De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 28

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 28

8 minuten leestijd

 

28 ZONDAG 25

De heiliging van Gods naam. 

Hoe luidt het derde gebod? Antwoord: Gij zult de naam van de Here uw God niet ijdel gebruiken. Dat doet de volgende vraag stellen: Wat wil dat zeggen? Daarop wordt geantwoord: Het verbiedt ons, de naam van God te misbruiken, niet alleen door valse eden, maar ook door overbodig en zinledig zweren.

Dit gebod vindt zijn grond en toelichting in de geaardheid van heel het menselijk geslacht, maar bijzonder de toestanden in Geneve hebben Calvijn ertoe gebracht, op deze zaak zoveel nadruk te leggen. Zoals we al hebben gezegd, is het kwaad van het licht achten van Gods heiligheid niet een zaak van één ras of tijd. Toch valt niet te ontkennen, dat een flegmatisch, kalm soort mensen minder spoedig tot vloeken en zweren komt dan een opgewonden, wat overspannen slag van volk. Geneve is een punt, waar diverse volken elkaar ontmoeten. Vooral Fransen en Italianen zijn een zeer beweeglijk, hartstochtelijk soort mensen, licht geneigd tot drieste verzekeringen en daardoor weer tot een lichtvaardig Hemel en aarde en bij roepen om de waarheid van deze leugenachtigheden te bevestigen. Geen wonder, dat Calvijn in zijn preken zijn gemeente op het hart bindt, toch niet Gods goede en heilige naam op deze wijze te verbinden met eigen kwade practijken. De echo daarvan vinden we hier: God haat en bedroeft Zich over meineed, die Hem zo onbeschaamd ontkent, maar ook over allerlei lichtvaardig , , de vingers opsteken", alsof het een bagatel en een formaliteit was. Want heiligen betekent: apart zetten, hoog houden en dat gebeurt op deze wijze niet.

Is de eed verboden?

Wanneer zo het misbruik de aandacht had, wordt de vraag gewekt, hoe het dan staat met het wettig gebruik van Gods naaan, bijzonder met de eed. Daarom wordt er nu gevraagd: Mogen we Gods naam dan wel gebruiken in eden? De vraag lijkt ons niet heel actueel, maar ze was dat in de tijd der Hervorming toch juist wel. De z.g. Dopers vinden het een christen onwaardig, van een eed gebruik te maken. Hij is immers een geestelijk mens, levend uit de Geest der waarheid? Van hem kan het dus alleen maar zijn: uw ja is ja, uw neen is neen; alles wat daar boven uitgaat, is verboden. En we merken opeens, dat we daar immers de eigen woorden van de Here Jezus Christus, uit de Bergrede aanhalen! Hebben die Dopers, die de eed weigeren, dan geen gelijk, omdat ze Hem immers aan hun zijde hebben? l

We erkennen eerst, dat wat de Dopers hier zeggen, voor ons allen diep beschamend is. Ze stellen de eis Gods boven het vermogen van de mens en verbieden daarom de eed zo onvervaard. Maar als ze nog al triomfantelijk er op wijzen dat ze de Here Jezus mee hebben, dan zijn ze toch niet helemaal eerlijk of vrij sterk blind. Want de , , optimistische" klanken, die ze aan de Here Jezus Christus ontlenen, maken ze los van een diep pessimistische beoordeling van mens en christen, die we óók uit Zijn mond vernemen. De Dopers overschatten de vermogens van de herboren mens, ze onderschatten de kracht van de blijvende zonde. Ze meten de hoogte en diepte van het christenleven alleen aan Gods eis af, zonder ermee te rekenen, dat het de gerijpte christen in dit leven niet gegeven is, in volheid uit en naar Wet en Evangelie te leven. Daarom moeten we hen antwoorden: Ge hebt gelijk: van mensen, die uit de Waarheid zijn, zoudt ge mogen verwachten, dat ze altijd alleen de waarheid betuigen. Maar de leugen en haar macht is sterk. Ze wijkt in dit leven wat geheel en juist daarom gaf de Here de eed, opdat daardoor in een leugenachtige wereld en kerk, de waarheid toch zou kunnen betuigd worden.

Om die oorzaak is Calvijn het niet met de Dopers eens, dat de eed volstrekt verboden wordt. Op de vraag van zoëven, of de eed toch wel een wettig gebruik toelaat, antwoordt hij: Ja, maar alleen als het nodig is, dat wil zeggen, om de waarheid te handhaven, wanneer daartoe noodzaak bestaat en om liefde en eendracht onder elkaar te bewaren.

We merken wel, dat het antwoord van de Heidelberger ongeveer gelijkluidend is. De eed wordt wél toegestaan; God gaf die en daarom mag met name de overheid, Zijn dienaresse, de eed afeisen. Maar: zo, dat de heiliging van Gods naam daarmee gediend wordt. Niet om elke kleinigheid, waartoe ook reeds de Joden, blijkens de woorden van de Here Jezus, de eed misbruikten, maar alleen, om er de waarheid mee te dienen, wanneer die op andere wijze niet aan het licht kan komen en om dreigende onenigheid en twist te voorkomen.

Gebod en verbod zijn alles omvattend.

In de volgende vraag blijkt Calvijn een groot mensenkenner. Hij spreekt n.l. uit wat ongetelden zo graag doen, n.l. het gebod van God zo veel mogelijk inperken, en alleen de heel brute overtreding ervan , , erg" vinden. Hij vraagt immers: Wil dit gebod alleen de eden straffen, die (bewust) worden gedaan, om God ermee te onteren? Die vraag bedoelt immers duidelijk, het achteloze, „niet zo kwaad bedoelde" misbruik van Gods naam buiten de wet te stellen. Maar het antwoord geeft te verstaan, dat daarvan geen sprake kan zijn. Het luidt n.l.: Hoewel hij maar één bepaald ding noemt, leert God ons in het algemeen Zijn Naam nooit te gebruiken dan met eerbied en onderworpenheid, om Hem te verheerlijken. Want daar die Naam heilig en waardig is, moeten wij er ons dan ook voor wachten, hem zó te gebruiken, dat het schijnt, dat we Hem verachten of er aanleiding toe geven, dat Hij veracht wordt.

Dit houdt dus in, dat alle klein- en minachting van die naam gestraft wordt. Laten we nog even zeggen, dat de naam in de Schrift staat voor de persoon-zelf, dus voor de openbaring van die persoon. De Joden hebben dat heel mechanisch toegepast en gedacht: als we die naam maar verzwijgen, kunnen we dit derde gebod dus niet overtreden. Maar zo bedoelt de Here het helemaal niet. Zijn naam eren betekent de Here zelf vrezen en liefhebben. Dit kan gebeuren, zonder dat die naam uitdrukkelijk genoemd wordt. Het gaat dus niet om die naam: Here, God, Jehova enz. vooral, maar om Hem, die achter en boven al deze aanduidingen staat.

We zien, hoe Calvijn de zogenaamde casuïstiek, waarom Joden en Jezuieten berucht waren, bestrijdt, dus het pogen om het grote geheel van het gebod uit elkaar te rafelen in allerlei stukjes en te proberen, daarmee zo goed en zo kwaad klaar te komen. Voor Calvijn is Gods gebod één en is daarom ook de vervulling alleen daar, waar de hele mens onder het beslag staat van dit ene en volle gebod.

Hoe Gods naam ontheiligd wordt.

Daar is ter sprake gekomen het gevaar, dat Gods naam wordt gekleineerd. Wanneer gebeurt dat? Antwoord: Als wij over God en Zijn werken niet zó denken of spreken, dat Hij er door geëerd en geprezen wordt. Hier wordt niet meer gesproken over hetgeen juist nog mag, maar alleen van hetgeen altijd moét. Het gebod, ook het verbod is tenslotte positief, het wordt alleen door geloof, liefde en eerbied vervuld.

Wat volgt er nu? Antwoord: Een bedreiging: dat Hij niet onschuldig zal houden wie Zijn naam ijdel gebruikt. Daar laat de catecheet nu de vraag op volgen: Maar God kondigt immers reeds elders in het algemeen aan, dat Hij alle overtreders zal straffen; waarom gaat het hier daarboven uit? We moeten deze leermeester wel zeer prijzen in zijn onderricht. Over hoeveel dingen lezen wij heen? Hoe weinig verwonderen wij 'ons vaak over dingen, die toch wel degelijk vragen voor ons inhouden? Zo was Calvijn blijkbaar niet. Hij leert z'n leerlingen, zich over wat hij leert, te verwonderen en net zo lang te vragen, tot ze het verstaan hebben.

Inderdaad klinkt het keer op keer, dat alle misdaad en vergrijp wordt gestraft. Reeds daaruit echter valt op te maken, höe traag wij zijn in het verstaan daarvan! Dat is ook weer iets, dat de Dopers zo weinig tonen te verstaan. Wanneer nu hier de Here expres nog weer spreekt van de straf, waarmee Hij overtreding van het derde gebod bezoekt, dan bedoelt Hij daar dus dit mee: Daardoor heeft Hij willen verklaren, hoe buitengewoon hoog Hij de eer van Zijn naam stelt, doordat Hij uitdrukkelijk zegt, dat Hij niet zal gedogen, dat men die veracht, opdat wij des te meer er op uit zullen zijn, die naam te eerbiedigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 28

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's