DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 30
ZONDAG 27
Vervolg van het vierde gebod.
Calvijn vervolgt zijn toelichting op het vierde gebod. We herinneren ons, dat de kern der zaak bleek, van welke aard de rust of heiliging van de Sabtoath-Zondag moet zijn.
„Gods navolgers".
Het vierde gebod geeft zelf al de toelichting op het „waarom" van de Zondagsrust. Omdat God op de zevende dag van Zijn werken rustte, daarom mag en moet ook de mens deze rust smaken. Dat werpt de vraag op: Maar wat wil die reden zeggen, die onze Here hier aanvoert, n.l. dat wij moeten rusten, zoals Hij dat gedaan heeft? Daarop wordt ten antwoord gegeven: Nadat God in zes dagen al Zijn werken geschapen heeft, stelt Hij de zevende dag daartoe, dat die werken beschouwd worden. En om ons des te beter daartoe te brengen, haalt Hij ons Zijn voorbeeld aan. Want er is niets zo begeerlijk, dan met Hem overeen te stemmen.
We zijn dus bestemd, om ook in deze „navolgers van God" te zijn. Dat moet voor Zijn beelddragers geen vreemde of harde zaak zijn. Integendeel: geen ding kan zo eervol en begeerlijk zijn voor onderdanen, dan hun Koning na te volgen, en nog meer: voor kinderen om hun Vader gelijk te zijn.
De overdenking van Gods werken.
De zondag dus bestemd tot de overdenking van schepping en Schepper. Een hoge en rijke gedachte! Het klinkt haast onnozel, althans beschamend, wanneer dan gevraagd wordt: Moeten We Gods werken altijd overdenken of is één dag per week wel voldoende? We noemden dit onnozel, omdat het immers geen besef blijkt te hebben van de éénheid van het geloofsleven, als een leven, waarin alle krachten en vermogens verenigd zijn tot de vreze Gods. In zo'n sfeer is van de versplintering, waarvan deze vraag spreekt, geen sprake.
Intussen blijkt Calvijn toch juist, deze , , onnozele" vraag stellend, een uitstekend kenner van het mensenleven, zoals het reilt en zeilt. We zijn tot zo'n wettische plichtsbetrachting, zo minimaal en vlot mogelijk, altijd geneigd. Daardoor ontgaat ons ook zo zeer de heerlijkheid van de vrijheid van de kinderen Gods, die juist bestaat in de voortdurende band aan de Drieëne God, waarin alleen onze bevrijding en vrijheid ligt. Zoals Calvijn het hier oppert, en zoals het geen plaats mag hebben onder Gods zon, zo wordt het al te veel gevonden.
Calvijn beschouwt het zo: Het moet alle dag gebeuren. Maar wegens onze zwakheid is er één dag bepaald toe bestemd. Dat is de gang van zaken, waarover ik sprak.
Dit antwoord heeft een grote pastorale mildheid. Hoezeer Calvijn Gods eis weet te handhaven, hij hanteert de heiligingszweep niet op de wijze der perfectionisten. We kunnen b.v. hier erg goed begrijpen, waarom de Dopers, die van de Christen en zijn herboren vermogens zeer hoge verwachtingen hebben, de Hervormers veel te slap vonden, veel te toegeeflijk aan , , de zwakheid van de mens" en aan „de oude Adam". We hebben voor deze hoge inzet alle begrip en wekken ons zelf en ieder ander op, om deze , , toegefelijkheid" vooral niet te gebruiken als kussens, om daar rustig op te slapen. In de beoefening der heiliging van heel het leven spreekt de Schrift van een , , ten bloede toe tegenstaan". Niet de , , oude Adam" kan ons rustpunt zijn, maar de „tweede Adam", die de levendmakende Geest schenkt.
Zondagsviering.
Zo blijft de zondag een extra plaats hebben, zeer sterk , , vanwege de zwakheid van ons vlees". En hoe moet deze dag nu verder positief worden besteed? Het wordt zo geformuleerd: Wat moet er op deze dag dan gebeuren ? De zondagsviering wordt zo omschreven: Het volk moet samenkomen, om in Gods waarheid te worden onderwezen, om gemeenschappelijk te bidden en getuigenis af te leggen van zijn geloof en religie.
De zondag dus een kerkdag. Het volk, (waarmee bedoeld is: het volk van God, maar ook heel de burgerij) moet samenkomen. Het , , apostolaire" staat voorop: ze moeten worden onderwezen in Gods waarheid. Als Calvijn onze catechismus schrijft, heeft hij een verwarde, gemengde gemeente, waaraan grond, vorm en tucht in sterke mate ontbreken. Ze hebben daarom onder het Woord te komen, om daar werkelijk in en onder te komen. Daarnaast heeft het gezamenlijk gebed een brede plaats. We weten uit Calvijns preken en hun slotgebeden, hoe brede plaats de voorbede voor Gods zaak in alle delen der wereld innam, waarbij hij, als man met een zendingshart, nooit vergat , , de arme onwetenden" in heel de wereld, er voor pleitend, dat God ze wilde bestralen met Zijn zaligmakende kennis.
Deze „dienst der gebeden" is de overgang van het , , apostolaire" naar het , , pastorale". De Gereformeerde kerkdienst, ook als ze leerdienst is, bestaat nooit in beschouwelijkheid en enkel een , , leerrede", die zegt, hoe het moet. De dienst van God is niet maar eis en ideaal, maar kent, door Zijn genade, een aanvankelijke vervulling. Daarom moet en mag de Gereformeerde prediking nooit zonder een persoonlijke, positieve, belijdende toon zijn, laat ons zeggen; zonder de , , bevindelijke" inslag, die het zout in de spijze is. We wezen er zoëven al op: dit zout heeft z'n mate; overdaad van zout maakt de spijze oneetbaar en zelfs giftig; de , , Kinderen van het Licht", die van het brood des levens eten, mogen niet vergeten, dat er in Gods huis ook nog „de hondekens" zijn, onder de tafel. Men heeft, terecht, onder ons gepleit voor een , , voorwerpelijk-onderwerpelijke" preek, waarin Gods waarheid louter en klaar wordt verkondigd, maar niet verzwegen wordt, welke vruchten deze waarheid in het christenleven mag en moet dragen. Calvijn deelt deze beschouwing kennelijk: naast het lerend element in de eredienst (dat trouwen ook de meest gerijpte, die zich zijn beperktheid bewust is, nooit missen kan) staat daar het belijdend karakter, het getuigen van de hoop, die in ons is. Verwonderlijk en beschamend intussen voor ons allen, dat dit eenvoudige tweetal, innerlijk toch weer verbonden, onder ons nog zo haperend functioneert. Onze preken zijn meestal nog veel te beschouwelijk; het eenvoudige, warme getuigenis der harten (dat met dweperij niets te maken (heeft) klinkt er veel te pover door. Daar Is ons matte, gebroken kerkelijk leven, dat de drang tot getuigen zo dempen kan, mede schuld aan. Maar daarmee zijn wij geenszins verontschuldigd. De profeten hebben te meer getuigd, naarmate de toestanden in hun land donkerder werden.
Onze Grote Hogepriester bad te ernstiger, naarmate Hij bestormd en benauwd werd.
Waarom doen wij, als wij Zijn gezanten en dienaren, ja kinderen mogen zijn, dan anders dan Hij? Niets is immers zo begeerlijk, naar Calvijn aan het begin van onze zondag uitsprak, dan dat wij gelijkvormig zijn aan Hem, van Wie we zijn en die we ook dienen?
Kust voor de dienstbaren.
Het andere oogmerk van de Sabbath- Zondag was immers, dat zij, die altijd hebben te dienen, op die dag rusten mogen. Daarop heeft de volgende vraag betrekking: Hoe versta je het, dat dit gebod ook is gegeven tot verlichting der dienstbaren? In onze tijd, waarin de werknemer zo heel anders tegenover zijn werkgever is komen te staan dan vroeger het geval was, kunnen wij ons moeilijk indenken, hoe zwaar vaak de ondergeschikten in de oude tijd het hadden: lange werktijden, geen groot loon en vaak een weinig liefderijke behandeling. De Hervorming heeft soms daarvoor wel oog gehad, maar o.i. toch nog te weinig. Wanneer Socialisme en Communisme aan de kerk verwijten, dat ze veel te weinig opkwaim voor de sociaalzwakken; dat ze ze met de hemel vertroostte, maar op aarde in de steek liet, heeft dat, helaas, al te veel waarheid. Eigenlijk pas in het Reveil in in het verloop van de vorige eeuw gaan de christelijk sociale ogen open. Dat is toch wel heel Iaat.
In Calvijns preken komen we nog al eens vermaningen tegen aan de werkgevers, om in hun werknemers medemensen en medechristenen op te merken. Hoezeer hij een , , geestelijk" man mocht zijn: ook het sociale had z'n oog en hart. Iets daarvan komt uit in de uitleg van de genoemde vraag.
Het gebeurt, om enige ontspanning te geven aan hen, die in de macht van anderen zijn. Het dient ook de goede gemeenschappelijke gang van zaken. Want ieder gewent er zich aan, de overige tijd te werken, als er een rustdag is.
We lezen deze uitleg met bewondering voor de wijze, waarop Calvijn meedogen en zakelijkheid weet te verenigen. Ook met respect voor de werkers uit die oude tijd, die van geen lijntrekken, , , kalm aan doen" en dgl. hebben geweten, voldaan als ze waren met hun wekelijkse rustdag. Wij zouden dat in een catechismus van vandaag niet meer zo licht kunnen schrijven.
Wat het „gebod" ons te zeggen heeft.
Calvijn komt nu tot het besluit en wil daarom de kern der zaak nog eens samenvatten. Hij oppert: En nu: wat heeft dit gebod aan ons Ie zeggen? De leerling zegt daarop: De ceremoniële wet is afgedaan. Want wij hebben haar vervulling in Jezus Christus. (Col. 2 ; 19) Waar we al eerder over dat ceremoniële spraken, gaan we hierop nu niet weer in. Wel op de nadere ontvouwing ervan. Want nader wordt geïnformeerd: Op welke wijze? Deze blijkt te zijn: Dat onze oude mens is gekruisigd door de kracht van Zijn dood en dat wij door Zijn opstanding, opstaan tot een nieuw leven. (Rom. 6 : 6)
Zo begon de eerste zondag in de hof van Jozef. Dit maakte de Sabbath tot zondag; dat maakt de zondag ook pas vol tot zondag. Zondag vieren, zoals het moet en het mag is: het ingaan tot de rust, die de Here Christus aan rusteloze mensen uit het diensthüis schenkt. De zondag is er voor de overdenking van Gods werken; wel heel apart van dat grote werk, dat Hij deed, toen Hij Zijn Eniggeborene uit de doden weerbracht en het diensthüis sloot en de heerlijkheid van de vrijheid van Zijn kinderen, in Hem, uitriep. Leven uit Gods vergeving, dat is; leven uit dit volbrachte werk van Christus, is een leven in rust omdat we daarin smaken, hoe de Here onze „werkweek" sluit en niet wil gedenken, maar ons inbrengt in de Sabbath èn de zondag van onze Borg en Koning. Daar is en wordt de oude mens, de werklustige, de mens der zes dagen, de Sabbatist van nature, aan het kruis geslagen: beschaamd, krachteloos gemaakt, gedood. Maar toch daarom, opdat hij zou mogen en leren leven uit de nieuwe mens, uit Hem, die na de zes dagen een nieuwe dag en eeuw deed aanlichten. Die de kracht des Geestes schenkt, om van nu voortaan niet meer Sabbath, maar zondag te vieren; voortaan te rusten; maar nochthans, in het kader van het rentmeesterschap, te doen, met macht, wat God gééft te doen.
Dit is Calvijn's zondagsviering. En dit heeft men dan toch nog „wettisch" willen noemen! Het heeft er immers niet eens. de schijn van!
De Zondag in het heden.
Wat hebben wij dus nu verder te doen? Calvijn bedoelt: Hoe wordt een zondag dus als echte zondag gevierd? Hij antwoordt: Door de orde die in de kerk gesteld is, waar te nemen, n.l. door het Woord van God te horen, door deel te nemen aan de openbare gebeden en aan de sacramenten en door niet in te gaan tegen de geestelijke orde, die onder de gelovigen heerst.
Even tevoren had Calvijn ongeveer ditzelfde al uitgesproken, maar daar bedoelde hij het meer als algemene regel, die hij nu tot persoonlijke toepassing brengt. We stippen nu alleen even aan, dat hij nu met nadruk de sacramenten noemt. Het pleidooi, dat hij daarvoor hier en gedurig levert, behoort tot die stukken van zijn erfenis, die het meest zijn verwaarloosd. In Schotland alleen hebben de sacramenten iets van de plaats gekregen, die hij ze had toegedacht.
Wat hij bedoelt met „de geestelijke orde", die onder de gelovigen heerst, is niet zo eenvoudig. Naar onze smaak ziet dat op de levensstijl, op de wijze, waar. Op de zondag verder besteed wordt. We maken uit de gekozen woorden op, dat Calvijn zeer ongaarne ziet, dat men de zondag op zeer originele, ongehoorde wijze gaat vieren, zodat men daarmee aanstoot geeft aan , .zwakken", maar licht ook wel aan , , sterken". Daarmee wil hij, onwettisch als hij is, zeker niet elke „christelijke adat" sanctioneren, wat weer neer zou komen op tyrannie. Hij bindt het echter o.i. op ons geweten, ook als we ons in Christus vrijheid staande, in ons gemoed ten volle in verzekerd weten, geen aanstoot te geven.
Het uitzicht van de zondag.
Dan komt het besluit: Heeft de beeldspraak, (die in de Sabbath-Zondag ligt) voor ons generlei nut meer?
We herinneren ons, dat deze beeldspraak daarin is gelegen, dat de Sabbath-Zondag belooft en uitbeeldt de Grote Sabbath-Zondag. Calvijn sprak daar immers al even geleden van, toen hij sprak van de kruisiging van de oude en de opstanding van de nieuwe mens. We merken vooral in deze zondag van de catechismus, dat dit boekje niet streng systematisch is opgebouwd, maar een gemoedelijkheid kent, die voor de catechisatiekamer profijtelijk is. Ook 'n herhaling nu en dan heeft Calvijn niet geschuwd: ze kan de leerling profijtelijk zijn en zeker. Intussen is er toch wel enig verschil tussen deze vraag en de even voorgaande. Toen was er sprake van het christelijk-zondagvieren in het heden. Nu is er sprake van, dat deze levenswijze, die haar tempering en gedeeldheid houdt, toch beloften van een volheid en geheelheid in zich heeft. Ze ziet uit op de tijd, dat we, van „de resten van het vlees" bevrijd, de Here in volheid dienen zullen.
Die beeldspraak blijft dus van kracht: Zeer zeker. Want we moeten er de kern van opmerken: n.l. deze, dat wij, als wij ware leden van Christus zijn, eigen werken laten varen, om ons aan Zijn leiding over te geven.
Dat is alweer de volle zondagsrust, zoals ze hier beginsel en verlangen uitmaakt, maar na deze pas tot haar volheid komt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's