De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 24

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 24

6 minuten leestijd

ZONDAG 21

De Wet.

Met deze zondag begint het tweede deel van de catechismus, dat handelt over de Wet. Over het feit, dat Calvijn hier de Wet na het geloof stelt, hebben we indertijd in de Inleiding gesproken. We zullen dat hier niet herhalen. Wel brengen we in herinnering, dat in deze volgonde (die de Eerste Catechismus juist omgekeerd had) niet iets principieels ligt. Hoewel Calvijn inderdaad grote nadruk legt op het feit, dat Gods lankmoedigheid en liefde tot het geloof bewegen, is hij toch niet van oordeel, dat de Wet, ook de schrik der Wet, daarbij geen functie zou hebben. Calvijn onderscheidt Wet en Evangelie grondig, waar het betreft de grond der rechtvaardiging (denk aan de vorige zondag), maar hij verbindt ze nochtans evenzeer, waar hij in het Evangelie immers opmerkte het geloof èn de bekering, dus de rechtvaardiging èn de heiliging, die een leven naar Gods Wet meebrengt. En zo zouden we willen opperen, dat de drang, die Calvijn kenmerkt, om rechtvaardiging en heiliging, vergeving en een nieuw leven sterk te verbinden, hem ook wel er toe bewegen moest, de volgorde: geloof èn bekering, Evangelie en Wet zo te stellen. Hij doet dat o.i. om met alle kracht wettische practijken tegen te gaan; om te leren, uit geloof en genade te leven, en niet uit verdienstelijkheden. De geschiedenis van het Gereformeerde Protestantisme is daar, om ons te doen zien, dat zijn nazaten veel wettischer zijn geweest dan hij, wat op een verstarring van een levende belijdenis aangaande de rechtvaardiging is uitgelopen. Daartegen komt dan telkens weer een fel protest van de kant van mensen, die men dan prompt van antinomianisme beschuldigt, d.w.z. van kleinachting en versmading van Gods Wet. We denken aan de 18e eeuwse Verschoristen of Hebreen, aan Kohlbrugge en Bernhardi, die alle een protest bedoelen te zijn tegen een wettische (wetticistische) gereformeerdheid.

Calvijn staat zeer ver van antinomianisme af, maar even ver van het tegendeel, dat men met de naam neonomianisme pleegt aan te duiden. Dat woord, dat de meesten onzer niet zo bekend zal zijn, bedoelt dit, dat men het Evangelie dreigt te maken tot een nieuwe Wet, zoals dat vooral in het 18e eeuwse Schotland is voorgekomen en hier, minder consequent, ook wel voorkwam en voorkomt. Het zal een goede dag zijn, wanneer een van onze jongeren, die er zijn krachten aan gewijd heeft, te onderzoeken, hoe de Wet Gods onder de Gereformeerden is gewaardeerd, ons dan het resultaat voorlegt b.v. van de vorm van een proefschrift, waarmee kerk en theologie gediend zijn.

We laten het hier bij deze enkele aanduidingen, en wijzen er alleen nog op, dat Calvijn heel zeker ook de kennis van onze ellende niet buiten de Wet Gods laat omgaan, getuige, wat we in de vorige Zondag nog lazen, dat bekering voortkomt uit een ernstig vreze Gods. Daar zit de Wet in, echter niet losgemaakt van het Evangelie.

De Wet de regel van Gods regering.

De verhandeling over de betekenis der Wet is het christenleven, verstaan als geloofsleven, opent nu met de vraag: Welke regel heeft de Here om ons te besturen? Geantwoord wordt: Zijn Wet. Welke Wet bedoeld is, kan niet twijfelachtig zijn, het is de Wet Gods, de Wet der Tien Geboden. Daarover wordt dan gevraagd: Wat houdt die in? en daarop wordt geantwoord: Ze wordt verdeeld in twee gedeelten, waarvan het eerste vier geboden omvat, het tweede zes, dus in het geheel tien. Deze verdeling lijkt al heel weinig belangrijk, maar deze schijn bedriegt. Zowel de Roomsen als de Lutheranen hebben nl. een andere indeling, nl. vijf en vijf. Het grote verschilpunt blijkt dus in de waardering van het vijfde gebod te bestaan en achter die andere waardering van dit gebod (het gezag van ouders, met op de achtergrond dat van overheid en kerk) ligt dus deze beschouwing aan gereformeerde kant, dat het vijfde gebod niet meer behoort tot wat rechtstreeks met de Here God samenhangt, maar dat 't de overgang maakt naar het afgeleide gezag, naar de levensverrichting, die op onze naaste zijn gericht. Eerlang hopen we bij de verklaring van het vijfde gebod daarop wat nader in te gaan.

De indeling der Wet.

Calvijn sprak over de indeling der Tien Geboden. Daarbij moet hem wel zeer belangrijk zijn: Wie heeft deze verdeling gemaakt? Hij antwoordt: God Zelf Die de Wet, geschreven op twee tafels, aan Mozes heeft gegeven en gezegd heeft, dat ze bestond uit „de tien woorden" (Ex. 24, 32, Deut. 4). We kunnen niet verzwijgen, dat dit antwoord niet geheel beantwoordt aan de vraag. God heeft de hele Wet in twee tafels gegeven en het tiental der geboden genoemd, maar over de verdeling ervan niet gesproken. Calvijn's antwoord doet ons wel begrijpen, dat hij meende in deze verdeling van 4 en 6 de waarheid aan zijn zijde te hebben.

Wat is de inhoud van de eerste tafel? Geantwoord wordt: Ze betreft de wijze, waarop wij God recht moeten eren. Dan sluit zondag 21 met de vraag: En de tweede? Antwoord: Hoe wij met onze naasten moeten leven en wat we hem schuldig zijn.

Aan de hand hiervan wordt dan de Calvijnse ethiek ontvouwd, die we de komende malen zullen ontmoeten. We kunnen daar alvast wel dit van zeggen: Ze is een theologische ethiek, op God en Zijn dienst en eer gericht, waardoor de enkeling, voor Gods aangezicht, z'n plaats en betekenis ontvangt. Maar ze is toch geen ethiek van vrome eenlingen, maar sociale ethiek, op onze kerkelijke en maatschappelijke verbondenheid met onze naaste ziende. Dat heeft voor Calvijn zeer sterk geleefd: geloof is een dienst aan God en aan de naaste om Gods wille. In de gereformeerde bloeitijd is dit blijven leven, 't kan een soort thermometer van 't gereformeerde leven heten. In matte, moedeloze tijden (eind 18e eeuw) wordt de naaste en daarmee het zendingsmotief, dat daarmee zeer sprekend is gegeven, vaak erg vergeten en wordt de gereformeerde ethiek wel een ethiek van vrome enkelingen. Ook dit is een belangrijk onderwerp om nader te worden bekeken. Wél de man die het aanpakt en zichzelf en ons (Calvijn zou zeggen: ons en zichzelf) daarmee verrijkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 24

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's