MEDITATIE
Wat buigt gij u neder, o mijne ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God! Psalm 43 : 5,
De 42ste en 43ste Psalm zijn eigenlijk één lied, gezongen door een dichter, wiens terneder gebogen en onrustige ziel behoefte had om zich uit te storten, maar die tevens- wist, wat tegen die onrust der ziel gedaan moest worden en die, dat doende, kwam tot rust in zijn God.
Het was wel droevig met de dichter van deze Psalm gesteld. Vroeger placht hij met de schare heen te gaan naar Gods huis, hart en mond vervuld met blijdschap. En nu, in een vreemd land, temidden van vijanden, die Israels God niet eren, mist hij de tempeldienst, de genieting van Gods gemeenschap in Zijn heiligdom.
Gelijk het hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt zijne ziel naar God, naar de levende God. Men vraagt hem: Waar is nu uw God? — Heeft God hem dan verlaten? Ach, zijn ziel buigt zich neder en is onrustig in hem, als de twijfel van de trouw des Heren zich van haar meester tracht te maken. — Ja, die twijfel, versterkt door het dag en nacht vragen zijner vijanden — waar is uw God? — maakt hem angstig en benauwd. Heeft God hem dan niet alleen verlaten, maar ook hem vergeten? En uit zijn terneer gebogen, onrustige ziel klimt de klacht omhoog: , , Mijn steenrots, waarom vergeet gij- mij? "
Want het schijnt immers, alsof God hem vergeet. Al wat hij wenst, wordt hem onthouden. Geen verlossing van de spotters! Geen teruggeleid worden naar Gods woningen. Geen ingaan tot Gods altaren. En toch, dat alles begeert hij. Hij dorst er naar. Hij smeekt erom. Heeft God hem dan verstoten? Ja, zo vraagt zijn onrustige ziel in bange nood: Waarom verstoot gij mij? En onrustig blijft zijn ziel, zolang zij zich slechts bepaalt bij wat rondom en in haar is en zich niet hopend opheft tot Hem, die boven het aards .gewoel verheven, alle dingen leidt naar Zijn wijze en goede wil.
Ook onze ziel buigt zich soms terneder en is onrustig in ons. Gelukkig als zij niet, voldaan met de dingen van deze wereld, zorgeloos indommelt. Gelukkig als zij zich nederbuigen kan en nog onrustig kan worden. Dat is tenminste een bewijs van levensvatbaarheid. Maar waarom buigt ze zich terneder en waarom is zij onrustig? Ach, er zijn velerlei oorzaken. Allerlei zorgen kunnen ons overvallen, zodat wij bevreesd worden en angstig te moede. Allerlei twijfel kan zich van ons meester maken, zodat de rust verdwijnt en onze z'iel zich nederbuigt, omdat zij haar vastigheid verloor.
Allerlei verzoekingen kunnen op ons aan komen, die ons de strijd tegen de zonde soms zo zwaar doen worden, dat wij de moed verliezen en geen uitkomst meer zien. En dan de zonden, waaraan wij ons schuldig maakten en die ons zo kunnen bezwaren, dat wij aan heiliging des levens- beginnen te wanhopen.
Buigt onze ziel zich ook terneder en is zij onrustig in ons? Ja, werkelijk? O, welk een heerlijk Evangelie: God Zelf buigt zich terneder tot ons om ons te troosten, om onze blik en ons hart tot Zich te trekken. Immers te midden van de vele zorgen, tegen de twijfel des harten, onder de verzoekingen van de Boze, bij de beschuldigingen van het geweten, is het enige middel om rust te vinden: het vertrouwend opzien tot Hem, die in Christus Zichzelf aan ons geeft om onze ziel op te heffen en met vrede en vreugde te vervullen.
Daarom dan, zeg tot uw ziel: Hoop op God! Stel op Hem, op Hem alleen uw betrouwen. Draag aan Hem uzelf op. Maak Hem al uw zorgen en zonden bekend. Verwacht van Hem, alles wat gij nodig hebt. Dan wordt ook van uw ziel de onrust weggenomen. Maar anders nooit. Wie God verlaat, die heeft geen rust. De goddelozen hebben geen vrede zegt mijn God, maar zijn als een voortgedreven zee, die niet rusten kan.
Wij zoeken zo dikwijls buiten de Here om, de rust te vinden, die wij behoeven. Hier is een, wiens ziel onrustig is en die zich nu werpt in de maalstroom der wereldse genietingen. Te vergeefs —de onrust neemt toe of de ziel wordt verdoofd. Ginds is een ander, die rust meent te vinden in vermeerdering van arbeid. Te vergeefs — het is vermeerdering van moeite. Buiten God kan niets het menselijk hart vervullen. Men kan verdoving aanbrengen, maar dat is geen genezing. Men kan zich verbeelden rustig geworden te zijn, maar zoveel te luider schreit straks weer de onrustige ziel om rust, als zij tot nuchterheid komt. Daar is geen rust te vinden buiten God. Ook niet in uw bevindingen; ook niet in uw treuren over de zonde!
Hoop op God! Gij moogt op Hem hopen. Hij Zelf zegt tot u: Werp al uw bekommernis op Mij; Ik zorg voor u! Hij wil uw heil. Daarom zond Hij Zijn Zoon, om uw zonden te dragen in Zijn lichaam, om in uw zorgen en bezwaren in te dalen en u te sterken.
Hoop op God, op de Vader van onze Here Jezus Christus, die in Hem ook uw Vader wil zijn. Zo zal uw ziel rust vinden, ook als al Gods baren over u heen gaan, want gij zult gelovig wachten, tot Hij Zijn raad met u vervult en Hem erkennen in alles, wat Hij doet.
Zalig, indien ook uw ziel met de psalmist mag zeggen: Hoop op God, want ik zal Hem nog loven. Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God! Dat is de slotsom, waartoe de psalmdichter komt, waartoe de hoop op God hem voert. De onrust is weggenomen uit zijn ziel, die zich nu uitstort in lof en dank en haar kracht vindt in vast vertrouwen op de voortdurende hulp van God.
Zo is het nog steeds bij allen, die door het geloof in Jezus Christus hebben leren hopen op God en rust vonden bij Hem. Zij weten dat zij verlost zijn van alles, wat hun ziel tot schade zou zijn en dat hun God hen voorts verlossen zal uit nood en dood. Zolang zij door het geloof zich hieraan vasthouden, gevoelen zij zich gedrongen God te loven in het zalig genot van Zijn troostende en sterkende gemeenschap.
Zalig, als wij deze God mogen kennen als onze God, als onze Vader in Christus, als ook wij Hem loven als de menigvuldige verlossing onzes aangezichts. Hij verlost uit de strikken der zonde, want bij Hem is kracht en Hij vergeeft menigvuldiglijk. Hij verlost uit alle onrust, want bij Hem zijn uitkomsten, ook tegen de dood.
De ziel, die deze verlossing kent, voelt zich gedrongen om met de psalmist te juichen: Ik zal Hem nog loven. En zij ondervindt, dat in dat loven van God als de God die verlossingen werkt, een rijke zegen haar deel wordt. Hem lovende, gevoelt zij haar hoop op Hem gedurig toenemen en vertrouwt zij zichzelf steeds meer toe aan Hem. Zo wordt de belijdenis door haar steeds dieper gekend en beleefd: Gij, o God zijt mijn God, wien ik toebehoor, die ik dien, op Wien ik steun, de God mijner sterkte, de God der blijdschap mijner verheuging, mijn Steenrots, die niet wankelt, in Wien ik voor eeuwig gegrond ben.
Here mijn God, ik zal U loven!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's