VERKLARING 3
V. Aangaande de grenzen van kerk en belüdenis.
In punt 5 wordt verklaard, dat men „onder afwijzing van een wettische gebondenheid aan de woorden der klassieke belijdenisgeschriften een leervrijheid wil voorkomen, die de fundamenten der kerk aantast, zoals deze in de Heilige Schrift en in de samenvatting en uitleg daarvan in de belijdenisgeschriften aan onze kerk en aan onze vaderen, aan ons en aan onze kinderen gegeven zijn".
Reeds hebben wij met 'n enkel woord op deze formulering gewezen. (Zie het nr. van 14 aug. j.l.) „Afwijzing van wettische gebondenheid aan de woorden der klassieke belijdenis". Wat wil men daarmede zeggen?
Goed, laat mij twee mijlen medegaan met de woordvoerders, die met zulk een formulering vrede kunnen hebben. Laat mij aannemen, dat zij bedoelen: het gaat niet om de woorden van de klassieke belijdenis, maar om de zin. Men mag iemand alzo om een woord niet lastig vallen of onder censuur zetten, als hij het maar eens kan zijn met de zin.
Welnu, dat klinkt wel plausibel, maar het is in de grond der zaak absurd, want al is het ook, dat mensen de woorden soms gebruiken om de zin, die zij voorhebben, te verbergen, de opstellers van de belijdenisgeschriften hebben dat zeker niet gedaan. Zij hebben naar hun beste weten, gevoelen en streven die woorden trachten te vinden, die de zin der Schriften, zoals zij die in het geloof verstonden, vertolken. '
De woorden zijn er toch om de zin te openbaren en daarom zijn ze, naarmate de zaak ernstiger is, met meer zorg gekozen. Hoe zou dit dan niet zo zijn met de belijdenis aangaande de heiligste dingen ?
Natuurlijk weten zij, die zulke vreemde formuleringen saamstellen, als de onderhavige uit de „verklaring" deze dingen ook wel. Zij weten ook wel, dat er van uit de zin altijd een zekere gebondeniieid is aan de woorden. Waarom anders beamen zij, dat vertalen van de Schrift en van zulke gewichtige stukken zo moeilijk is? Dat schuilt toch juist in de verbondenheid van zin en woord?
Welnu, omdat zij dat wel weten, zetten zij er nog een woord bij: wettische gebondenheid. Dat wil dus zeggen: wel gebondenheid aan de woorden der klassieke belijdenis en derhalve aan de zin dier belijdenis, maar geen wettische gebondenheid.
De enige zin, welke daarin zou kunnen schuilen, zou deze zijn: denk er om: de belijdenis is geen wet. Gij moogt die ook niet als zodanig hanteren.
De belijdenis niet als wet hanteren. Hoe is dat?
Stellen wij ons een of andere wet van de Overheid voor. Als het over wettische gebondenheid gaat, dan toch zeker bij een wet. Wettische gebondenheid aan de woorden der wet! Ja, natuurlijk, zegt de èèn. Neen, zegt de ander: er is ook een beginsel der billijkheid. Niet de letter van de wet, maar de geest der wet. Men zal de wet toepassen overeenkomstig de door de wetgever bedoelde strekking. En indien een hantering naar de letter der wet aan die strekking zou voorbijgaan, of met de geest der wet in strijd komen, wat zou men dan zeggen?
Dat de formulering der wet ongelukkig is en wijziging behoeft. Derhalve zoekt men ook in de wet de geest der wet in de woorden zo nauwkeurig mogelijk tot uitdrukking te brengen.
Afwijzing van een z.g. wettische gebondenheid aan de woorden der belijdenis, kan dan ook alleen worden gevraagd van uit een critische houding jegens de in de woorden voor de hand liggende zin. .
De overeenstemming, het eigenlijke van het belijden, ontbreekt ten aanzien van de belijdenis, zoals die in de in Art, X genoemde geschriften is neergelegd, derhalve bij degenen, die van geen wettische gebondenheid willen weten, hetzij bij henzelf, hetzij bij degenen, die zij daarbij op het oog hebben.
Indien een dergelijke bepaling in de formulering van Art. X ware opgenomen, zou dat voor degenen, die dat wensen, volkomen leervrijheid betekenen.
De korte verklaring, welke de Synode hier „ten overvloede", zo zij zegt, over de grenzen van kerk en belijdenis geeft, zal wel ter goeder trouw zijn, maar ten aanzien van het voorkomen van een leervrijheid, die de fundamenten der kerk aantast, kan zij geen vertrouwen wekken.
Uitteraard is de verklaring der Synode geen belijdenis, maar men kan niet ontkennen, dat zij daarin uitdrukking geeft aan een geest, die bezwaar heeft om de confessie der kerk te doen functioneren overeenkomstig het geloof, waaruit zij getuigt.
Wat verstaat zij onder de fundamenten der kerk?
Hoe staat zij b.v. tegenover het apostolisch symbool? Vallen de daarin beleden heilsfeiten onder de fundamenten?
Daarom is het ons niet mogelijk, noch de verbazing, noch de blijdschap te delen van dr. H. Schroten, waarvan hij gewaagde in een meditatie, welke ook opgenomen werd in Woord en Dienst (zie nr. van 27' juli '58), over de „verklaring" van de Synode.
Het is waar, dat deze zegt: Dat Jezus van Nazareth de Christus is, de Zoon van de levende God, is het fundament der kerk.
Onderstel, dat een Synode wat anders k'wam verklaren, b.v. dat Jezus van Nazareth niet de Zoon van de levende God is, of dat Hij niet het fundament der kerk ware.
Dr. Schroten grijpt naar de belijdenis van Petrus: , , Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God" en zegt dan: „Deze belijdenis is nu door onze Synode met grote nadruk en klaarheid en beslistheid herhaald".
Het doet ons waarlijk leed, maar wij mogen niet nalaten het openlijk uit te spreken, dat de klaarheid en beslistheid ons dan is voorbij gegaan. Om te beginnen is de verklaring der Synode nog wat anders dan belijdenis en voorts is het nog al vrijmoedig om deze , , verklaring" der Synode met de belijdenis van Petrus op èèn lijn te stellen, ja te vereenzelvigen.
Het enige, dat klaar en duidelijk is, is de afwijzing van de stelling: dat Jezus gestorven is, Christus echter opgewekt.
Wij bekennen gaarne, dat wij ons hierover verheugen, maar zou dr. Schroten nu menen, dat daarmee alle negatie der heilsfeiten en alle aantasting van de fundamenten der kerk en van de fundamentele stukken der confessie overwonnen zijn?
Mij dunkt, dat hij zich daarin zou vergissen en wij kunnen niet aannemen, dat hij het zelf gelooft.
Daarom doet het ons te meer leed, dat hij zich zo gemakkelijk heeft overgegeven aan een ongetemperd enthousiasme, ongetemperd en naar ons gevoelen ongegrond.
Dr. Schroten heeft nu de belijdenis van Petrus ais tekst gegrepen om zijn geestdrift te vertolken, maar, als hij nu eens aan 1 Cor. 3 had gedacht: Want niemand kan, een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Chistus en hij had dat hoofdstuk eens met de gemeente gelezen. Hij zou dan zichzelf en zijn hoorders er bij bepaald hebben, dat niemand iets af of toe kan doen aan het feit, dat het fundament gelegd is en dat Jezus Christus dat fundament is — maar dan komt het pas: Een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe! Dat geldt ook voor de Synode en dat nog te meer, omdat zij verklaart, dat Jezus Christus dat fundament is.
Met deze vermaning der Heilige Schrift voor ons is er geen reden tot verheuging, want als wij dan letten op het besluit om de vrouw toe te laten tot de ambten tegen de klare en duidelijke uitspraken van de Heilige Schrift in, dan kan dat niet goed zijn.
Dr. Schroten weet dat, want hij heeft zich met welsprekende en krachtige argumenten uit de Schrift verzet tegen de voorstellen der Synode.
En wat doet hij nu?
Thans zegt hij: Het zou kunnen zijn, dat God door Zijn Geest bezig is onze kerk verder te leiden, door ook de vrouw ambtelijk in te schakelen in Zijn dienst. (Zie Woord en Dienst, pag. 227).
Waarom zou dat kunnen zijn, dr. Schroten? Omdat een kleine, op èèn stem na de kleinst mogelijke meerderheid van classicale stemmen ditmaal vóór is geweest?
Waarde dr. Schroten, nu moet ik ook U bij onze belijdenis bepalen, die Gij toch onderschrijft: Sla art. VII van de Ned. Geloofsbelijdenis eens op over de Heilige Schrift als regel des geloofs. Met name deze woorden: , , Men mag , , ook gener mensen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijk stellen met de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is boven alles), noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten; want alle mensen zijn uit zichzelve leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Daarom verwerpen wij van , , ganser harte al wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt, gelijk , ons de Apostelen geleerd hebben, zeggende: Beproeft de geesten, of zij uit God zijn", enz.
Is de Heilige Schrift voor de kerk de enige regel des geloofs, of niet ? En moet dan de grote menigte (het is nieteens een grote menigte), moeten dan decreten en besluiten boven de onfeilbare regel des geloofs gaan?
Deze dingen spreken zo duidelijk, dat wij daarover toch niet behoeven te discussiëren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's