De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 23

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 23

ZONDAG 20

13 minuten leestijd

Met deze zondag besluit Calvijn het eerste deel van zijn Catechismus, dat, zoals we ons herinneren, over het geloof handelt.
Daarop volgen Wet, gebed, Woord en sacramenten (Kerk), naar de volgorde van de eerste Institutie, waaraan Calvijn zakelijk heeft vastgehouden ook in volgende bewerkingen van zijn lievelingswerk.

Geloof en werken.
In zondag 19 waren de goede werken in hun verhouding tot de rechtvaardiging ter sprake gekomen en dat besluit Calvijn nu in zondag 20, door met de vraag te beginnen: Maar, wanneer God ons eenmaal in genade heeft aangenomen: zijn dan de werken, die wij door Zijn genade doen. Hem niet welgevallig?
We merken, dat we nog steeds bezig zijn met de rechtvaardiging uit genade, die heel zeker niet geschiedt vanwege goede werken, maar even stellig wel tót alle goede werken.
Dat de werken van het vlees, ook het vrome vlees, buiten het geloof in Christus omgaand, God niet behagen, heeft Calvijn met alle kracht betuigd. Maar dan volgt de vraag: Maakt Gods genade de werken, die uit geloof en dankbaarheid geschieden, zo helemaal goed, dat ze bepaald waarde voor God verkrijgen? Haast zouden we zeggen: dat ze toch wel iets bij God gaan ,,verdienen". Daarmee verkeren we nog altijd op het roomse gebied. Zoals we al eens betuigden, is het ten enenmale onjuist, te menen, dat Rome Ieren zou, dat de (natuurlijke) mens de zaligheid wel verdienen kan door goede werken. Dat ontkent Rome volstrekt. Er moet daartoe eerst een ,,voorkomende genade" aanwezig zijn, die dan zulke krachten in die (naar Roomse leer immers niet radicaal bedorven) mens wakker roept, dat er goede werken worden gedaan, dat er ,,navolgende genade" wordt opgewekt, die aan zulke goede werken het aanzijn geeft, die werkelijk, in zich zelft iets goeds betekenen.
Deze leer staat op de achtergrond van de eerste vraag van onze zondag en Calvijn bestrijdt ook haar. Want het antwoord luidt immers: Ja zeker (de goede werken des geloofs zijn God aangenaam), omdat Hij ze goedgunstig aanneemt, maar niet krachtens hun eigen waardigheid. De verhouding van God en Zijn kinderen wordt dus nooit die van ,, werkgever" en ,, werknemer", waarvan de laatste op grond van zijn arbeidsovereenkomst zijn loon kan eisen. We moeten, daarop ziende, zeggen, dat de Roomse rechtvaardigingsleer het werkverbond nooit te boven komt en dus van het werkelijke genadeverbond ook geen weet heeft. De verhouding van God en Zijn kinderen blijft die van Vader en kind; niet vol toegeeflijkheid, maar wel vol onbegrijpelijk geduld, dat de aangenomen kinderen met al hun donkerheden mild beoordeelt in het licht van de ene en eerste Zoon des welbehagens. Daarom waardeert de Here de werken der dankbaarheid, die door geloof in Christtus gedaan worden, veel meer om wat ze bedoelen, dan om wat ze werkelijk zijn. Dat doet Hij uit welbehagen om Christus' wil, het goede opmerkend, het zwakke en verkeerde toedekkend en zo zelfs deze werken nog wel „belonend".

Goede werken hebben geen eigen waarde.
Dit antwoord valt de vrager, die kennelijk de mening weergeeft van iemand die de roomse rechtvaardigingsleer kent en waardeert, niet mee. Hij had zeker op meer gehoopt. Hij werpt daarom tegen: Maar zijn ze dan niet waard, dat God ze aanneemt, omdat ze uit de Heilige Geest voortkomen? U merkt wel, dat Rome de goede werken heel zeker aan de Heilige Geest toeschrijft, zij het dan op een andere manier, dan de Reformatie dat verstond. Maar Calvijn houdt ook hier de lijn strak en antwoordt: Nee, (die goede werken, die uit de Heilige Geest voortkomen, zijn niet waard, dat God ze om huns zelfs wil aannneemt), omdat er altijd enige zwakheid van ons vlees mee gemengd is, waarmee ze bezoedeld zijn. Calvijn heeft de leer aangaande de Heilige Geest bij Rome en bij de ,,Geestdrijvers" zeer verwant, zo niet gelijk genoemd. Bij allebei wordt de Heilige Geest voorgesteld als mens en vlees zo geheel innemend en vergeestelijkend, dat er geen zonde overblijft. Dat laatste ontkent Calvijn, het vorige dus ook. Nee: de Heilige Geest wil wel in ons wonen en ons heiligen tot lidmaten van Christus. Maar dat blijft gedeeld, gebroken en daarom blijvend gebonden aan de Middelaar; en dat brengt mee, dat ook onze beste werken zwak en bezoedeld blijven, zodat ze voor God nooit kunnen bestaan buiten de Middelaar om. We moeten daarvan zeggen, dat het belijden der Reformatie aangaande de Heilige Geest en de Here Christus veel bewogener, dieper en meer overeenkomstig de levenswerkelijkheid is dan de roomse en de doperse, die tenslotte meer wijsgerig-beschouwelijk dan diepreligieus moet heten.

Het geloof.
De vrager, die het roomse standpunt weergeeft, blijkt te zwichten voor de onverzettelijkheid, die zijn leerling inzake de goede werken toont. Hij vraagt nu immers: Wat moet dus het middel zijn om ze (Gode) aangenaam te maken? En hij ontvangt ten antwoord: Dat ze gedaan zijn in geloof. Dat wil zeggen, dat de mens in zijn geweten overtuigd is, dat God ze niet in gestrengheid zal onderzoeken, maar zo, dat Hij de onvolmaaktheden en vlekken er van toedekt door de reinheid van Jezus Christus en ze daarom voor volmaakt houdt.
Dit is een prachtig, warm en diep antwoord: de hele Reformatie als in een notedop. Wat door geloof gedaan is, d.w.z. in de erkenning, dat God ons wel gestreng moet en kan onderzoeken, maar dat niet wil doen wanneer we onze toevlucht tot Christus hebben genomen, dat vindt Zijn meedogen en welgevallen. Daar heeft het wel degelijk betekenis, dat dit geloof, deze lust tot alle goede werken, uit de Heilige Geest komt. Want daar blijkt het weer het eigene van het werk van de Heilige Geelst te zijn, dat Hij het neemt uit de volheid van Christus en daarom heiligend in de gelovigen woont. Daar ligt dan ook de grond, (een vaste grond!), waarom in zichzelf zeer onvolmaakte werken de Here toch voor volkomen en goed gelden.
Merkwaardig en zeker een spiegel van wat Calvijn vaak ontmoette: de vrager, die langzamerhand scheen te verstaan wat rechtvaardiging door genade is, dreigt hier toch weer terug te vallen. Want daar stelt hij nu weer een vraag, die Calvijn in de vorige antwoorden bij voorbaat al ontkend had, n.l.: Kunnen we daarom zeggen, dat de christen wordt gerechtvaardigd door zijn werken, nadat God hem heeft geroepen? Of dat hij daardoor verdient, dat God hem liefheeft en deel aan het heil geeft?
We merken, dat hier de afgewezen roomse leer, in iets ootmoediger gedaante, zich weer aandient. De vrager bedoelt: zouden we, wanneer God achteraf die goede werken, om Christus' wil, toch laat gelden, met enige goede wil niet kunnen zeggen, dat dus die werken meetellen en de christen daarom mocht verwachten, dat God hem lief moet hebben? Zoals gezegd, heeft Calvijn deze uitweg allang afgesneden. Want hij antwoordt onvervaard: Nee, integendeel. Er staat geschreven, dat geen van de levende mensen voor Hem rechtvaardig is (Ps. 143 : 2). Daarom moeten wij bidden, dat Hij niet met ons in het gericht ga, om met ons af te rekenen. Dat antwoordt Calvijn hier aan een man, die zijn afkomst uit de roomse kerk niet verlochent; het heugt ons, dat hij het zelfde uitspreekt tegenover één van de geestdrijverige Libertijnen, die er zich op beroemde, dat de echte christenen nooit meer iets van zonde merkten. We merken daaruit, hoezeer voor Calvijn het leven in de Geest is een leven uit Christus, de Middelaar en niet een putten uit eigen aangeboren of verworven schatten.

Goede werken nutteloos?
De vrager schrikt van dit klare harde -antwoord, dat toch vol meedogen is voor „arme zielen". Haast beledigd (in zijn christelijke waardigheid!) werpt hij nu tegen: Je wilt toch niet zeggen, dat de goede werken der gelovigen geen nut hebben? Van roomse zijde werd en wordt dit aan de Reformatie nog al eens verweten. Maar we hebben uiteengezet, hoezeer ten onrechtte. Zonder heiliging des harten zal niemand de Here zien. Het antwoord luidt dan ook: Nee, want God belooft, ze rijkelijk te belonen, zowel in deze wereld als in het paradijs. Maar dat alles komt hieruit voort, dat Hij ons vrijwillig lief heeft en onze zonden begraaft, zodat Hij er niet meer aan denkt.
Steeds klinkt, op iets verschillende toonhoogte, dezelfde melodie. Inderdaad spreekt de Schrift van een beloning der goede werken, wat de roomse theologie begrijpelijkerwijze gretig heeft aangegrepen. Van Calvijn's standpunt en voor de gereformeerden van alle tijden heeft dit woord loon, evengoed als plicht en deugd een wat harde klank, al ontkent wel niemand, dat ze toch niet kunnen ontbreken. Welnu: Calvijn laat dit wat moeilijke woord staan. Als de Schrift dit woord gebruikt, zal Calvijn het ook gebruiken. Maar dan bedoelt hij toch wel, dat dit loon nooit loon is uit een zakelijke verhouding, maar eerder ,,honorarium", dat eershalve, uit genegenheid en niet naar prestatie wordt gegeven. Zó beloont de Here de goede werken van Zijn kinderen, omdat Hij ze in Christus liefheeft en daarom meer rekent met wat ze ,,in Hem" zijn, dan met wat ze in zichzelf waard blijven. Dat begraaft God genadig, daarom rekenend met en toerekenend uit de kracht en de vrucht van de opstanding van Christus.
En nog zijn alle vragen niet beantwoord. Nog zijn er, vooral van roomse kant, bezwaren en klachten. Ons treft hoe royaal Calvijn aan die klachten het woord geeft. Hij drukt ze niet weg, maar wil ze ontzenuwen. Van roomse kant is de klacht menigmaal gehoord, dat de protestanten dus een geloof zeggen te kennen, dat rechtvaardigt, zonder dat het daarom noodzakelijk goede werken kent. Dat klinkt door in de vraag: Kunnen wij vertrouwen, dat we gerechtvaardigd zijn, zonder goede werken te doen? We zouden dat een erg gezochte en nogal schoolse vraag willen noemen, die uit elkaar haalt, wat alleen in samenhang leven kan. Calvijn heeft immers reeds lang het hier gevraagde ontkend. Hij schrijft ergens: Het geloof alleen rechtvaardigt, maar het geloof dat rechtvaardigt, blijft nooit alleen. Het brengt goede werken (bekering) mee. Daarom antwoordt hij nu ook hier: Dat is onmogelijk. Want geloven in Jezus Christus betekent, Hem zo ontvangen, als Hij Zich aan ons geeft. Maar Hij belooft niet alleen ons van de dood te bevrijden en ons weer te brengen tot Gods genade, door Zijn eigen onschuld, maar ons ook door Zijn Geest te doen wedergeboren worden, zodat we heilig leven.
We zouden misschien de verwarring kunnen minder maken, door, wanneer we van geloof of rechtvaardiging spreken, er bij te zeggen, of we dat in de engere, elementaire zin bedoelen (het geloof alleen rechtvaardigt) dan wel in de bredere, complete zin (geloof, dat rechtvaardigt, moet ook heiligen). En het allerbeste is, van deze dingen alleen van uit de volheid te spreken en niet polemisch allerlei tegenstellingen en eenzijdigheden op te roepen. Daar pleit Calvijn in dit antwoord voor: Christus kennen en geloven is geen eenzijdige zaak, maar een volheid. Wij kunnen geen halve Christus ontvangen: alleen vergeving; verder alles oud en koud. We kunnen hier alleen in volheid geloven en hebben, d.w.z. als rechtvaardiging èn heiliging en zo als een volkomen verlossing. Christus, geeft in Zijn genade een streep door een schuldig verleden, maar zegt dan: Ga heen, zondig niet meer! Aan de gave der vergeving paart Hij de Geest der wedergeboorte, om voortaan het pad van Gods geboden te lopen. Calvijn heeft daarvan gezegd, dat het de volkomenheid mist, maar het kent de oprechtheid en zo het hartelijk voornemen. Het christenleven mag nog zoveel missen, het kent althans dit: het Hem van ganser harte zoeken. En de oprechten gaat het licht op.

Het Evangelie is: geloof èn bekering.
Het geloof maakt dus niet slordig (onverschillig) tegenover goede werken, maar is dus eerder de wortel, waaruit ze opkomen. De dominee vat de gereformeerde (reformatorische) rechtvaardigingsleer hier prachtig samen. De werken zijn niet de moeder van de rechtvaardiging, maar zijn er juist het kind van. Zo is het inderdaad: en daarom heeft het geloof twee stukken, nl. geloof en bekering.
Bekering. Calvijn spreekt van niets nieuws. Zovaak hij van goede werken gewaagde, sprak hij immers al van ,,vruchten, een bekering waardig". Als hij hier van geloof en bekering spreekt als van dé inhoud van het volle evangelie, bedoelt hij dus geloof in de engere zin, dat door de bekering diepte en breedte verkrijgt; dat in de bekering z'n echtheid toont. Na wat hij al gezegd heeft, moet de vraag voor de hand liggen: Wat is bekering? Ook het antwoord is eigenlijk een samenvatting van wat al eerder werd uitgesproken:' Het is een afkeer van het kwade en liefde tot het goede, voortkomend uit de vreze Gods en die er ons toe brengen, ons vlees te doden en geregeerd en geleid te worden door de Heilige Geest tot de dienst van God.
Calvijn noemt daar de vreze Gods. We weten immers, dat hij hieronder verstaat geen slaafse vrees, maar ,,kinderlijke vreze". Intussen voelen we, dat Gods rechterstoel, waarvan de rechtvaardiging sprak, er de ondergrond van uitmaakt en er spanning en spankracht aan verleent. Bekering, omkeer, afkeer, inkeer betekent: het kwaad, de zonde, die God haat, ook haten. Dat wil zeggen: ons vlees, waarin die zonde zich zo hardnekkig genesteld en verschanst heeft, evenzeer te haten, ja te kruisigen en te begraven, opdat sterven mocht, wat immers noch leven noch leven wekken kan. Deze doding van het „vlees der zonde" heeft als keerzijde de levendmaking door de Heilige Geest, tot een leven in gehoorzaamheid in de dienst van God.
We merken hier wel, waar de Heidelberger haar antwoord vandaan heeft: afsterving van de oude, opwekking van de nieuwe mens, die lust en liefde kent tot al Gods geboden. Uit deze uiteenzetting merken we, dat de bekering en wedergeboorte een mystieker, verborgen kant heeft, maar ook een uitzicht op het ganse bonte mensenleven. Het is goed gereformeerd, dat laatste, niet los van het eerste, krachtig te handhaven en het gewone, practische leven vooral niet in een ,,mystieke" mist te laten verdwijnen. Als dat gebeurt, wordt èn de bekering èn het dagelijkse leven slecht gediend, omdat ze beide onwezenlijk en schimachtig worden. Dat moge ,,dopers" zijn, het is niet gereformeerd.

De dienst van God is: gehoorzaamheid.
Daarmee is voorlopig toch wel het belangrijkste gezegd. De predikant merkt nog op: Dit is dan wel het tweede punt, dat we aangaande het christenleven hebben aangeraakt. Geantwoord wordt: Ja, want we hebben gezegd, dat de ware en wettige dienst van God bestaat in de gehoorzaamheid aan Zijn wil. De rechtvaardiging is niet het begin van het christenleven, maar is er wel het beginsel van, dat alles doortrekt. Godsdienst, geloof, kan op geen manier beschouwelijkheid zijn, maar bestaat in dienstbetoon, waarin het volmaakte nooit gegrepen, wel steeds nagejaagd wordt, zodat ze het leven in spanning en beweging houdt en voor verstarring behoedt.
Laatste vraag is: En waarom dat? Antwoord: Omdat Hij niet wil gediend zijn overeenkomstig onze fantasie, maar naar Zijn welbehagen.
We merken, dat hiermee de overgang is gemaakt van het geloof naar de Wet. We zullen dus bij voorbaat mogen verwachten, dat Calvijn's uiteenzetting van Gods Wet niet joods-wettisch zal zijn, maar evangelisch, hoog, breed en diep. Daaraan zal hij de volgende 13 zondagen wijden. We volgen hem op zijn weg. Volgen de lezers ons óók nog, al is de weg wat lang ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 23

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's