
De Synode is op èèn punt zelfs zover gegaan, een dwaling aan te wijzen, al noemt zij dat woord niet. Zij zegt: dat de stelling Jezus gestorven, Christus opgewekt de hartader van het Evangelie aantast. Edoch, zij verklaart dit slechts, alsof de dwaling daarmede ware overwonnen.
Een ander bezwaar werd dezerzijds geopperd ten aanzien van het feit, dat de Synode de belijdenisgeschriften niet liet spreken, met name wat de heilsfeiten aangaat.
Een derde bezwaar raakte de strekking van art. X. waarop wij echter nog terug komen bij punt 5.
In het bovenaangehaalde punt 2 gaat het over de verhouding van Jezus Christus en de godsdiensten der wereld. „Omdat wij met de kerk van alle eeuwen geloven en belijden, dat er èèn Naam, èèn openbaring onder de hemel gegeven is, waardoor wij worden behouden, kunnen wij de godsdiensten der mensen niet zien als openbaringen boven, voor af naast deze ène openbaring der liefde Gods".
Deze zinsnede klinkt vrijwel aannemelijk. Ook wij belijden de ène Naam, welke onder de hemel is gegeven, door welke wij moeten zalig worden.
Ten aanzien van de zaligheid, of zoals men tegenwoordig wil, het heil of het behoud, is de Heere Jezus Christus een openbaring van Gods liefde, doch is dit ook zó niet èènzijdig uitgedrukt? Wordt Christus aan de gemeente van Pergamus b.v. niet voorgesteld als die het tweesnijdend scherp zwaard heeft? (Openb. 2 : 12). Maakt het geloof geen kennis met de God des gerichts ? En is Christus niet evenzeer openbaring van de gerechtigheid Gods?
Verder: ook wij geloven aan het absoluut karakter van de religie van Christus. Wij zijn niet van oordeel, dat dit absolute karakter de Christelijke religie als zodanig eigen is, maar dat zij dit ontleent aan de Waarheid van Christus, die waarachtig God is.
Voor sommigen schijnt dit aanleiding te zijn om het eerste gedeelte van artikel II der Nederlandse Geloofsbelijdenis af te keuren. Geen algemene openbaring, zeggen zij, met afwijzing van het getuigenis van de apostel Paulus in de brief aan de Romeinen. (Hoofdst. 1 : 18 vv en Hoofdst. 2 : 14 en 15), dat toch aan duidelijkheid niet te wensen overlaat.
Het spreekt als een boek, dat wij de godsdiensten der wereld niet zien als openbaringen boven, voor of naast de openbaring van de Heere Jezus Christus, maar dat ook de afgoderij in de wereld nog blijk geeft, dat God Zich niet onbetuigd heeft gelaten in het leven der volkeren, en dat Hij daarom Zijn toorn doet uitgaan tegen haar dienaren, staat duidelijk genoeg in het aangehaalde getuigenis van de apostel.
In stede van op deze Schrift en art. II van de geloofsbelijdenis te wijzen, wat toch in ieder geval op de weg van de regering der kerk ligt, wordt het vertrouwen uitgesproken, dat God met de ganse mensheid bezig is en Zich niet onbetuigd laat in „het leven en lot, in het zoeken en verwachten", der mensenkinderen en dat op grond „van Jezus' verschijning". Dat zou dus een kwestie van opvatting en beschouwing zijn van Jezus' verschijning, terwijl als het gaat over Gods bemoeienis met de volkeren, de Heilige Schrift in Oude en Nieuwe Testament stof te over biedt niet alleen om vertrouwen te wekken, dat het wel zo zijn zal, maar aan te tonen, dat Gods bestel ook over de volkerenwereld gaat.
Overigens is het een juiste gedachte, dat wat er onder de volkeren aan Godskennis moge worden gevonden, in zijn waarheidsgehalte alleen kan worden ontdekt bij het licht der Waarheid, welke ons in Christus is geopenbaard en, dat mag er toch wel bij, ons in Zijn Woord is toebetrouwd. Het wordt door de Synode wel niet op deze wijze geformuleerd, maar zal het voor de Godsdienstwetenschap en voor de praktijk iets betekenen, dan zal het toch op het getuigenis der Heilige Schrift neerkomen.

3. Aangaande Gods heil en de kosmische ruimte.
Wederom op grond van de verschijning van Jezus Christus wordt een conclusie getrokken voor de ganse schepping. En welk een conclusie! In Christus heeft God Zich het lot van een verloren mensheid eens en vooral aangetrokken, zo wordt gesteld. Daarom mogen wij geloven, dat de ganse schepping Hem ter harte gaat.
Wij meenden, dat geen schepsel op en voor zich zelf kan bestaan, zodat er geen schepsel zich kan roeren of bewegen tegen de wil des Vaders. Dit is trouwens belijdenis der kerk. Vgl. Zondag X Heidelb. Cat.). Hoe zou dan Zijn schepping, welke toch door een daad van vrij welbehagen in het aanzijn werd geroepen. Hem niet ter harte gaan?
Anderzijds is God aan geen schepsel verantwoording schuldig omtrent Zijn vrij welbehagen. Geen schepsel kan zeggen: Wat doet Gij?
Verder wordt gesproken over buitenmenselijke wezens, die zich in de kosmische ruimte zouden ophouden, waarmede God gemeenschap zou stichten of onderhouden, al wordt er bijgevoegd, dat wij ons omtrent de aard dier gemeenschap geen voorstelling kunnen maken.
Dat mag een staaltje van de nieuwe tijd heten, dat dè Synode in verband met haar belijden gaat spreken over buitenmenselijke wezens, van wier bestaan niemand iets weet en die zij niet kent.
Het laatste gedeelte van dit punt geeft blijk van meer wijsheid, aan God overlatende, hoe Hij met Zijn schepsel wil handelen, al is ook deze formulering minder gelukkig. Daarbij wordt verwezen naar Kol. 1 : 16 v. „Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen. En Hij is voor alle dingen en alle dingen bestaan te zamen door Hem". Verder ook Efeze 1, inzonderheid vers 10: „Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot èèn te vergaderen in Christus, beide dat in de hemel en dat op de aarde is".

4. Over de verhouding van geloof en theologie.
De Synode wil theologie verstaan en waarderen als het werk der bezinning op de waarheid van Gods zelfopenbaring. „Uit de aard der zaak" zo wordt gezegd, streeft zij naar een vertolking dezer waarheid in het midden van de eigen tijd en cultuur.
Bedoelt men met die zaak de theologie als bezinning op de waarheid van Gods zelfopenbaring, of heeft men daarmede de „waarheid van Gods zelfopenbaring" op het oog. M.a.w. brengt de aard van de theologische bezinning mede om de waarheid Gods te vertolken in het midden van eigen tijd en cultuur of moet men verstaan, dat zulk een vertolking in de aard van de waarheid Gods ligt? Zo wordt de taak der theologie in relatie gezet met de eigen tijd en cultuur en deze verhouding is nog niet zonder meer duidelijk. Bedoelt men de waarheid Gods te vertolken op een aan onze tijd en onze cultuur aangepaste wijze, of bedoelt men onze tijd en cultuur in het licht der waarheid Gods te stellen?
In het eerste geval zou men dan van onze Gereformeerde Confessie of gedeelten daarvan kunnen zeggen: dat past niet meer bij onze tijd en bij onze cultuur, dat is verleden tijd geworden. In het tweede geval wordt onze tijd en onze cultuur aan het oordeel en de heerschappij van het Woord Gods onderworpen.
Intussen zijn wij het ermede eens, dat de resultaten der theologische bezinning niet met institutair kerkelijk gezag bekleed zijn.
Of men zo maar in één adem daaraan kan toevoegen „gelijk haar arbeid niet aan zulk een gezag onderworpen is", is nog een vraag.
De Synode zelf verklaart, dat de theologie de haar toegedachte vrijheid verliest, als zijl haar positie kiest buiten het Woord en zodoende onvermijdelijk vervreemdt van het geloof der kerk. Door deze stelling wordt de theologie primair in relatie met het Woord en met het geloof der kerk gezet, en daardoor gebonden. De inhoud des geloofs komt ons dan ook voor het eerste „voorwerp" der theologische bezinning te zijn.
Het kan intussen niet anders, of de laatste zinsnede van dit punt der verklaring over het verlies van de door haar verdedigde vrijheid der theologie, (lees van het theologiseren), wanneer zij positie kiest buiten het Woord en zodoende onvermijdelijk vervreemdt van het geloof der kerk, bevat een — zij het ook zachtkens uitgesproken — critiek op punten in de discussie, die men met het Woord in strijd 'en niet in overeenstemming met het geloof der gemeente acht.
Juist daarom hebben wij bezwaar gemaakt tegen de methode, welke de Synode volgt door een ,,verklaring" te geven, in plaats van naar de hier uitgesproken maatstaf der theologische bezinning te handelen en maatregelen te treffen, die bevorderen kunnen, dat er in de kerk ook naar gehandeld wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERKLARING 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's