De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Toen ik zweeg ...

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Toen ik zweeg ...

9 minuten leestijd

Toen ik zweeg werden mijn beenderen, verouderd in mijn brullen de ganse dag; want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij, mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet; ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de HERE, en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Ps. 32 : 3-5.

Er is een spreekwoord, dat luidt: „Spreken is zilver en zwijgen is goud". M.a.w. het is meestal beter om te zwijgen dan te spreken. En inderdaad: Hier treft ons een stukje echte volkswijsheid. Immers, die mensen, die altijd klaar staan om te spreken zijn beslist de verstandigsten niet. Toch zouden wij ons wel zeer vergissen, als wij zouden menen, dat nu altijd zwijgen het beste was. Dat is namelijk zeker niet waar. Er zijn omstandigheden, waarin spreken zonder meer gebiedende eis is. Stel u voor, dat u in de trein zou zitten en tegenover u zat iemand, die de naam des Heren door het slijk haalde! Zou u mogen zwijgen? Of: u zou horen, dat in een gesprek tussen een paar mensen aan een derde grotelijks onrecht werd gedaan. Was het niet uw dure plicht om voor de eer van uw naaste op te komen? Heus, er zijn omstandigheden, waarin wij zouden mogen zeggen: „Spreken is goud en zwijgen is zilver of... nog minder dan dat."

Ja, David vertelt van 'n , , zwijgen", dat hem wel uitermate noodlottig is geworden. David heeft zijn zonden voor God verzwegen! „O", zegt u misschien, „David heeft dus niet meer gebeden: Vergeef ons onze schulden!" Pas op! Want zo zouden wij ons een volkomen verkeerde voorstelling van dat „zwijgen" maken. David zal namelijk stellig zijn zonden nog wel voor God gebracht hebben ... als naar gewoonte. Toch „verzweeg" hij echter. Zijn zonde kwelde hem namelijk niet meer. Zijn bede werd niet langer uit de diepte der nood geboren. Hij bracht zijn zonde voor God, maar hij zei niet: , , Here, dat en dat en... dat heb ik tegen U begaan". Zijn zonde was om zo te zeggen een vage vanzelfsprekendheid voor hem geworden. En nu hoorde God uit Davids mond niet langer een oprechte schuldbelijdenis, maar slechts klanken, die al op zijn lippen versteend waren.

De gevolgen zijn intussen niet uitgebleven. Dat kon ook niet anders. Als wij immers onze schuld niet oprecht en openhartig aan de Here belijden, ontvangen wij ook niet de zekerheid van de Goddelijke vergeving. Dan blijft dus het oordeel van de hemelse Rechter zijn zware schaduwen over ons leven werpen. En „wie zal dan bestaan? " David schreeuwt om uitredding uit de benauwdheid, waarin hij is terechtgekomen. Maar al zijn schreeuwen heeft geen ander resultaat dan dat hij lichamelijk en geestelijk volkomen uitgeput raakt. Hij worstelt om tot Gods troon door te dringen en daar Gods vriendelijk aangezicht te zien. Maar, ach, het is, of een loodzware hand hem onweerstaanbaar terugdringt. En die hand, weet hij, is Gods hand. O, wat hij doorleefd heeft, hij weet het nauwelijks onder woorden te brengen. Het laatste beeld, dat hij gebruikt, moet echter aan ieder, die met het land Palestina bekend is, wel een diepe indruk geven van de verschrikking, welke er over zijn leven gekomen was. De zomerdroogte, immers is in het heilige land een ontzettend iets. Dan is alles verzengd door de hitte van de zon. Geen groen is er meer te bekennen. Het is eenvoudig, of alle leven verdwenen is. Welnu, zover was het met de ziel van David gekomen. De Geestelijke dood had er zijn intrede gedaan. En dit alles, omdat hij voor God „gezwegen" had.

Die Geestelijke dorheid is intussen niet iets, wat maar sporadisch voorkomt. Was dat maar zo! Wat zouden wij dan een blijde Kerk hebben. Maar neen, het is een kwaal, waar zeer velen aan lijden en velen onder gebukt gaan. Er zijn mensen, die het met het geloof toch tamelijk „gemakkelijk nemen", welke constant de onrustige gedachte in zich omdragen: „Gaat het zo toch wel de goede kant uit in mijn leven? Het is er zo doods". Er zijn anderen, die het iedere dag weer herhalen: , , Het is nog niets met mij. Het is alles zó dor". Ja, voor al die laatsten hebben het er vaak benauwd mee. Ze klagen, ze tobben. Niets baat er echter. Alles blijft zoals het is. Hoe dat komt? Er zijn natuurlijk verschillende oorzaken mogelijk. Maar één is toch wel bijna altijd in het geding. En dit is, dat wij gezwe­ gen hebben, gezwegen van onze schuld, onze zeer zware schuld.

Welnu, dat moet ons leven wel verteren. Want, ook al zwijgen wij over onze zonden, ons geweten laat ons niet met rust. Dat legt telkens weer de vinger bij het kwaad, dat wij juist wilden verbergen. Zo is ons leven een gespleten leven geworden: Enerzijds zijn onze zonden een vage werkelijkheid voor ons, anderzijds staan zij als vlammende aanklachten ons voor ogen. Het is ook een angstig leven: We zijn namelijk bang om over onze zonden tot God te spreken, maar als wij zwijgen worden wij nog veel meer beangst. Voor de oorzaak schijnen onze ogen echter maar moeilijk te willen opengaan. Integendeel, in plaats van onze zonden te belijden, gaan wij ons menigmaal nog meer toesluiten. Het is, alsof wij het gevoel hebben, dat onze onrust daaruit voortkomt, dat wij nog te veel ons voor God hebben bloot gegeven. Zo draaien wij dan in een noodlottige cirkel rond. En wanneer zal de ontknoping van dit grote zelfbedrog komen? In het laatste oordeel? Of...

Ontzettend zijn de sporen van Gods gericht, welke er door ons leven gaan. Toch is dat gericht tegelijkertijd een blijk van Gods genadige bemoeienis met ons. Stel u immers eens voor, dat Hij het eens niet zo benauwd maakte in ons leven! Wij zouden rechtstreeks ons verderf tegemoet lopen. God wil echter ook daarin nog Zijn waarachtigheid betonen, dat Hij wat bitter is ook bitter laat smaken. Daarom blijft God tot ons naderen met de ontdekkende stem van het geweten. Tot de oppervlakkigen zegt Hij: „Waarom hebt gij wel gejubeld over Mijn genade, maar nog nooit de moeite genomen om met belijdenis van schuld tot Mij te vluchten?" En tot de meer ernstigen: „Gij klaagt nu wel over uw zonden, maar waarom legt gij die zondenlast niet op de schouders van Mijn Zoon?" Het is als het ware zo. dat de Heilige Geest ons steeds weer voor het gericht Gods brengt, opdat wij maar zullen belijden, Dan immers zal de Here zeggen: „Al waren uw zonden als scharlaken, Ik zal ze witter maken dan sneeuw". Maar wij laten ons daar niet brengen. Daarom gaat Hij nog verder. Hij laat ons zien, dat Gods Aangezicht in toorn van ons is afgewend. Kortom, wij mogen ons nog zoveel moeite geven om onze zonden te bedekken, Hij ontdekt ze. Is het uit lust tot plagen, dat God zo met ons handelt? Integendeel, het is Zijn opzoekende liefde!
„Maar", zegt David uit Gods naam, „weest dan ook niet gelijk een paard of muildier!"
David zelf heeft zich op de knieën laten brengen. Dat was in zekere zin een vernedering. Maar, o, welk een bevrijding heeft dat gebracht! Toen Hij immers sprak: „Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de Here", toen begon ook God weer tot hem te spreken. En Gods sprake is zoeter dan honing en maakt het hart vrolijker dan wijn. Want Gods spreken op onze schuldbelijdenis is een spreken van genade.
Als wij zwijgen, zwijgt de Here ook. Misschien moeten wij dat op dit ogenblik wel als een smartelijke werkelijkheid ervaren. De Here zwijgt: O, zeker, nog horen wij week in week uit Zijn Woord, maar het is, alsof het een verre, vreemde klank voor ons geworden is. Het zweeft over ons heen; het glipt ons voorbij; het raakt ons niet, Dat Woord zegt: „Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen". Het doet ons echter niet opveren van intense vreugde. Integendeel, de sombere gedachte waart door ons heen: „Maar ik kom immers niet tot Hem". Dat Woord zegt ook, dat de Here niet gekomen is voor rechtvaardigen, maar voor zondaren. „Ha", lacht de satan, „dan is het stellig niet voor u, want gij probeert op alle mogelijke wijzen uw schuld te bedekken en zo rechtvaardig te schijnen", En onshart beaamt: „Zo is het inderdaad". Maar dan, als we op de knieën komen! Het is, alsof God ons hoorbaar aanspreekt. O neen, God doet ons geen aparte mededeling, op een soort geheimzinnige wijze. Gods Woord spreekt ons nu echter zo aan, alsof er een levende stem uit de hemel kwam. Als wij nu horen: „Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen", verstaan wij het zo, alsof er gezegd werd: „Ik zal u geenszins uitwerpen". En als wij horen, dat de Zaligmaker voor zondaren gekomen is, dan juichen wij: „Hij is voor mij gekomen!" Golgotha's heuvel rijst voor ons op en wij horen die heilige mond, in welke geen bedrog gevonden is, spreken: „Het is volbracht". Ja, wij zien ook, dat de zware steen van ons graf werd afgewenteld, ons graf, waarin Hij gelegd werd. Ja, het antwoord, dat God geeft laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Hoor maar: „Mijn zoon, mijn dochter, Ik heb de ongerechtigheid uwer zonde vergeven. Ik heb uw schuld bedekt met het zoenbloed van Mijn eigen Zoon". Het is een duidelijk antwoord; het is echter ook een verrassend antwoord: Eerst waren wij almaar bezig om onze schuld voor God te bedekken, maar God ontdekte die, Maar nu wij onze zonde voor Hem hebben ontdekt, bedekt God die juist. Is dat niet een blijde verrassing? O, hadden we dat maar geweten, toen wij zo krampachtig probeerden onze eigen figuur voor God te redden! Hadden we het maar geweten... ! Maar u had het immers kunnen weten. De Here verzekert het toch telkens weer. in Zijn Woord, dat als wij met belijdenis van schuld tot Hem vluchten, Hij ons genadig vergeven wil? Ach, laten wij ons toch eindelijk eens gevangen laten voeren door Woord en Geest, die ontdekken maar ook vrijspreken! Hoeveel malen hebben wij misschien Gods Geest al bedroefd? David voegt aan ons tekstwoord toe: „Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd". Welnu, laat dat ook van
ons gezegd kunnen worden, Maar, versta dit Woord goed! Het is nú de tijd des vindens. Want nu komt de Here nog tot ons met de rijke beloften van Zijn Evangelie. Morgen is het misschien te laat. Daarom: „Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden".

Lopikerkapel. J. Groenenboom.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Toen ik zweeg ...

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's