De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 27

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 27

12 minuten leestijd

27 ZONDAG 24

Het tweede gebod (vervolg).

De vorige maal was Calvijn nog niet klaargekomen met zijn bespreking van het tweede gebod. Hij wijdt daar ook nog deze zondag aan en maakt de overgang daartoe door te opperen: Laten we voortgaan. Dit sobere woordgebruik is typerend voor hem. Wij zijn in onze preken en schrifturen nog al eens op iets pikants en opzienbarends uit, alsof wij werkelijk nog actualiteit moesten toebrengen aan het eeuwig-actuele Woord van God. Ons zoeken naar een pikant spraakgebruik kan wel zuivere zendingsliefde verraden: de Joden een Jood worden, maar o.i. verraadt het vaker ongeloof en kleingeloof.

Calvijn doet heel geen poging, opzienbarende titels of zinswendingen te bedenken, maar heeft alleen de wens, zich aan het Woord van God te binden. Prachtig, misschien wel prachtigste voorbeeld van die zo persoonlijke „geloofszakelijkheid" is het bekende voorval, dat ds. Blok onlangs te dezer plaatse nog eens verhaalde, dat nl. Calvijn bij z'n terugkeer uit Straatsburg, uit de ballingschap, geen „intreepreek'.' houdt met zeer bepaalde actuele toepassingen, maar tot verbazing (we hopen en rekenen: tot stichting) van zijn hoorders eenvoudig zegt: We waren, die paar jaar geleden, in onze vervolgpreken daar gebleven: laten we verder gaan. Deze soberheid is geen armoede, maar verraadt integendeel een in het Woord gedrenkt zijn; tot grote rijkdom.

God aan Zijn eer.

Welnu: de overgang, die Calvijn hier (en gedurig) maakt, met haast dezelfde woorden, is minder dramatisch, maar staat toch wel op gelijke hoogte. Het gebod van God heeft een wijdte en diepte, die het nodig maakt, dat merken van één dag geen tijd verliezen, om zich daarin te verdiepen.

De leerling geeft dan weer, wat God in dit tweede gebod laat volgen op het verbod van de beeldendienst: Hij voegt er een bedreiging aan toe, dat Hij, de Eeuwige, onze God is, een sterke God en die Zijn eer aan geen ander geeft, die de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen, die Hem haten.

Geen machteloze eer.

Dat doet de vraag stellen: Waarom maakt Hij gewag van Zijn kracht? en daarop wordt geantwoord: Om te doen blijken, dat Hij machtig is om Zijn eer te handhaven. We hebben onlangs daar al over gesproken, toen het er om ging, wat onder de Ere Gods is te verstaan. We zagen toen, dat de Macht en de Eer er bij de Here God stellig zijn, maar op een hogere, heiliger wijze, dan b.v. koningen dat oefenen. In verband daarmee mag hier wel even opgemerkt zijn, dat men Calvijn doorgaans in de buurt brengt van de middeleeuwse theoloog Duns Scotus, omdat men bij hem wil vinden, wat ook deze genoemde kent, nl. die sterke nadruk op Gods macht (overmacht), zeg: Gods souvereiniteit, die dreigt te ontaarden in een brute wil­lekeur. Volgens Scotus is God aan geen Wet gebonden, is Hij alleen Zichzelf een Wet, zodat, wanneer Hij 't vreemdste en absurdste zou wensen en gebieden, het daarom ook goed en heilig zou zijn.

Inderdaad kent Calvijn een zware nadruk op Gods macht. Zijn souvereiniteit. Maar die ontleent hij kennelijk niet aan Scotus, wiens excessen hij uitdrukkelijk tegenspreekt, maar dat is de God van Mozes, de Profeten en de Apostelen, die een verhumaniserende tijd als vreemd en hard gaat aanzien, terwijl die God van Zijn kant eerder zeggen moet, dat Hij gelijk bleef, maar dat zij (wij) deels verhard, deels verwekelijkt zijn.

Het komt uit die sfeer, als Calvijn, opmerkelijk kort, antwoordt, dat God aan Zijn sterkte herinnert, omdat Hij geen werkeloze, machteloos toeziende God is, maar een God, die tot nu toe werkt. Hij laat weten, dat Hij in staat is voor Zijn eisen op te komen; we zagen pas, dat daarvan niet mag worden losgemaakt, dat Hij ook borg staat en trouw is in al Zijn beloften.

Als Hij zich zo: de Here onze God noemt, die dus Zijn recht op ons handhaaft, dan komt reeds daarin iets uit van die , , jaloersheid" die we zoeven anders vertaalden, omdat jaloers zo heel bepaald en lelijk menselijk moet heten. Als de Here Zich een ijverig, naijverig of , , jaloers" God noemt, dan ligt daar niets van dat venijnige en klein-benepene in, die dat bij ons heeft', maar dan komt juist al Zijn grootheid en mildheid uit. Daarom is de Here , , jaloers", omdat Hij immers ook zegt: , , Wendt u tot Mij, al gij einden der aarde en wordt behouden! Wie Zoveel te bieden heeft en toch wordt afgewezen, wordt daardoor ten diepste beledigd en uitgedaagd.

Gods „jaloersheid"

Zo vraagt dan de catecheet: Wat betekent het, dat Hij „jaloers" is? Antwoord: Dat Hij niemand naast Zich duldt. Want waar Hij zich in oneindige goedheid aan ons heeft gegeven, daar wil Hij dan ook dat wij geheel en al van Hem zullen zijn. En het is de kuisheid onzer zielen, om aan Hem gewijd en opgedragen te zijn- Daartegenover is het geestelijk overspel, wanneer wij ons tot enig bijgeloof keren.

We hebben niet veel toe te voegen aan wat we zoëven zeiden, dat de macht en de gekwetste, versmade majesteit Gods zeer intiem met het Evangelie verbonden zijn, al ontbreekt de Wet niet in hun grondtoon.

In heel het tweede gebod wordt de strijd aangebonden tegen halfheid, gedeeldheid en vormelijkheid. Als de Here dan God is, dan worde Hij ook nagevolgd. We vatten licht, dat het hier verhandelde ten nauwste samenhangt met wat Calvijn in déze catechismus immers niet uitdrukkelijk noemt: de verkiezing Gods (beter: de verkiezende God). We zijn niet van plan, daarover hier wat in te lassen, als om het Calvijn wat te verbeteren. Maar wel zeggen we: Wie Gods verkiezing en verwerping niet kent, belijdt en beschouwt in levend verband met Gods Wet in het algemeen en met de eerste geboden bijzonder, die zo volop uit de practijk des geloofs opkomen en er heen verwijzen, zal van die genoemde stukken weinig verstaan, althans de beschaming, de kracht en de troost niet. In deze volgorde, dunkt ons, wordt ons langs deze weg, dit anders zo hoge en ontoegankelijke stuk nabij gebracht.

Hoe weinig wettisch Calvijn de verhouding van God en Zijn knechten denkt, blijkt ons uit het feit, dat het beeld van het huwelijk wordt gekozen, om het uit te beelden. Zoals echte liefde niet geneigd is tot het onreine , , spel der driehoeksverhouding", maar bewust éénkennig is en daarom „ouderwets" trouw en verbonden, zo kan de band des geloofs met de Here niet minder sterk zijn. Als ze minder is, breekt ze; want de Here weet Zich te goed, dan om een bijloper te zijn. Een hartelijke toewijding en verbondenheid aan Hem is met de huwelijkstrouw en - liefde te vergelijken en overspel (bijgeloof) wordt met de dood gestraft.

Vaderen en kinderen.

Als Calvijn dat zo uitlegt, zo, dat Wet en Evangelie elkaar ontmoeten en begeleiden, komen hem die woorden in de gedachte, dat deze God, als Hij gesmaad en gekrenkt eindelijk toeslaat, weet van een bezoeken van de zonde tot in de geslachten. Dit doet de vraag opwerpen: Hoe moeten we het verstaan, dat Hij de zonde van de vaderen aan de kinderen straft? Als antwoord laat hij daarop horen: Om ons temeer vrees in te boezemen, zegt Hij, dat Hij niet alleen zich zal wreken op die Hem beledigen, maar dat ook hun nakomelingschap na hen vervloekt zal zijn.

Als Calvijn dat, stellig als trouw uitlegger van het tweede gebod zo zegt, komt bij hemzelf en bij menigeen de gedachte op: Is dat niet schrikkelijk hard en zelfs onbillijk? Zou dat het doen des Heren kunnen zijn, te verdoen de rechtvaardige met de onrechtvaardige?

Daar tilde Abraham al zwaar aan, toen hij voor Sodom pleitte; ook Calvijn heeft de zaak in het gezicht gekregen. Maar als hij die vraag nader overweegt, bevindt hij ze ijdel. Hoor maar z'n antwoord: Als wij beschouwen, hoe de toestand van het menselijk geslacht is, zal de kwestie zijn opgelost. Want van nature zijn wij allen vervloekt en kunnen ons over God niet beklagen, als Hij ons laat, zoals we zijn. Zoals Hij er dus Zijn genade en liefde over Zijn dienaren toont, door hun kinderen te zegenen, zozeer is het dan ook een bewijs van Zijn wraak over de bozen, als Hij hun zaad in de vervloeking laat blijven.

Eerlijk gezegd, kan deze uitleg ons niet geheel voldoen. Laten we zeggen: Geen enkele verklaring van dat duistere stuk zullen ons. ooit kunnen voldoen. Calvijn's uitleg eert zijn hart, want hij maakt de zaak vooral niet harder dan ze al is. Naar ons besef had hij echter beter kunnen zeggen: In het algemeen gesproken kunnen goddeloze, verharde ouders moeilijk anders dan gelijk geaarde kinderen verwachten. De band van het bloed sluit noodwendig ook een band naar de geest (de geesteloosheid) in, waardoor de vloek, die de vaderen trof, wel moet doorgaan tot op de kinderen. De uitzonderingen op deze regel zijn daar om Gods vrijmacht te doen blijken. Maar de doorgaande regel heeft de Wet Gods ons laten zien, zoals ze is. Met dit al voelen we In deze dingen iets en veel van de „verborgen dingen", die onze bevatting te boven gaan en die ons het laatste woord doen geven aan Hem, bij Wien geen onrecht is.

Barmhartigheid aan duizenden.

Dit is niet het laatste woord van het tweede gebod. Er is — gelukkig — nog meer! Wat zegt de Here nog meer? Antwoord: Om ons te meer te treffen door Zijn mildheid, zegt Hij ons, dat Hij barmhartigheid doet aan duizenden van die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden. Maar dat wekt weer de vraag: Bedoelt Hij daarmee, dat de gehoorzaamheid voor de gelovige heel zijn geslacht zal behouden, ook al is dit boos? Zo mechanisch ging het zoëven niet; zo kan het nu ook niet gaan. Calvijn moet dus wel een beperking aannemen, hoewel de zaak, ook zo, nog iets zeer royaals houdt. Hij antwoordt: Neen! Maar het betekent wel, dat Hij Zijn goedheid tegenover de gelovigen zover uitstrekt, dat Hij zich ook aan hun kinderen te kennen geeft, en het hen dan niet alleen naar het vlees doet wélgaan, maar hen wil heiligen door Zijn Geest, om ze gehoorzaam aan Zijn wil te maken.

Tot onze verrassing komt hier de gedachte van het genadeverbond, reeds in de Wet, naar voren. Of Gods geboden dus tot Zijn liefde. Zijn genade willen trekken (Rs. 119)! Als we nog even terug zien, vinden we ons nog eens verrast, omdat verbond en verkiezing dus allebei in de Wet, een vaste grond vinden. Waaruit we dan weer besluiten, dat Calvijn, als de man van de Verkiezing, daarmee toch juist een man der genade en des genadeverbonds wil zijn. Een vooropstellen van Gods verkiezing los van deze levensverbanden en ankers, kan niet hopen, tot rust en , , voor anker" te brengen.

De „jaloerse" God is niet een schriele God, die zou maaien, waar Hij niet zaaide. Juist omdat Hij zo met volle handen zaait, zoals niemand dat vermag, daarom wil Hij ook in alles die eerste en enige plaats hebben, waarvan Zijn tweede gebod spreekt. Terwille van Abraham ontvangen Abrahams zaad en zelfs alle geslachten bij Hem een open deur; het zou kunnen lijken, alsof de Here om mensen verlegen was, zo laat Hij hen door Zijn gezanten nodigen en trekken tot Zijn heil.

Maar Hij heeft niemand nodig; heel Zijn genadebetoon gaat van Hemzelf uit en rust in Hem Zelf; en Hagar's zelfkennis drukt op zeldzame wijze uit, wat elk Christen betuigt: Heb ik ook naar Hem omgezien, die mij aanneemt?

Geen automatisme.

Hier is alle natuurlijkheid, alle automatisme, uitgebannen. Blijkbaar heeft Calvijn daarmee de strijd aangebonden en even klaarblijkelijk voelt hij daarin een moderne denkwijze zoals die in de natuurwetenschap kan thuis zijn. Onder die ban staat de verhouding van God en Zijn mensen niet. Als nog geopperd wordt, ziende op het zo juist verhandelde: Dat is toch geen altijd doorgaande mechanische regel? valt Calvijn dat van harte bij en zegt: Neen. Want zoals de Here zich de vrijheid voorbehoudt, om barmhartigheid te bewijzen aan de kinderen der bozen, zo houdt Hij aan de andere kant ook vast, aan Zijn macht om te verkiezen of te verwerpen uit het geslacht der rechtvaardigen, zovelen als Hem behaagt (Rom. 9 : 11, 21). In alle geval handelt Hij zo, dat men zien kan, dat deze belofte niet krachteloos of leeg blijft (Rom. 2 : 6).

Met kracht handhaaft Calvijn Gods souvereiniteit, naar Wet en Evangelie. Niemand gaat , , automatisch" verloren; niemand wordt op deze wijze behouden. Dat beslist God in Zijn welbehagen, zoals Hij dat bijzonder in het Kerstevangelie heeft bekendgemaakt. En dat welbehagen, ten hoogste en ten diepste vrij, vooral vrij tegenover al het onze, kan nooit willekeur zijn, want Calvijn ziet het tenslotte vooral verankerd in Gods beloften.

„Barmhartigheid roemt tegen het oordeel" Nu gaat hij besluiten. Hij doet dat in dezelfde stijl. Het treft hem, dat het tweede gebod, in de eis zich tot 3 of 4 geslachten richt, maar in de belofte tot duizenden (duizend geslachten). Hij vraagt daarom: Waarom noemt Hij hier duizend geslachten, terwijl Hij in de bedreiging er maar drie of vier noemt? En hij concludeert daaruit: Om aan te duiden, dat het Hem eigen is, liever goedheid en zachtheid te gebruiken dan strengheid en hardheid, zoals Hij ook getuigt, dat Hij haastig is tot weldoen en traag tot toorn (Ex. 34 : 1, 6; Ps. 103 : 8; 145 : 8).

Onze indruk is, dat we in deze zondag Calvijn hebben kunnen zien van een kant die niet weinigen vrij onbekend is. Dunkt het u ook niet, dat dit toch een rijke, bijbelse kant is?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 27

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's