De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 25

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 25

13 minuten leestijd

ZONDAG 22

De aanhef der Wet.

Na de inleiding: het eerste gebod. Gevraagd wordt: Hoe luidt het eerste gebod? en het antwoord luidt: Hoor Israël, Ik ben de Here uw God, die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. (Ex. 20, Deut. 5). De catecheet vraagt vervolgens: Verklaar dit gebod en hij krijgt dan te horen: Om te beginnen is dit als het ware een inleiding op de hele Wet. Want God kent Zichzelf hier het gezag toe, om te kunnen gebieden; Hij is dè Eeuwige, de Schepper der wereld. Vervolgens noemt Hij Zich onze God, om Zijn leer voor ons zeer lieflijk te maken. Want als Hij onze Verlosser is, hebben wij alle reden, om Zijn gehoorzame volk te zijn.

Inderdaad is de aanhef van dit eerste gebod zoveel als een inleiding tot het geheel, zoals de eerste zondag van de Heidelberger een zelfde plaats inneemt in het verband van het hele werk.

Gods Recht.

Calvijn merkt in die inleiding in de eerste plaats op Gods Koninklijke recht om te gebieden. We begrijpen hier, waarom Gods souvereiniteit voor hem zo grote waarde heeft. God is de Here, Jehova, de God, die aan geen verandering is onderworpen. Daarom komt Hem een volstrekt gezag toe over al wat leeft en kan en moet Hij aan alles de wet stellen. Waar dit zo staat, heeft de Wet Gods in de Schrift en zo in de gereformeerde theologie een grote en belangrijke plaats en kan er geen twijfel aan bestaan, of die Wet ook betekenis heeft voor het kennen van God.

Niet wettisch.

Daarmee is echter in genen dele gezegd, dat Calvijn en het Calvinisme zo'n groot gevaar lopen, wettisch te worden. Die aanklacht komen we steeds weer in de literatuur over Calvijn tegen en ons dunkt, dat die meestal voortkomen uit een verwarring van wettelijk (overeenkomstig Gods Wet) en wettisch.

We ontkennen niet, dat na Calvijn een ontwikkeling in wettische zin is opgetreden, maar we menen te mogen zeggen, dat dit bij Calvijn zelf zeker niet aan de orde is. De uitleg van deze zondag bewijst het, want de majestieuze aanhef der Wet, de belijdenis van Gods souvereiniteit, wordt aanstonds met het Evangelie verbonden. De belijdenis van het: Gode alleen de eer, is dus niet bestemd, om als een koude, harde leus, buiten het leven des geloofs te blijven staan, want Gods eer en het heil der mensen blijkt hier hecht verbonden te zijn. Calvijn merkt op, dat de woorden: Ik, de Here, ben uw God, wel zeer geschikt zijn, om ons, hetgeen de Here ons in de aanhef van Zijn Wet zei, aantrekkelijk te maken. Want daarin brengt Hij immers tot uitdrukking, dat Hij, de Hoge en Verhevene, toch niet ver van ons wil blijven, maar Zich genadig met ons wil inlaten. Merkwaardig dan en vooral verontrustend, dat in onze kring er zo menigmaal alarm wordt geslagen, wanneer een predikant de Here aanspreekt als: Here onze God. Daar meent men dan van te moeten maken, dat hij de Here te gemakkelijk tot zijn eigendom maakt. Maar dat bedoelt deze uitdrukking toch juist nooit. Als wij de Here onze God noemen, dan verheffen we niet onszelf, maar Hem. Dan bedoelen we niet, dat Hij, van ons uit, op natuurlijke wijze, ons eigendom zou zijn, maar dat integendeel wij Zijn eigendom zijn, onder Zijn tucht en recht staan en daarom zo op Zijn genade zijn aangewezen. Dat protesteren tegen het spreken van de Here onze God verraadt o.i. een tuchteloosheid, een gebrek aan theologisch verstaan der dingen, dat men van gereformeerde mensen niet zou verwachten. Als dat onder ons niet verstaan en beoefend wordt, moeten we niet vergeten, dat mensen, die niet spreken naar het Woord (en de Wet) volgens dat Woord geen dageraad zullen hebben.

Nu we toch de vinger leggen bij een tere en zere plek, die hoognodig moet genezen worden, voegen we erbij, dat het protest tegen de aanspraak onzer gemeenten als Gemeente des Heren uit een zelfde misverstand als bovengenoemd voortkomt. Men meent, dat dit alleen kan bedoeld zijn van het Evangelie uit en dat het dus onwaar is, omdat van de aangesproken gemeente niet geldt, dat allen, hoofd voor hoofd, zich des Heren eigendom weten. Maar dat bedoelt die aanspraak niet allereerst en alleen. Ze wil eerst uitspreken het recht, dat de Here onze God, dat de Here Christus op elk en ieder heeft, en dat immers uitkomt in de oproep tot elk en ieder, om zich te bekeren. Wat vreemd en tegensprakig, dat men (terecht!) alarm slaat, wanneerde oproep tot bekering in een preek ontbreekt, terwijl men (ten onrechte) zich verontrust, wanneer dat zelfde wordt uitgesproken in de aanhef van de preek: Gemeente des Heren. Hier is een hinken op twee gedachten, dat een vaste gang in Wet en Evangelie onmogelijk maakt. Is het wonder dat er zoveel onzekerheid en kleingeloof onder ons leeft, wanneer in dit zeer eenvoudige abc des. geloofs al gestruikeld wordt? Op deze wijze wordt ook de bevinding verschraald en in haar gezonde ontwikkeling belemmerd, want de bevinding des geloofs naar het Evangelie kan niet leven buiten het bereik van Gods Wet, van Zijn genadeverbond en zo van Zijn genade en Geest. Met het oog op dit alles, waarin wij zeer zwak en gedeeld staan, kan de oproep niet gemist worden: Tot de Wet en tot de Getuigenis! Zo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad hebben.

Wet en Evangelie.

We zien zo, dat de Wet bij Calvijn een doorgaande betekenis heeft, maar ook, dat ze voortdurend op het Evangelie, op de genade van de Vervuller, de Here Jezus Christus ziet. Daarom vindt Calvijn deze , , leer" (maar die leven is) zo lieflijk, omdat een God, die zich doet kennen als 'n God des Genadeverbonds, dus der genade, een God, die recht heeft onze bekering te eisen, maar die deze wil schenken, wel recht en reden heeft, om dus gehoorzaamheid te verwachten.

Deze verbinding van Wet en Evangelie, van Gods eisen en beloften, is kostelijk en wil in practijk gebracht zijn door predikanten en gemeenten! Juist de harde billijke eis der Wet dringt en lokt zo tot gehoorzaamheid, tot geloof.

Het diensthuis uitgeleid.

Dan vervolgt onze zondag: Wat er volgt over de uitleiding uit Egypte, is dat niet in het bijzonder bestemd voor het volk Israël? We merken hier, hoe fijn Calvijn's , , exegetisch geweten" voelde, hoe wars hij er van is, van alles maar alles te maken. Hij antwoordt: Als we dit alleen letterlijk opvatten, wel. Maar het geldt ook voor alle mensen in het algemeen, daar Hij onze zielen heeft bevrijd uit de geestelijke gevangenschap van de zonde en uit de tyrannie van de duivel.

Calvijn respecteert dus de letterlijke zin van dit woord, die alleen Israël betrof. Hij vergeestelijkte dit woord niet, maar wijst er op, dat het boven zichzelf uitwijst, naar een innerlijker, geestelijker gebeuren. Immers van alle mensen, van de mens, geldt, dat er een geestelijke slavernij en machteloosheid bestaat. Daarvan verlost te zijn, en te kunnen worden, betekent ook een uittocht uit het slavenhuis, door de krachtige hand en het bewogen hart van Hem, die dat daarom doen wilde, en nog wil, nl. omdat Hij daartoe de macht en het welbehagen heeft. Dat Calvijn dit op evangelische wijze aan alle mensen wil zien gepredikt, behoeft ons niet te verwonderen, immers hij spreekt niet vanuit de verborgen dingen (praedestinatie) maar vanuit de openbaring Gods in Zijn Wet, die voor alle mensen eisen en beloften in zich heeft.

Wet en Evangelie trekken tot de dienst van God.

Nog nader gaat Calvijn op deze woorden in. Hij vraagt nog: Waarom staat dit aan het begin van de Wet? en hij laat antwoorden: om er ons aan te herinneren, hoezeer wij gehouden zijn, hetgeen Hem behaagt te doen, en hoe ondankbaar het van ons zou zijn, het niet te doen. We moeten er op letten, hoe fijn Calvijn zich hier steeds aan het geopenbaarde houdt, hoe hij vanuit de Wet, vanuit het heilige moeten tot het Evangelie, het heilige mogen komt. Mogelijk denkt deze of gene: Spreekt hier de man, die de verkiezing Gods zo krachtig beleed? We antwoorden: Ja, hier spreekt de man, die de verkiezing Gods (de verkiezende God) nooit losmaakt van de practijk des geloofs, die krachtens de , , schrik des Heren" zo gedurig tot het geloof beweegt. Onder ons wordt gedurig uitgegaan van de verkiezing, meer nog van de verwerping, en daardoor wordt de eis der Wet en de nodiging van 't Evangelie reeds van te voren als verlamd. Daardoor worden Wet en Evangelie krachteloos gemaakt, een diep-onbijbels en ongereformeerd bedoelen. Calvijn doet zo niét, ook hier niet. Hij begint met ons te stellen voor Gods eisen en beloften, die een gelijke klem hebben. En dan vraagt hij: kunt ge en durft ge het werkelijk laten, U aan deze God van recht en genade te onttrekken? Moet ge niet en moogt ge niet u in Zijn armen werpen, u aan Hem toevertrouwen, opdat Hij liet werken en willen, dat bij u zelf niet is, werke naar Zijn welbehagen? Calvijn laat hier onze blijvende verantwoordelijkheid krachtig spreken, hoewel ze evangelisch verdiept en verrijkt is. Zo kan hij op ons geweten, op ons hart (haast zouden we zeggen: op ons eergevoel) appelleren en zeggen: Zulk een God, zo machtig en zo gunstrijk, zult gij toch wel niet durven en willen ontlopen? Die moet en moogt gij immers erkennen in al uw (doodgelopen) wegen, opdat Hij ze recht make?

Geen goedkope genade.

Zo ziet Calvijn het komen tot een leven uit Gods genade en zo wordt het nooit een „goedkope genade". Als wij nog al eens fel uitvallen tegen de „goedkope genade" der „middenorthodoxie", maar evenmin als zij aan Gods Wet (en Evangelie) de rechte plaats geven: zien we dan niet wèl de splinter in anderer oog en niet de balk in het eigene? Wanneer onder ons de spreekwijze: Mocht gij dit of dat levend te verstaan krijgen, nogal eens klinkt, nemen wij die graag volkomen ernstig. Maar alleen, wanneer de volle klem der Wet er op staat èn de volle belofte van het Evangelie er achter staat. Anders vergeet men, dat lijdelijkheid en afhankelijkheid niet het zelfde zijn. Calvijn is veel minder lijdelijk dan wij. Zijn wij echter van God en Zijn recht en genade afhankelijker dan hij?

Het eerste gebod.

Nog wordt gevraagd: Wat vraagt God van ons in dit eerste gebod? Calvijn komt dus tot de inhoud ervan en vat die aldus samen: Dat wij Hem alleen de eer geven die Hem toekomt en aan niemand anders. Daar komt al weer die nadruk op Gods souvereiniteit, op Gods eer naar voren, die we al eens aanwezen. Ook hier weer geen spoor van speculatie vol onzekerheid, maar het staat weer op de hechte grond van een practijk des geloofs, die door Wet en Evangelie wordt zuiver gehouden: God moet Zijn eer hebben. Hij wil die alleen ontvangen en dat met niemand anders delen. Dat doet vanzelf de vraag opkomen naar wat die Ere Gods eigenlijk is. Vandaar dat de vraag volgt: Welke eer komt Hem toe? Antwoord: Hem alleen te aanbidden, Hem aan te roepen, ons vertrouwen op Hem te stellen en alles wat verder aan Zijn Majesteit toekomt.

De Ere Gods.

Een bekend dogmenhistoricus (O. Ritschl) heeft van die Ere Gods gezegd, dat ze is ontleend aan het oude franse koningschap, dat inhoudt, dat die koning met alle macht op zijn eer en recht staat, om toch maar groot en imposant te zijn. Als we op de franse koningen letten, die we in de geschiedenis van de franse Reformatie tegenkomen: eerzuchtige, maar ook onbetekenende figuren, en we leggen daar Calvijn's antwoord naast, dan lijkt het ons onweersprekelijk, dat die Ere Gods voor Calvijn veel majesteitelijker en hoger, maar ook veel genadiger, veel warmer is. We zien immers, dat Wet en Evangelie er weer hand aan hand in gaan. God wil geëerd, erkend zijn als Wetgever en Koning, maar dat houdt ook in, dat we Hem alleen aanbidden, aan­ roepen, vertrouwen, omdat ook dat aan Zijn majesteit toekomt. Heel het geheim der openbaring, der godzaligheid wordt hier openbaar: de majesteitelijke God, die niets en niemand nodig heeft, stelt er toch een eer in, kennis te nemen van de kleine (en grote) belangen van ons kleine mensen. Dat noemt Hij Zijn eer en Hij beklaagt Zich, wanneer die aan Hem onthouden wordt: „Ben Ik een Koning, een Vader, waar is mijn Eer"? Daarmee is uitgedrukt, dat geen zaak in ons leven te groot is, maar ook geen te klein, dan dat de Here er in gekend, er om gebeden, er voor gedankt wil zijn. Die Ere Gods, hoog en diep theologisch, komt zo juist tot leven in de levenspractijk. Moge dat laatste vooral niet ontbreken onder ons, die deze Ere Gods zeggen te zoeken en te belijden.

„Voor Mijn aangezicht".

Calvijn besluit met dit laatste: Waarom zegt Hij: voor Mijn aangezicht ? Daarop geeft hij ten antwoord: omdat Hij alles ziet en kent en zelis over de geheime gedachten der mensen oordeelt. Hij bedoelt daarmee, dat Hij niet alleen door uiterlijke belijdenis als God erkend wil worden, maar ook in zuivere waarheid en genegenheid van het hart.

De uitdrukking: , , voor Mijn aange­zicht" is een typisch hebreeuwse zinswending, die in het Oude Testament gedurig voorkomt. Ze betekent: tegenover of: onder mijn ogen. Denk b.v. aan Genesis 12: Abram moet oprecht wandelen „voor Gods aangezicht", d.w.z. voor Zijn ogen. Er is wel getwijfeld aan de omvang en diepte van Calvijn's kennis van het hebreeuws. Hij studeerde immers eerst Rechten, daarna Letteren en nooit Theologie. Latijn en Grieks beheerst hij meesterlijk, maar Hebreeuws moet hij zich door zelfstudie hébben eigen gemaakt. Zijn commentaren op het Oude Testament en de verklaring van de uitdrukking waarover het hier gaat, laten ons. er niet onkundig over, dat hij ook in het Hebreeuws zeer goed georiënteerd was. Hij legt die uitdrukking immers, geheel ter zake, zo uit, dat God, als de Alziende, als doorgronder van de heimelijke gedachten der mensen ons op het hart bindt: Denk er aan, dat Ik u zie en dat gij leeft onder Mijn ogen. Ik ben niet tevree met zekere vormelijkheid, maar alleen met waarheid in het hart en met oprechtheid in doen en laten.

Hierin ligt weer de eis der Wet. Maar ook en meer de belofte van het Evangelie: , , Ik zal raad geven. Mijn oog zal op u zijn" (Psalm 32).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 25

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's