De Engelen Gods 4
In dit laatste artikel willen wij dan nog nader enkele opmerkingen maken over de dienst der engelen. Aangezien het niet mogelijk is in kort bestek alle Schriftgegevens, die daarop betrekking hebben, te behandelen, bepalen wij ons tot het aanduiden van enkele hoofdzaken.
Welnu, bij het dienstbetoon der engelen kunnen wij onderscheid maken tussen hun gewone of hemels-interne dienst, die bestaat in het toegewijd dienen van God, in het , , staan voor Zijn aangezicht", èn hun buitengewone, externe, op de aarde en haar bewoners gerichte dienst. Een indrukwekkende tekening van eerstgenoemd dienen, vinden wij in Jesaja 6, waar de profeet ons zijn roepingsvisioen beschrijft. Bedoelde onderscheiding mag echter niet opgevat worden als een tegenstelling, want ook in de dienst-aan-mensen volbrengen de engelen slechts de hun door God~ opgedragen taak.
De buitengewone of externe dienst der engelen staat in onmiddellijk verband met de verwerkelijking van Gods heil. In een der vorige artikelen merkten wij al op, dat de engelen een brede plaats innemen in de geschiedenis der heilsopenbaring, en dan vooral waar deze begint, waar zij eindigt en in haar centrum. Direct na de zondeval treden zij op, en juist op de grote, beslissende momenten in de heilsgeschiedenis verschijnen zij in opvallende mate. Engelen brengen een bijzondere boodschap van God over of treden zegenend en straffend op. Denk b.v. aan Abraham en de geschiedenis van de ondergang van Sodom; aan de doodsengel in Egypte, enz. Vooral in het Nieuwe Testament verschijnen zij herhaaldelijk. Wij horen van hen rondom de geboorte van Christus; bij het open graf; terwijl Christus eenmaal zal wederkomen met Zijn heilige engelen.
In dit alles begeleiden zij de gang van het Koninkrijk Gods, de eeuwen door, en zijn zij ijverig in dienstbetoon aan hen, die het heil beërven zullen. In dit licht moet reeds de dienst der cherubs gezien worden bij de hof van Eden met een flikkerend zwaard „om te bewaren de weg van de boom des levens". Zeker, deze cherubs zijn a.h.w. de vlammende bevestiging van Gods misnoegen over het door de mens bedreven kwaad. Staande aan Gods kant, als representanten Gods, moeten zij zich wel stellen tegenover de gevallen mens. Maar terwijl de cherubs in het bewaken van de weg naar de boom des levens — aanduiding van de gemeenschap met God — er getuigenis van afleggen dat de toegang tot God van-de mens-uit onmogelijk is, worden zij daarin tegelijk wegwijzers naar de andere weg, de weg der genade, die God zelf door 't beloofde „zaad" der vrouw banen zal. Ook de afweer der cherubs is dus ten diepste niet tegen de mens gericht, maar tot zijn behoud gegeven.
Hoe belangrijk het optreden der engelen echter ook is in de geschiedenis der heilsopenbaring, toch brengen zij het heil nooit zelf tot stand; zij zijn slechts instrumenten waarvan God zich bedient. Maar als zodanig stellen zij dan ook levendig belang in de gang van het machtige werk der verlossing, strijden zij voor God en Zijn zaak en dienen zij de gelovigen, wier helpers en geleiders zij zijn. Als zodanig worden zij in de Schrift meermalen vermeid. Voor de Oud-testamentische gelovige was de wacht der engelen zelfs een zeer persoonlijke aangelegenheid. Om een enkel voorbeeld te noemen: Wanneer Abraham zijn knecht Eliëzer er op uitstuurt om voor Izak een vrouw te zoeken, dan geeft hij hem de verzekering mee: De Here, de God des Hemels ... Hij zal Zijn engel voor uw aangezicht zenden, en gij zult van daar voor mijn zoon een vrouw nemen (Gen. 24 : 7, 40). In Psalm 34 : 8 lezen wij: De Engel des Heren legert zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen. En in Psalm 91 : 11, 12 wordt gesproken van engelen, die op Gods bevel de dichter behoeden zullen, opdat hij zijn voet niet aan een steen stote. Inderdaad, zou de dienst der engelen dikwijls niet veel reëler zijn, dan wij bereid of in staat zijn te erkennen?
In dit verband willen wij tenslotte nog een ogenblik de aandacht vestigen op de leer der zgn. beschermengelen. Onder het Jodendom rondom het begin van onze jaartelling was deze leer al breed uitgewerkt. Men geloofde, dat ieder mens zijn eigen beschermengel had, terwijl men tevens, in verband met de 70 (of 72) volkeren die de aarde zouden bewonen, het bestaan aannam van 70 (of 72) volken-engelen. Vooral Michaël wordt genoemd als de beschermengel van het volk Israël. Bij het jongste gericht is hem een bijzondere rol toebedeeld. Hij strijdt in de laatste dagen voor zijn volk; hem is het gericht opgedragen over de gevallen engelen. Ook brengt Michaël de door andere beschermengelen verzamelde goede werken der vromen voor God. Hij is de hemelse hogepriester, wiens altaar in de vierde hemel staat. Engelen dacht men zich ook, als de hemelse voorbidders der gelovigen; zij brengen hun gebeden voor Goids troon.
Duidelijk is, hoezeer het Jodendom met al deze gedachten de bodem der Schrift verlaten had. Toch werd veel ervan al spoedig door de christelijke kerk overgenomen. Vooral Origenes, een belangrijke figuur uit de eerste helft der derde eeuw, toonde een grote voorliefde voor de leer der beschermengelen. In de Roomse kerk vond deze leer steeds meer ingang; de engelen zijn volgens haar ook als voorbidders in de hemel werkzaam, en zij acht de aanroeping der engelen goed en nuttig.
De gedachte dat iedere gelovige zijn eigen beschermengel heeft, werd ook aangehangen door Luther. Voorzichtiger oordeelde echter Calvijn in deze materie. Hij schrijft in zijn Institutie, boek I, hoofdstuk XVI, 7 het volgende: „Maar of aan ieder gelovige afzonderlijk een engel toegevoegd is te zijner bescherming, zou ik niet voor vast durven beweren. Ongetwijfeld, wanneer Daniël spreekt van een engel der Perzen en een engel der Grieken, (Dan. 10 : 13, 20; 12 : 1), dan geeft hij daarmee te kennen, dat bepaalde engelen bestemd worden tot stadhouder, om zo te zeggen, over koninkrijken en landschappen. Ook Christus, wanneer Hij zegt, dat de engelen der kinderen altijd het aangezicht Zijns Vaders zien (Matth. 18 : 10), geeft daarmee te kennen, dat er bepaalde engelen zijn, aan wie hun heil toevertrouwd is. Maar ik weet niet, of men daaruit moet opmaken, dat een ieder onder de leiding staat van een eigen engel. Maar dit moet men wel voor zeker houden, dat ieder onzer niet het voorwerp is van de zorg van slechts één engel, maar dat allen eensgezind waken voor ons heil".
Tot zover Calvijn, die ook hier weer de Schrifttheoloog bij uitnemendheid blijkt te zijn, door niet wijs te willen wezen boven hetgeen de Schrift ons leert. Met opzet gaven wij de opvatting van Calvijn wat breder dóór, omdat daarmee het juiste antwoord gegeven is op de vraag, in hoeverre wij met de leer der beschermengelen kunnen instemmen. Calvijn aanvaardt de gedachte, dat de engelen waken voor het heil der gelovigen, maar spreekt met grote voorzichtigheid, aangezien de Schrift zelf op dit punt grote soberheid in acht neemt. Vanzelfsprekend wilde Calvijn dan ook niets weten van een vereren of aanroepen der engelen, gelijk dit bij Rome wordt aangetroffen. De roomse beweringen en pracüjken vinden in de Schrift geen enkele steun. Hiermee is tegelijk uitgesproken, dat de engelen geen onmisbaar element zijn in het leven des geloofs. Maar toch is datgene wat ons aangaande hen geopenbaard is, niet zonder betekenis.
Samenvattend wijzen wij op het volgende:
a. De engelen strijden voor God en Zijn zaak als krachtige helden. Wij staan in de geestelijke strijd tegen zonde, duivel en wereld niet alléén.
b. Zij volbrengen Gods wil op volmaakte wijze en zijn ons daarin tot een voorbeeld en aansporing.
c Zij stellen levendig belang in het werk der genade en leven met de gemeente mee.
d. Zij waken voor het heil der gelovigen en worden uitgezonden tot hun dienst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's