DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 26
ZONDAG 23
Het tweede gebod.
Het tweede gebod is nu aan de orde. Op de vraag: Hoe luidt het tweede gebod? wordt geantwoord: Gij zult geen gesneden beeld noch enige gelijkenis maken van hetgeen boven in de hemel is noch van hetgeen beneden op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aaide is. Gij zult u voor hen niet buigen noch hen dienen.
Calvijn en de kunst.
Daar wordt dus het afbeelden van God verboden, in het bijzonder, waar men bedoelt, die ook nog te vereren. Dat brengt de kwestie aan de orde aangaande het afbeelden in het algemeen, dus over de betekenis van de kunst. Wanneer Calvijn die hater van schoonheid was, die men veelvuldig van hem maakt, zou hij hier zijn afkeer van elke kunst goed hebben kunnen openbaren. Dit blijft echter uit: het gebied van kunst en schoonheid blijkt volstrekt niet in de ban te zijn gedaan. De vraag wordt gesteld, naar aanleiding van het verbod om God af te beelden: Verbiedt Hij ten enenmale ook maar enig beeld te maken? en daarop wordt geantwoord: Neen, maar Hij verbiedt wel elk beeld, dat God wil afbeelden en waarin men God wil aanbidden.
Dit is een klaar antwoord: beslist en toch ruim. De beeldende kunsten mogen hun uitloop hebben, mits ze hun grenzen kennen.; En die grens loopt hier: mits ze de Here God niet pogen uit te beelden en zulke afbeeldingen in de eredienst invoeren.
Het zou de zaak niet dienen, al kan het wel even lokken, hier een ogenblik stil te staan bij Calvijn's gedachten over de kunst. Het was een nog al omstreden onderwerp: men meende de „puritein" Calvijn alleen als beeldstormer en kunsthater te kunnen zien, maar in de laatste jaren heeft dit gebied de aandacht getrokken en kwam een protestants geleerde (L. Wencelius, L'esthétique de Calvin, 1937) en een rooms katholiek kunstenaar (J. Pollman, Calvijns aesthetica, 1938) tot zeer overeenstemmende conclusies. We kunnen degeen, die zich voor deze zaak interesseert, alleen naar deze geschriften verwijzen, om de catechisatiekamer niet te vermengen met de collegekamer in een kunsthistorisch instituut. We zeggen er alleen nog bij, dat Calvijn's openheid tegenover de kunst zeer ondopers moet heten en dat wij in onze kring dat zelden hebben nagevolgd; althans nog niet.
God is onafbeeldbaar.
Na het vorige antwoord moet de derde vraag wel voor de hand liggen: Waarom is het ten enenmale ongeoorloofd, God zichtbaar voor te stellen? Geantwoord wordt: Omdat er geen enkele overeenkomst bestaat tussen Hem, die eeuwige niet te bevatten (te begrenzen) Geest is en de lichamelijke, dode, verderfelijke en zichtbare stof. (Deut. 4 : 15; Jes. 41 : 7; Hand. 17 : 24; Rom. 1 : 23).
Bij het horen en overwegen van dit veelzeggende antwoord komt ons te binnen, dat de Hervorming in haar geheel en de gereformeerde tak ervan in het bijzonder een terugkeer heeft betekend tot een geestelijk verstaan van God en van de christelijke, religie. Vaak verwijt Calvijn aan de Roomse Kerk, dat ze veel van Geest en geestelijk spreekt, maar in de practijk afzakt naar een materialisme.
Die terugkeer en dit protest komen in het hier gegeven antwoord tot krachtige uitdrukking. We begrijpen, dat deze reactie het gevaar moet lopen, door te slaan en tot die soort van geestelijkheid te komen, die Dopers en Vrijgeesten ons doen kennen. Met hen ziet Calvijn een diepe kloof tussen geest en stof. Maar het onderscheidt hem van de genoemden, dat hij die niet vooral wijsgerig opvat (het eindige kan het oneindige, niet bevatten), maar diep religieus, en gelovig, zodat die tegenstelling niet de Schepping in de ban doet, maar zich tegen de gevallen mens keert. Bij Calvijn loopt die tegenstelling van stof en geest derhalve uit op de tegenstelling; vlees en geest. Het belang van die frontverlegging zal ons duidelijk zijn. Wie alleen uit de tegenstelling stof—geest leeft, vervalt licht tot een geestesaristocratie, die uit „geestelijke" hoogte neerziet op het nietig aards gewemel. Dit is een hoogmoedige houding, die aan een gereformeerd christen wel onbekend moet zijn. Want de tegenstelling vlees—geest is wel geschikt, om ons te verootmoedigen, omdat ze ons van onze zonde spreekt; daarvan, dat niet de dingen om ons heen kwaad zijn, maar wij zelf. Wanneer de geestdrijvers wetenschap en kunst verachten, is dat, omdat ze zich er te goed voor voelen; als binnen de kring der gereformeerde gezindte deze dingen (te) weinig volledig aan de orde zijn gesteld, komt dat eerder daaruit voort, dat men er zich eigenlijk te min voor voelt, te gedeeld en daarom te zeer vervuld met dingen, die onmiddellijk levensnoodzakelijk zijn.
Tegen deze achtergrond wil o.i. Calvijn's antwoord zijn begrepen. Als hij de stof hier, zeer critisch, uiterlijk, dood, verderfelijk noemt, bedoelt hij niet God de Schepper en Zijn Schepping aan te klagen. Hij komt tot zichzelf en bedoelt met die stof de geschapen wereld, zoals wij ze hebben ontluisterd.
Dat geschapene, zoals wij het nu kennen, is ten enenmale ongeschikt om de heerlijkheid van de onverderfelijke God te weerkaatsen of uit te beelden. Afbeelden berust op een overeenstemming. Iets groots of vers wordt kleiner en meer nabij afgebeeld. Daartoe heeft de menselijke geest bepaalde vermogens ontvangen, wiskundige en kunstzinnige, besef van perspectief en gevoel voor kleuren. De beoefening van kunst spreekt dus van een zekere macht van de mens over het geschapene en vloeit als zodanig voort uit de scheppingsopdracht, heerschappij te voeren over deze aarde.
Als een christelijke kunst, beoefend in gereformeerde geest, dan tot abc heeft de erkentenis, dat deze macht in door de zonde verblinde mensen gebroken, veronzuiverd is, dan moet daaruit wel volgen de erkentenis, dat daarom die ,,macht" van de mens in het begrijpen en verbeelden der dingen geheel en al gebroken ligt, waar het de Here God betreft, die Calvijn uitdrukkelijk de eeuwige Geest noemt. Wij mogen dan al de eer hebben ontvangen, van Gods geslacht te zijn (Hand. 28), maar dit sluit generlei natuurlijke verwantschap en gelijkheid in, integendeel. Veeleer valt te zeggen, dat de natuurlijke, verdwaasde mens niet verstaat de dingen, die van God, die Geest is en van de Geest van die God zijn. Die God is zo hoog en verheven, zo anderssoortig, zo onvoorstelbaar, dat alle mogelijkheid. Hem van de mens uit af te beelden, is uitgesloten. Hij is alleen Zelf bevoegd, om ons een beeld van Zichzelf te geven. Dit doet Hij enigermate in de Schepping, voorzover ze doet kennen en zien Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, en dat doet Hij volkomen in de Here Jezus Christus; die zelfs kortweg het beeld van de onzienlijke God wordt genoemd. Daarom moet de poging, de Here God te willen afbeelden, er altijd op uitlopen, de Here Jezus Christus ,,van Boven af te brengen".
God afbeelden is Hem onteren.
Dus generlei afbeelding van God is mogelijk of toegelaten. De leerling heeft de bedoeling van deze zaak uitstekend begrepen. Want als nog nader gevraagd wordt: Dus je bedoelt, dat het een onteren van Gods majesteit is, haar zo te willen afbeelden?, wordt van harte geantwoord: Inderdaad!
Elke afbeelding van God, hoe goed ze bedoeld zou zijn, kan alleen een caricatuur, een spotbeeld zijn, dat een averechtse indruk geeft. Vandaar het felle woord, dat Calvijn gebruikt: Dit is geen onschuldig experimenteren, maar een schuldig God onteren.
Het is duidelijk, waartegen het tot nu toe gezegde, zo in de voortijd van de Hervorming, gericht is. Natuurlijk tegen de beeldenverering van de Roomse Kerk. Als we dat woord zo neerschrijven, is het ons niet onbekend, dat een zodanige verering of aanbidding van beelden door Rome niet bedoeld is. Ze bedoelt met de beelden in de kerken immers ,,boeken voor de leken", opdat die niet in het beeld zullen eindigen, maar zich juist zullen verheffen tot de erdoor afgebeelde. Daarop valt te antwoorden, dat in de practijk die fijne onderscheiding doorlopend op een grove wijze is geschonden. En juist het volk, in zijn naïeve volksvroomheid is wel degelijk vervallen tot verering en aanbidding van de beelden zelf, vooral als ze wonderdoend werden voorgesteld.
Geen beeldendienst.
Calvijn vraagt nu (laat nu vragen): Welke vorm van aanbidding wordt hier veroordeeld? Als antwoord klinkt: Dit: voor een beeld gaan staan, als men z'n gebed doet, er de knieën voor te buigen of andere tekenen van verering te geven, alsof God zich daarin aan ons vertoonde.
We begrijpen hier, waarom de beeldenstorm bij het begin van de gereformeerde Hervorming wel moest komen. Want beelden in de kerk zijn overbodig, niet ter zake, hinderlijk en schadelijk. Want God onderwijst Zijn kinderen niet door stomme beelden, maar door de levende (geestelijke) verkondiging van Zijn Woord. (Heid. Catech.).
De doorsnee-Roomse mag dan menen, dat het zijn gebed te hulp komt, wanneer hij dat voor een beeld verricht, waarbij hij licht de knieën buigt en op andere wijze eerbied toont, maar Calvijn meent, terecht, dat het tegendeel het geval is. Het is kennelijk door en door onbijbels, onwettig en onwettelijk en daarom contrabande in Gods huis en dienst. Immers God gééft zich niet in dit soort beelden aan ons te kennen; dat doet Hij alleen in het levende Beeld, dat de Here Jezus Christus is. Hoe kan er dan lust en moed bestaan, naast dit echte beeld andere dingen te zetten, die alleen spotbeelden kunnen zijn?
Nog even brengt Calvijn de kwestie van de al of niet toelaatbaarheid van een christelijke kunst ter sprake. Hij stelt: We moeten het dus niet zo opvatten, dat elk beeld en elk schilderij in het algemeen verboden is, maar alleen alle beelden, die men maakt, om God te dienen of Hem in de zichtbare dingen af te beelden of die misbruikt worden tot afgoderij, van welke soort die dan ook zij. We merken hier weer, hoe welwillend Calvijn tegen de kunst in het algemeen staat, waar hij laat antwoorden: Juist! Deze stand van zaken neemt intussen niet weg, dat de beeldende kunst op belijdend-gereformeerde bodem toch geen ideaal klimaat pleegt te vinden, al heeft men de Oudnederlandse landschapskunst, met z'n vreugde over wolken en velden wel aan bepaald Calvijns-calvinistische invloed willen zien ontspruiten. Dit gebied is pas aanvankelijk ontgonnen en wacht erop, door een man, die theologisch, wijsgerig en kunstzinnig gelijkelijk is toegerust (bestaat zo'n wondermens?) te worden aangevat. Wie het ter harte gaat, moge van'de al genoemde L. Wencelius ook ter harte nemen zijn boek Calvin et Rembrandt (1937).
De zin van het gebod.
Calvijn besluit nu deze zondag (die pas de helft van zijn overwegingen over het tweede gebod geeft) met de vraag: Wat is dus tenslotte het doel van dit gebod?, waarop geantwoord wordt: Zoals God in het eerste gebod verklaard heeft dat men Hem alleen moet aanbidden, zo toont Hij ons nu ook de rechte wijze (van die aanbidding), om ons af te trekken van alle soorten bijgeloof en vleselijke methoden.
Na het gezegde lijkt ons dit antwoord voldoende duidelijk; het doet ons merken, hoe goed Calvijn de korte, klare zin weet te geven van een gebod, dat zeer wijd is. (Ps. 119)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's