DE PREDIKING VAN CALVIJN 2
II. CALVIJNS PREEKMETHODE.
In de tijd der kerkhervorming heeft men zich bijzonder toegelegd op de prediking des Woords. In de Roomse kerk was dit schandelijk verwaarloosd, zodat de onkunde zeer groot was.
In zijn felle aanklachten tegen de ontrouw van Rome heeft Calvijn er dan ook meermalen de nadruk op gelegd, dat Rome de gemeente het Woord Gods onthouden heeft.
Wij willen enkele van zijn beschuldigingen hier neerschrijven: „De Pausgezinden hebben de Heilige Schrift als het ware uitgebannen". „Zij beroemen zich er op Gods Kerk te zijn, maar hebben niet enig kenmerk van een kerk". Waarom niet? Omdat zij de leer van profeten en apostelen niet meer hebben. Het Christendom is daar bedorven en ontwricht, omdat zij de leer van de Heilige Schrift vermengen met hun eigen gedachten. En waarom is het zo erg, dat Rome Gods Woord begraven, ja als het ware uitgewist heeft? Omdat Gods Woord het enige voedsel der ziel is. In zijn uitvoerige brief aan kardinaal Sadoletus — Sadoletus had geprobeerd de burgers van Genève op te hitsen tegen Calvijn en de leer der hervorming — schrijft Calvijn over de preken, zoals men die toen ter tijd in de kerk kon horen, het volgende:
„Het was een prediking, waarvan de oude vrouwtjes zo veel onzin thuis brachten, als zij in een ganse maand bij de kachel konden uitspinnen. Zo kon men toen de preken indelen: de ene helft was geladen met spitsvondige schoolse vraagstukken, over welke het ongeleerde volk zich het hoofd brak; de andere helft was vervuld van luimige verhalen of aangename dromerijen, waardoor men het volk kon bekoren. Zeer zelden was daarin een volzin uit Gods Woord verdwaald, opdat daardoor aan het gezwets enige schijn van waardigheid werd bijgezet".
Deze verwaarlozing van de prediking des Woords is altijd erg, maar toen wel dubbel erg. Waarom? Omdat de meeste mensen toen niet lezen konden en als men wel lezen kon, had men doorgaans geen Bijbel. De Bijlbel was overwegend in het Latijn gedrukt, zodat alleen de meer ontwikkelden hem konden lezen. De onkunde onder het volk was buitengewoon groot. De enige mogelijkheid om de. inhoud der Schrift te kennen, was de prediking. Daar had het volk tenminste nog het Woord kunnen leren kennen, maar die mogelijkheid had Rome totaal verwaarloosd.
Zodoende was volgens Calvijn ook het ambt in de kerk totaal verbasterd. Dé opdracht van alle ambtsdragers is toch de gemeente op te voeden en te houden bij het Woord !
Tegenover die diep ingewortelde onkunde hebben de hervormers dan ook met kracht getuigd. Door vertaling van de Bijlbel in de volkstalen en verder door de verklaring en de verkondiging van het Woord hebben zij, de gemeente weer willen brengen tot de rechte kennis van God.
Calvijn's prediking is doorgaans zeer eenvoudig. Hij worstelt — bij Luther zien wij ditzelfde zo mogelijk nog sterker — om het Woord Gods duidelijk en eenvoudig te verklaren, naar de (geringe) bevatting der hoorders. Soms herhaalt hij, wat hij reeds gezegd heeft, om zo door herhaling het Woord des te meer in de harten en de gewetens in te scherpen.
Het was Calvijn's gewoonte om steeds vervolgstoffen te nemen. De volgende dag of de volgende zondag gaat hij gewoon verder, waar hij de vorige keer geëindigd is. Ook in de voorbereidingspreken en de Avondmaalspreken behandelt hij gewoon de vervolgstof, om die dan aan het einde van de preek speciaal toe te passen op het Avondmaal.
Een kras staaltje van deze eenvoudige gebondenheid aan de Schrift beleefde de gemeente te Genève op 13 september 1541. Calvijn was door de Raad van de stad Geneve verbannen, omdat hij zijn krachtige prediking en handhaving der kerkelijke tucht niet langer wilde verdragen, maar na drie en een half jaar verbanning werd hij weer teruggeroepen, om de inmiddels ontredderde gemeente weer op te bouwen. De kerk was afgeladen vol, deels om de geliefde prediker weer te horen, deels uit sensatie, om er bij te zijn, als hij, naar men hoopte, zijn vroegere tegenstanders de les zou lezen. Maar dat verliep heel anders. „De teruggekeerde zielzorger slaat de Bijbel open op precies dezelfde bladzijde, waar hij drie jaar geleden was gebleven en vervolgt zijn prediking op het punt, waar hij haar destijds afgebroken had."
Een levensbeschrijver van Calvijn zegt er heel terecht dit van: „Dit is zijn enige wraak op de gemeente, die hem als een misdadiger heeft verdreven en verbannen. Geen woord over het verleden, geen woord over zijn tegenstanders". Dat is ook steeds weer Calvijns streven, het Woord te bedienen. En niet slechts te bedienen, maar het ook te dienen; zich onder het Woord te stellen en dat Woord te laten spreken.
Zijn preek is dan ook nauwkeurige uitleg van de Heilige Schrift. Doorgaans heeft zijn prediking meer het karakter van een Bijbellezing, die een groter Schriftgedeelte op de voet volgt, dan van een geordende prediking in onze tegenwoordige zin. Van een hoofdthema en een puntenindeling is geen spoor te bekennen.
Hoe nauwkeurig Calvijn ook de Schrift wil uitleggen — om zo de Schrift te laten spreken — toch vindt men in zijn preek slechts zelden een afzonderlijke, uitlegkundige uitwijding. Die laat hij blijkbaar in de studeerkamer achter. Zijn doel is niet Schrift verklaarder te zijn zonder meer, maar verkondiger van Gods boodschap. Die boodschap beheerst zijn prediking.
Calvijns prediking is dus, wat men noemt, overwegend analytisch, niet synthetisch, dat wil zeggen: hij analyseert het Schriftgedeelte, legt het uiteen in zijn verschillende gedachten, maar bouwt het niet synthetisch op rondom een hoofdgedachte.
Toch zijn er ook preken, die meer door een hoofdgedachte beheerst worden en bedoeld zijn om een zaak breed en nadrukkelijk aan de orde te stellen. Zo zijn van hem bezwaard gebleven een viertal preken over de rechtvaardiginig, vier preken over Genesis 15 : 4—6, over het geloof, dat Abram, tot gerechtigheid gerekend werd. Voor Calvijn was de rechtvaardiging van de zondaar het hart van het Evangelie, de sleutel tot het verstaan van de gehele Schrift. Nu dat hart klopt hier in deze preken. Op bijzonder duidelijke en diep geestelijke wijze predikt Calvijn hier de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof, alleen op grond van de gerechtigheid, die Christus door Zijn dood verworven heeft. Wie deze vier preken leest, gaat er naar verlangen, dat dergelijke prediking weer zal herleven in onze kerk, ook in onze eigen kringen. Zulk een prediking is krachtig tot nederwerping der sterkten; krachtig ook om te zijn het Zaad der wedergeboorte, waardoor God zondaars uit de diepten van het verkondigde en aanvaarde oordeel overzet in de ruimte en het licht van het Evangelie der genade.
Calvijns preekwijze, doorlopend vervolgstoffen en dan nog Schriftverklaring, de Schrift op de voet volgend, is een methode, die ons verwende oor waarschijnlijk minder zal bekoren. Wij worden liever geboeid door een pakkende rede, die goed opgebouwd is, zodat de taal en de woordkeus, reeds een genoegen is om naar te luisteren. Calvijn heeft blijkbaar deze hulpmiddelen niet nodig gehad en zeker niet begeerd. Zijn talent was niet een boeiende rede; zijn vuur lag niet in zijn taal en woordkeuze; zijn vuur lag in de bezieling des Geestes, of wat voor hem vrijwel hetzelfde was, in de diep-doorleefde overtuiging van de waarheid van Gods Woord. Dat Woord was levend en krachtig voor hemzelf geworden; dat Woord klonk ook levend en krachtig uit zijn ziel.
Wij zijn het niet meer gewend, dat er doorlopend vervolgstoffen gepredikt worden. Toch heeft deze eenvoudige methode veel voor. Zij lijkt mij uitermate voedzaam voor de gemeente. Onze vrije tekstkeuze loopt licht gevaar, dat wij de gemeente overladen met datgene, wat ons predikers ligt, of bij ons centraal staat of — misschien nog erger — wat in de gemeente het meest gewild is, en zo kan onze prediking, zo kan de gemeente verstarren in een bepaalde eenzijdigheid. Bij Calvijn staat zelfs de tekstkeuze niet onder de tucht van de prediker, maar prediker en gemeente staan, zelfs in de tekstkeuze, onder de tucht van de Schrift.
In het citeren van teksten is Calvijn zeer sober. Geen aaneenrijgen van teksten dus. Wel haalt hij soms met nadruk gelijksoortige Schriftgedeelten of Schriftwoorden aan. Af en toe dient een Bijbelse geschiedenis tot illustratie.
Ook wordt af en toe eens een eenvoudig beeld gebruikt om het geestelijke duidelijker toe te lichten. In dit opzicht is Luther veel plastischer en beeldrijker. Ook hier zien wij weer de karakterverschillen van deze twee hervormers. Luther is meermalen komisch, humoristisch, soms wel eens wat al te plat. Calvijn is veel rustiger, evenwichtiger. Bij hem glimlacht men niet, omdat hij het zo geestig zegt, maar men ontroert, omdat hij het zo diep, zo vlijmscherp weet te zeggen, bewogen met de misleiding der zielen.
Dit is mij ook opgevallen in zijn kritiek op Rome. In zijn andere werken kan hij fel zijn en Rome met schimp overladen, in de preken — ik kan natuurlijk alleen spreken, in zover ik deze gelezen heb — is de felheid geadeld, door de diepe smart over de misleiding der zielen, waaraan Rome zich stelselmatig schuldig maakt. Jezus wordt daar met voeten getreden, nagenoeg verworpen en miskend. Zijn ambt heeft men geplunderd als was het een buit aan anderen te geven. Want al wat Rome aan de heiligen, met name aan Maria toekent, heeft men Christus ontnomen. Het is of Christus nog in het huis van Kajafas staat en op het aangezicht geslagen wordt.
Geen wonder, dat hij in een van zijn preken uitroept: „O Rome, hoeveel zielen hebt gij al misleid".
C. a. d. IJ. B.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's