De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE PREDIKING VAN CALVIJN 4

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE PREDIKING VAN CALVIJN 4

7 minuten leestijd

4. Het gepredikte Woord, de „moeder van ons geloof'.

Bepaald indrukwekkend is de wijz waarop Calvijn doorlopend spreekt over het nauwe verband tussen het Woord en het geloof. Wij laten enkele uitspraken volgen: , , Het geloof kan niet bestaan zonder relatie tot het Woord; tot de belofte". „Neem het Woord weg en het houdt op geloof te zijn". Het wordt dan een ijdele inbeelding. „Indien het Woord van God niet voorop gaat en het geloof daarmede niet samenstemt, zal er geen melodie zijn". Gelijk een melodie eerst kan ontstaan, wanneer er niet slechts één toon is, maar twee of meerdere tonen, die op elkaar afgestemd zijn, zo is het volgens- Calvijn met het geloof. Het geloof ontstaat door het Woord en is voortdurend afgestemd op het Woord. Het Woord Gods en het geloof des harten vormen samen een melodie.

, , Het woord geloven blijft voor ons onverstaanbaar, als niet vaststaat, dat God moet spreken en dat wij geopende en luisterende oren inoeten hebben, om hetgeen Hij zegt, gehoorzaam aan te nemen en daarin te rusten".

, , Wat is dan geloven? " Geloven is: , , datgene wat uit Gods mond tot ons gekomen is, met zulke eerbied aannemen, dat wij er door vastgehouden worden en er bij ons geen plaats overblijft voor enige twijfel".

Gods spreken omvat tweeërlei, namelijk bedreiging en belofte. Op de belofte richt zich het geloof. Dat wil niet zeggen, dat het geloof de bedreiging Gods niet aanvaardt, neen, integendeel, het onderschrijft zowel Gods oordeel als Gods beloften, maar het is pas waarlijk geloof, als het hart opgericht is door de beloften van genade. Het geloof richt zich niet op een bepaalde belofte, maar richt zich op alles, wat tot onze zaligheid van node is, om alle heil alleen te zoeken in Christus.

Elders benadrukt Calvijn ditzelfde weer met deze woorden: „Men zal nooit verstaan, wat de woorden geloof en geloven betekenen, dan alleen wanneer men komt tot dit samenstemmen van de belofte en het aanvaarden daarvan".

„Dit is naar mijn overtuiging het ware geloven: wanneer God gesproken heeft ons houden aan Zijn Woord en ons geheel daaraan onderwerpen".

Elders zegt hij: , , Het geloof is dus als het ware het ja zeggen op, de hartelijke instemming met Gods beloften".

In een preek over Mattheüs 1 : 21: „Gij zult Zijn Naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden" wijst Calvijn er op, dat er in het geloof een wederzijdse overeenstemming is, tussen wat God heeft gesproken en wat wij onzerzijds ook verklaren en betuigen. Dat wil zeggen: God getuigt, dat Zijn Zoon waarlijk is Jezus, Zaligmaker van zondaren. Nu, zo zullen wij Hem ook gaan noemen, omdat wij door het geloof verstaan, dat Hij inderdaad Jezus, Zaligmaker is. Wij zullen in Christus vinden, wat God ons in Hem schenkt.

Hier hebben wij dus hetzelfde accent, als wat wij vinden in het Johannes Evangelie. Geloven is betuigen, dat God waarachtig is. Een kind spreekt meermalen vader of moeder na. Geloven is Gods Woord naspreken, omdat wij het verstaan en aanvaarden door de kracht van de Heilige Geest. Het is: geloven wat God belooft. Verzekerd zijn, dat Hij is naar Zijn Woord en doen zal naar Zijn Woord.

Inderdaad, in het geloof verwekt God in ons een levend spiegelbeeld van Zijn beloften, of vollediger uitgedrukt van wet en evangelie, eis en belofte. Gods Woord is een tweeëenheid van wet en evangelie. Een waarlijk overtuigd zondaar is iemand, die gevangen ligt onder het beslag van Gods wet (eis en straf); wie gelooft is gevangen onder het beslag van het evangelie. God beloofde aan Israël, dat Hij Zijn wet zou inschrijven in onze harten (Jeremia 31). Voor zo ver ik het kan zien is dit eigenlijk de bekering. In de bekering schrijft God Zijn wet in onze harten, zodat wij Zijn wet bijvallen, aanvaarden en gewillig gemaakt zijn, om naar die eisen te willen leven. Maar God schrijft ook het evangelie in onze harten in — en dit is het geloof — zodat wij van harte geloven, dat er vergeving is in Christus Jezus.

Ursinus, de hoofdopsteller van de catechismus, schrijft in verband met de zekerheid des geloofs, dat God die zekerheid in onze harten ingrift door het evangelie. Zo kun je ook zeggen, dat God het geloof ingrift in onze harten en dat is wezenlijk niets anders, dan dat God de waarheid van het evangelie in onze harten ingrift.

Ingriffen, dat is een woord, dat wij bij Calvijn telkens tegenkomen. Hij noemt dit het dubbele ambt van de Heilige Geest, ons de waarheid van Gods Woord duidelijk maken — dat is de verlichtende werking van de Heilige Geest — en ons verzekeren van die waarheid; die waarheid in onze harten ingriffen — dat is de verzegelende werking van de Heilige Geest.

Het geloof bestaat voor Calvijn niet allereerst in de zekerheid of de hoop, dat men bekeerd is; ook niet in het vermoeden of het vertrouwen, dat men — zoals men dit later gaat uitdrukken — , , genade bezit". Het geloof bestaat allereerst in de zekerheid, dat God waarachtig is, dat God zondaren genadig wil zijn. Die uitdrukking komt herhaaldelijk in Calvijn's werken voor: , , God graveert de zekerheid Zijns Woords in onze harten".

Tegenwoordig wordt er veel gediscussieerd over de vraag, wat voorop moet gaan: de wet of het evangelie. Onze vaderen spraken steeds over , , wet en evangelie"; tegenwoordig wordt deze volgorde door velen verworpen. Zij spreken over evangelie en wet. Op Golgotha zou men zijn zonden leren kennen; niet de wet overtuigt van zonde, maar het evangelie, het kruis van Christus.

De Hervormers hebben alle drie — dus Luther, Zwingli en Calvijn — zeer bewust de volgorde wet en evangelie gehandhaafd en verdedigd. Door middel van de wet overtuigt God van, zonde, door middel van het evangelie wordt de zondaar bevrijd. Op Golgotha •— om deze spreekwijze even over te nemen —• leert men zijn zonde niet kennen, daar raakt men ze juist kwijt. Christus, door het geloof in ons levend wordend, bevrijdt ons van de schuld en doet ons in de ruimte gaan.

Voor velen, die dwepen met de volgorde evangelie en wet, is het in de practijk geworden; evangelie, zonder wet, zonder eis en oordeel. Geheel anders ligt het — naar het Woord — in de prediking van Calvijn. Hoewel Calvijn heel weinig, ja bijkans nooit over zijn bekering en zijn bekeerd zijn spreekt, wie zijn preken leest zal wel gaan verstaan, dat we daarin met een man te doen hebben, die het oordeel Gods heeft leren verstaan en heeft beleefd. Hoe vaak spreekt hij niet over de doemwaardigheid van de zondaar. En met nadruk zegt hij het meer dan eens, dat de predikers hun hoorders moeten stellen voor het gericht Gods, van waar wij een zekere verdoemenis halen".

Zo moet het ook. Alleen geoordeelden zullen een recht gebruik maken van het evangelie der verlossing.

Werkelijk Gereformeerd kan de prediking alleen zijn, wanneer beide zijden, wet en evangelie voluit doorklinken. In de prediking wordt gericht geoefend. In de prediking moet het toekomstig oordeel reeds weerklinken: het wee over de ongelovigen, die zich niet van harte bekeren; het wel over degenen, die zich tot God bekeren en tot Zijn genade de toevlucht nemen.

Maar, die prediking moet levend zijn. Geen verkondiging van een dogmatisch systeem, maar verkondiging van de levende God.

Pascal, een franse christen-wijsgeer, heeft wel eens onderscheid gemaakt tussen de (denk-) god der wijsgeren en de'levende God van de Bijbel. Wij moeten ook niet de levende God verwisselen voor de God van een dogmatisch systeem.

De levende God, Die Zijn Woord levend maakt, moet beslag op ons leggen. Op predikers en hoorders. Wij moeten zelf geloven, wat wij anderen prediken. Herhaaldelijk bindt Calvijn het de predikers op het hart. Ergens zegt hij: , , Hoe zullen de mensen hun zonden leren bewenen, als gij ze zelf nooit beweend hebt? " , , Zij, die door Gods Geest niet wedergeboren zijn, dewijl zij de kracht des evangelies inwendig niet gevoeld hebben, hebben een dode prediking, welke behoorde levend en krachtig en werkzaam te zijn".

Elders past hij dit toe op alle ambtsdragers. , , Zij die door Gods Geest niet wedergeboren zijn, moeten in de kerk niet dienen, met hoe grote gaven zij overigens begiftigd zijn".

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE PREDIKING VAN CALVIJN 4

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's