DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 29
PROF. DR. S, VAN DER LINDE
ZONDAG 26
Als in de 17e eeuw een felle strijd woedt tussen Voetianen en Coccejanen, komt die bepaald tot uiting in wat Hoornbeek formuleert: Heiliging van Gods naam en dag. Daar zien we Gods naam en Zijn dag sterk verbonden en een blik op het 3e en 4e gebod doet blijken, hoeveel grond die verbinding heeft.
We komen met deze zondag tot het vierde gebod. Hoe luidt dat? Antwoord: Gedenk de Sabbathdag, dat gij die heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de Sabbath des Heren uws Gods. Dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is. Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles, wat daar in is en Hij rustte ten zevenden dage. Daarom zegende de Here de Sabbathdag en heiligde hem.
Daar wordt gesproken van zes werkdagen tegenover één rustdag. Dat doet nog vragen: Beveelt God zes dagen per week te werken en de zevende dag te rusten?
.Dat is een nog al nuchtere vaststelling, die Calvijn niet kan, voldoen. Hij antwoordt daarom: Zo eenvoudig staat het niet. Maar doordat God verlof geeft, zes dagen te werken, zondert Hij de zevende dag uit, waarop het ons niet is toegestaan te sloven. Daarmee krijgt de Sabbath-Zondag een bijzondere nadruk. Het is niet vooral een dag onder de 7 dagen, maar ervóór en erboven. Dat betekent meteen, dat deze dag ook niet wettisch, van de kant van het werk uit moet worden bezien, want hij spreekt ons van de grote Sabbath, van de rust in God, die naar de Schepping ons deel en doel was en die door de herschepping door Christus, door een leven uit geloof, weer hersteld wordt.
Wat de Zondag betekent.
Wat betekent de Zondag nu? Calvijn oppert: Verbiedt de Here ons dus alle werk èèn dag per week? Als we het antwoord, dat Calvijn nu geeft, lezen, merken we, dat hij zomin ja als neen zegt. Was dat uit verlegenheid of — erger — uit oneerlijkheid? Wist hij er misschien niet goed raad mee?
We hebben de indruk, dat Calvijn deze zaak inderdaad moeilijk heeft gevonden. Als we er op letten, dat Geneve, stad van markten, koopmanschap, reizen en trekken van zondagsheiliging zo heel weinig verstond, dan kunnen we verwachten, dat Calvijn wel moet zijn gaan ijveren voor een uiterst-strikte zondagsirust.
Maar Calvijn wist veel te goed, dat het daarmee niet gewonnen was. Ledigheid, nog wel gedwongen ledigheid, kan moeilijk anders zijn dan een oorkussen van de duivel. De zin van het vierde gebod is niet negatief: niets doen, maar juist positief: volstrekt op de Here betrokken zijn, om in Hem te rusten. Dat moet betekenen, dat de Zondag een dag is, waarop onnodige, slaafse arbeid natuurlijk stilstaat. Maar waarin wij geestelijk ten hoogste bezig zijn, niet alleen predikanten en kerkeraadsleden, maar elk en ieder. Als we de Zondag zo, positief, besteden, is hij nooit een last en altijd een lust. Maar wanneer dit positieve ontbreekt en we enkel negatief een zondagsrust kunnen afdwingen, die daarom nog geen zondagsheiliging is, wordt die Zondag zo een last en geen lust. De taak der kerk (en van de overheid) is dus vooral niet allereerst politioneel, reglementerend, muilbandend, (hoezeer dit nodig kon zijn), maar de weg wijzend naar een positief geestelijk Sabbath-{Zondag) vieren. Daarbij moet dus ook vooral niet de vraag vooropstaan, wat op Zondag nèt nog mag (vgl. de vorige zondag), maar integendeel, wat op Zondag gebeuren moet, opdat Gods naam en dag geheiligd worden.
Het ceremoniële en het morele.
We hebben o.i. goede grond, aan te nemen, dat Calvijn's antwoord niet anders dan dat bedoelt. Hij antwoordt immers: Dit gebod moet op bijzondere wijze beschouwd worden. Want het waarnemen van de rust (het niet-werken) is een deel van de ceremoniën van de oude Wet, die is afgedaan door de komst van Jezus Christus. De Sabbathsrust een stuk der ceremoniële Wet, die door Christus is afgedaan. Is daar de consequentie van, dat dus voor de christenen alle zondagsrust heeft opgehouden? Daarop antwoorden we: Natuurlijk niet! Maar blijkbaar bedoelt Calvijn vooral, dat rusten, niets-doen iets negatiefs is, waar hoognodig iets positiefs moet bijkomen, zal Gods Wet vervuld worden! Hij spreekt dat hier niet dadelijk uit, maar even later, : in alle geval verstaan we wèl, dat hij in geen geval de Zondag op een Joodse, Sabbathistische wijze wil zien gehouden. De Zondag, dag van de opstanding van Christus, tot vrijheid, betekent dus ook voor Gods kinderen een dag van verkwikking, van bevrijding tot de vrijheid der kinderen Gods, zelfs van het uitzicht uit een gedeeld heden op de toekomst van Christus, als de rust en de vrede algeheel zullen zijn. Bij dat alles hoort óók het ontslagen zijn van slaafse arbeid, maar die is eerder toegift dan kern en hoofdzaak.
Daar sprak Calvijn even over het ceremoniële (en dus voorbijgaande) in het 4e gebod. De catecheet heeft daarover blijkbaar gesproken en hij vraagt daarom aan zijn leerling: Zeg je, dat dit gebod bijzonder op de Joden ziet en hoort tot de tijd van het Oude Testament? We horen Calvijn hier de vragen stellen die ten onzent Coccejus heeft aangesneden en die hem zoveel bestrijding hebben doen vinden. Op een vergelijking van Calvijn en Coccejus kunnen we nu niet ingaan; Calvijn èn Coccejus zijn beiden beducht voor farizeïsme in de Zondagsbesteding, maar Coccejus is, althans in. een deel van zijn aanhangers, tot het tegendeel daarvan, het libertinisme, omgeslagen, iets, wat we bij de bezonkener, rijpere Calvijn niet vinden.
De leerling antwoordt op de hem gestelde vraag: Ja, voor zover het ceremonieel is. We moeten hier bedenken, dat in de strijd om Sabbath en Zondag, hier te lande gevoerd in de 17e en 18e eeuw, vooral tussen Voetianen en Coccejanen, de onderscheiding gemaakt werd tussen de ceremoniële kant van Sabbath en Zondag en de morele kant ervan. Het ceremoniële, wat alleen op Israël (betrekking had, werd het voorbijgaande, voor de christenen niet meer bindende genoemd. Maar het morele, het innerlijke ervan, zo leerde men, was eeuwig en bleef dus steeds aan de orde. Maar begrijpelijk was het in deze zaak het moeilijke punt, uit te maken, wat nu juist voorbijgaand en wat blijvend was. Voetianen en Coccejanen denken daarin niet eenstemmig.
Ook aan Calvijn was deze onderscheiding blijkbaar bekend: hij erkent immers, dat het 4e gebod ook een ceremoniële kant heeft, die alleen betrekking heeft op het Oude Testament.
Dat wekt de aandacht. Meteen wordt nu verder gevraagd: Houdt de Wet dan ook iets meer dan dat uiterlijke in? En daarop antwoordt de leerling: Ja, zelfs in drievoudige zin. Welke zijn dat? Antwoord: De afbeelding van de geestelijke rust, het kerkelijke leven en de rust voor hen, die dienen.
De drievoudige zin van de Zondag.
Dat is een heel program. Het eerste is dus: de Sabbath-Zondag is een afbeelding van de geestelijke rust. Dit doet vragen: Wat is die geestelijke rust? Deze blijkt te zijn: Het ophouden met zelf te werken om de Here in ons te laten werken. De bedoeling daarvan is duidelijk: het zelf aan het werk zijn, in de eigengerechtige, onvruchtbare zin, is een slavernij, een lopen in een tredmolen, zonder dat er ooit een eind in het zicht komt. Waar wij, werkens- en verdienensmoede, arm geworden en arm gebleven, verstaan gaan, dat het immers God is, die in ons heeft te werken, naar Zijn welbehagen, en deze kracht Gods zich in onze zwakheid vervult, daar wordt de rust geschonken. Daar komt de uittocht uit het diensthuis de rust na de onrust, een Sabbaths- Zondagsrust, die dan toch nog maar, zo goed en groot ze is, voorsmaak en beeld is van een groter, van de eeuwige Sabbath.
We hebben het zo bijbels omschreven; we luisteren nog naar de verklaring, die Calvijn ervan geeft, maar die uit die zelfde bron blijkt geput. Als gevraagd wordt: Hoe komt die geestelijke rust er? , antwoordt hij: Door ons vlees te doden, d.w.z. door af te zien van onze natuurlijke krachten, opdat God door Zijn Geest in ons werke.
Daarmee is de Sabbath-Zondag volop op de hele levenspractijk betrokken, wat ze ook zo hoog nodig behoort te zijn. Vandaar dat gevraagd wordt: Moet dat maar op één dag per week gebeuren? In deze vraag zit een fijne, verborgen ironie: zou iemand het ook met éénmaal per week eten en drinken kunnen stellen? Wat een armoedig, dood bedrijf, wanneer de Sabbath-Zondag op wettische manier gevierd wordt: die éne dag heel stipt, maar ook alleen die éne dag, alsof de andere dagen door de Here zouden zijn vrijgelaten.
De Zondag, beeld van het liele leven.
Geen wonder dat de vraag, zo bedoeld, ook zo wordt beantwoord: Het moet voortdurend geschieden. Want als we eenmaal begonnen zijn, moeten we dat heel ons leven voortzetten. We verstaan hieruit, hoezeer Calvijn de Sabbath-Zondag overeenkomstig Gods Wet wil hebben gevierd, maar vooral niet wettisch! Hoe veel leeft ook onder ons dat wettische, dodige bedrijf, dat zo graag de Zondag omgeeft met vragen als: of dit op Zondag mag en of dat er nog mee door kan. Men moet weinig van de positieve, rijk geestelijke inhoud van de Zondag verstaan hebben, om aan zulke spitsvondige vragen lust te hebben. Het is zaak, de Zondag positief te vieren, als een heilig-mogen, nog meer dan als heilig-moeten; als een lust en niet als een last; niet als een dag met veel netelige kleine kwesties, maar als dag met het kostelijk uitzicht op het eeuwig Vaderland. Op weg daarheen zijn Gods inzettingen, ook Zijn Zondag, tot verkwikking en lofgezang.
Waar Calvijn zich op weg daarheen weet, is het hem geen vraag, of er op die weg stilstand is. Nee, als éénmaal de voet op deze weg staat en het hart klopt voor deze melodie, is er geen lust aan wettisch disputeren, maar aan de goede strijd des geloofs, die, dagelijks gestreden en dagelijks vrucht afwerpende, ook dagelijks doet vorderen.
Die ene dag telt dus voor alle dagen, is een voorbeeld voor alle dagen. God is immers nooit tevreden met een deel van ons leven, Hij wil immers het hele hart en het hele leven hebben, opdat Hij het heilige en het zo Hem geheiligd zij.
Maar als dat zo is: de Zondag beeldt af, hoe heel de werkweek, heel het leven moet zijn en mag zijn, dan moet er wel even verwondering bovenkomen. Hierom n.l: Waarom is er dan één bepaalde dag, om dat uit te beelden? Inderdaad lijkt dat een bezwaarlijke zaak. Maar Calvijn wil de oplossing zo zien: Het is niet nodig, dat het beeld geheel gelijk zij aan de werkelijkheid; het is genoeg, dat het er enige gelijkheid mee vertoont. De ene dag per week en heel de week en heel het leven vallen zeker niet samen. Maar er is toch wel overeenkomst: het deel wijst heen naar het geheel.
„De overdenking van het toekomende leven".
Calvijn besluit deze Zondag, waarin hij het vierde gebod nog lang niet heeft klaargekregen, met nog deze vraag: Waarom heeft de zevende dag de voorkeur boven de andere? Dit komt daarvandaan: Het getal 7 wijst in de Schrift een volkomenheid aan. Zo is het geschikt, om de gedurigheid aan te wijzen. Zo vermaant het ons dan ook, dat onze geestelijke rust enkel begonnen is in dit leven, en dat ze niet zal volmaakt zijn, eer we deze wereld hebben verlaten.
In Calvijn's overleggingen heeft , , de overdenking van het toekomende leven" een grote plaats. Die komt voort uit die radicale, diepe beschouwing der zonde, die, door een hoe overvloedige genade ook vergeven en bedekt, hier er niet radicaal onder komt.
Zo zingt Calvijn iets als , , een lied van verlangen". Daar sprak hem ook juist de Zondag van. Hier blijvend onvolkomen. Maar de grote Gever van de zevende dag, verzekert en verpandt het: Er blijft een rust over voor het volk van God.
Wij rekenen ons zeker allen wel (niet op afgodische wijze) zo iets als Calvinisten, gereformeerde mensen. Betekent dit, dat we ook Calvijn's heimwee naar het volkomene, zijn geestelijk genieten van de Zondag, zijn , , overdenking van het toekomende leven" delen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's