De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 31

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 31

Zondag 28

11 minuten leestijd

Het vijfde gebod.

Laten we overgaan tot de tweede tafel, zo wekt de catecheet op. De leerling zegt op, dat die tafel begint met het: Eer uw vader en moeder.

Dit vijfde gebod zet Calvijn dus op de tweede tafel, die ons tekent, hoe wij ons tegenover onze naaste hebben te gedragen, om Gods wille. In het vijfde gebod is sprake van het ouderlijk gezag, waarvan hij erkent, dat het van God komt, zonder daarmee op te houden, een van Hem afgeleid gezag te zijn. Het staat dus niet op dezelfde hoogte als Gods eigen rechtstreekse gezag, want het komt in deze bedeling nooit onvermengd voor. Zij, die Gods wet anders stellen, zien o.i. dit laatste over het hoofd.

Nu moet wel gevraagd worden: Wat versta je onder eren? Dit blijkt dit te zijn: Dat de kinderen nederig en gehoorzaam zijn tegenover hun vaders en moeders, door hen te eren en eerbied te betonen, hen bijstaan en te hunner beschikking staan, waartoe ze immers gehouden zijn.

Deze eenvoudige woorden kunnen het wel zonder toeliclhting stellen. Uiteraard kunnen we uit deze enkele woorden geen conclusie trekken aangaande de verhouding van ouders en kinderen in zijn tijd. Dé gezagsverhouding lijkt ons daar sterker dan nu, daardoor de onderworpenheid groter. Maar daardoor wordt de lust tot rebellie dan weer geprikkeld. In zijn preken vermaant Calvijn de ouders nogal eens tot matiging in de strengheid tegenover de kinderen en omgekeerd de kinderen tot gewillige onderwerping.

De belofte erin.

Ga eens verder. Antwoord: God voegt een belofte toe aan dit gebod, zeggende: opdat uw dagen verlengd worden op de aarde, die de Here uw God u geeft. Daaraan schakelt zich de volgende vraag: Wat wil dat zeggen? Antwoord: Dat God aan hen, die hun ouders de verschuldigde eer bewijzen, een lang leven zal geven. Deze uitleg is stellig eerlijk, hoewel het , , realistisch" oudtestamentisch spraakgebruik aan de nazaten nogal moeite geeft. Als een predikant als tekst opgeeft dat grote woord uit Maleachi 4 over de Zon der Gerechtigheid, die opgaat over hen, die de Here vrezen, dan voegt de profeet daar nog de belofte aan toe: en gij zult uitgaan en toenemen als mestkalveren. Bij ons weten laten wel alle predikanten deze woorden liever rusten. Dit gulle oudtestamentische spraakgebruik lijkt hen minder geschikt voor de wat kieser oren der nieuwtestamentische gemeente. Maar is dat doen niet overgeestelijk? en dus ook weer ongeestelijk? Als de Here aan deze onze wereld de grote eer aandoet, haar te gebruiken tot de uitbeelding van Zijn heil, moeten wij ons dan zowat voor deze gulheid generen? Zijn we geen vreemde, ondankbare mensen?

Tot dat plastische spreken van het Oude Testament behoort ook de belofte van lang te mogen leven. En Calvijn geeft er blijk van te weten, dat daartegen nogal eens iets wordt gemompeld. Hij brengt dat zo tot uitdrukking: Waar dit leven zo vol ellende zit, hoe kan God dan aan de mens beloven, bij wijze van een genadegeschenk, dat hij lang zal leven?

Daar staat het probleem helemaal voor ons. Het mensenleven heeft zoveel moeiten, dat Job kan schrijven, dat die mens naar het eind kan haken, zoals de dagloner naar het eind van zijn dagtaak hijgt. Nog erger: dat Job er zelfs toe komen kan, de dag van zijn geboorte te vervloeken. Daar zitten we aan de heel andere kant. Het gelukkigst moet diegene zijn, die nooit geleefd heeft.

Van Calvijn weten we, dat hij tijden gekend heeft, dat hij heel dicht bij de boven aangehaalde Job kon staan. Daarbij wezen we op die , , overdenking van het toekomstige leven", die door zijn hele theologische werk heentrekt en die ook wel in zekere spanning moet verkeren met die onbezorgder vreugde aan een lang leven.

We vinden zijn antwoord kostelijk, goed oudtestamentisch en meer. Hij zegt: Het aardse leven, hoe ellendig het zijn kan, is een zegen Gods voor degene die gelooft, al was het alleen maar daarom, dat God hem Zijn vaderlijke liefde betoont, door hem in dit leven te onderhouden.

In dit antwoord wordt de zonde als veel erkend, maar de genade als meer. Calvijn gebruikt een moeilijke franse uitdrukking, die niet makkelijk te vertalen is. We meenden ze te moeten vertalen, zoals we het deden: reeds omdat God hun Vader hen in dit moeilijk leven nabij blijft en hen doet doorbreken, hebben Gods kinderen dit leven hoog te schatten, als gave Gods, als schouwplaats van Gods genade.

Alleen al daarom, zo vertaalden we. Dat wil zeggen: dan ook nog wel om andere redenen. Men heeft aan Calvijn en z'n ethiek iets wereldvluchtigs willen opmerken, en heeft dat in verband gebracht met zijn zogenaamde platonische denken, dat hem deze wereld, ook dit lichaam, als weinig meer dan een graf doet waarderen. Dat feit is niet kwaad geobserveerd; het springt trouwens wel zeer in het oog, Maar de motivering is niet platonisch, maar volop christelijk, op een wijze, die Paulus immers diep en krachtig uitsprak in zijn: in de wereld, niet van de wereld; hier geen blijvende plaats. We moeten eerder zeggen, dat Calvijn, hoewel deze gedachten hem zo kunnen vervullen, toch zo sterk mogelijk het andere waardeert: en toch blijft dezei wereld een gave en genade Gods. De zonde heeft de genade niet kunnen overmeesteren; de duivel wórdt uiteindelijk geregeerd.

Lang leven een zegen?

Die belofte van lang leven als genade en zegen, doet nadrukkelijk de vraag opkomen: Volgt daar aan de andere kant uit, dat die mens, die jong sterft, van God vervloekt is?

Wanneer het hier een stuk ijzeren logica betrof, een stuk koude natuurlijkheid, zou het antwoord alleen kunnen zijn: Ja!

Zoals we konden verwachten na de boven gegeven uiteenzetting, luidt het antwoord: Neen. Zelfs zal het wel gebeuren, dat de Here iemand vroeger uit de wereld wegneemt, omdat Hij hem meer lief heeft. Wordt hier de belofte eigenlijk niet op een stoutmoedige wijze omgekeerd? Wordt het hier niet gesteld: Een kort leven kan de grotere zegen zijn? Als we daarover nadenken, moeten we zeggen, dat het woord stoutmoedig hier te veel eer aan Calvijn geeft. Hij heeft die gedachte nl. niet zelf voortgebracht, maar geeft weer bescheiden het woord aan de Here zelf. Hij bedoelt te zeggen, dat Gods genade in dit ons leven niet ónaards is of tegennatuurlijk. Maar toch vooral ten beste en hoogste bovenaards. Het leven op deze aarde, hoezeer gezegend, spreekt in het leven des geloofs geen laatste woord. Het rentmeesterschap is toch nog iets anders dan de schat, waarbij het hart wonen en leven kan. Daarom is het leven goed, waimeer het in Christus met God verzoend is. Maar Gods goedertierenheid is toch nog beter dan dit tijdelijke leven. Dat wilde Calvijn alleen maar zeggen en zo heeft hij het zelf uitgeleefd.

Is die belofte vast?

Intussen: meteen voelt Calvijn, dat daarmee wel iets rijks en diep-waars is gezegd, maar Gods belofte, die dat immers behoort te dragen, onvast lijkt geworden. Er is in Christus in deze toch geen ja en neen? Calvijn drukte die bezorgdheid zo uit: Maar als God zo doet, hoe kan Hij dan Zijn belofte houden? (Tussen haken: vindt u dat niet een prachtig voorbeeld van de wijze, waarop Calvijn , , de bevinding des geloofs" een vrije loop laat, maar meteen zegt: Ja, maar ze moet doodlopen, wanneer ze niet in de baan der belofte gaat? )

Op de gestelde vraag komt het antwoord: Alles wat God ons belooft aan aardse goederen moeten we verstaan onder deze voorwaarde, dat het dienstig is voor ons geestelijk welzijn. Want het zou een armoedig geval zijn wanneer dat niet altijd voorop stond.

Naar ons besef is dit een koppeling, die houdt. Als Servet en zijn geestverwanten, zeer overgeestelijke lieden, schimpen op die oude Israëlieten, die nota bene een goed gevulde maag als zo'n uitgelezen zegen Gods beschouwden en dus niet al te ver boven de varkens uitkomen, antwoordt Calvijn toor­nig: Alsof het daarom ging! Alsof de Here niet in deze buitenkant zeer plastisch en aan onze gezichtskracht aangepast ons iets liet zien van een binnenkant, die daar de zin van is! Dit stoffelijke heeft reeds in zichzelf een zekere (niet geringe), , betekenis. Maar het getuigt van nóg betere, ongeziene zaken, die nochtans in het geloof hun garantie hebben (Hebr. 11).

Zo stelt hij de zaak dan ook hier. Het aardse goed op zichzelf is geen zegen zonder meer te noemen. Wee degene, die in de strikken van de overdaad valt en zijn ziel verliest, midden in de schijnweelde van zoveel winst.

Calvijn is ook hier uiteindelijk geen dualist, die de dingen tegen elkaar uitspeelt, wanneer ze werkelijk bij elkaar horen. De stoffelijke zegeningen hebben een geestelijke grond en zin; de geestelijke zegeningen hebben een stoffelijke omkleding. Zo kunnen ze ook niet licht botsen; dat doen ze alleen, als ze gesteld worden , , in het licht der eeuwigheid". Wanneer wij dat meer beoefenden in onze gereformeerde levenspractijk zouden wij vajn veel krampachtigheid bevrijd kunnen zijn.

Opstandige kinderen.

Een apart aspect van dit gebod belicht de vraag; Hoe gaat het met hen, die tegen hun ouders opstaan? Daarop wordt geantwoord: God zal hen niet alleen straffen in de oordeelsdag, maar zal hen ook in hun lichaam aantasten, hetzij doordat Hij hen vóór hun tijd laat sterven, of op een schandelijke wijze of hoe dan ook.

Allicht heeft Calvijn moeten denken aan Absalom, zo knap en toch zo lelijk, en aan die voorbeelden van gestrafte rebellie van kinderen, die Wet, profeten en Evangelie ons geven. Hij zegt er hier niet bij, wat hem elders toch zeer present is, nl. dat wij niet moeten denken, dat wij die oordelen kunnen narekenen, zodat we spotten of ons verontrusten, als ze naar onze smaak uitblijven. Zijn gedachten zijn niet onze gedachten, Zijn wegen niet onze wegen.

Alleen voor Israël?

Dan komt het vorige gebod hem zeker weer wat in de gedachte, waar gesproken werd, van hetgeen alleen Israël aangaat en van hetgeen ons raakt. Iets daarvan keert ook hier terug. Want Calvijn heeft, als goed exegeet, verstaan, dat „het land, dat u de Here uw God geeft" het land Kanaan is, dus het land van Israël en niet zomaar het onze. Hij werpt die moeilijkheid meteen op (een goede catecheet doet niet aan , , struisvogelpolitiek!) en stelt dus: Spreekt de Here in dit gebod niet met name van het land Kanaan? Hij geeft daarop deze oplossing: Ja zeker, voor zover het de kinderen Israels betreft. Maar wij moeten nu dit woord in een algemene zin opvatten. Want in welk land we ook wonen: omdat de aarde des Heren is, geeft Hij ons onze woonplaats. (Ps. 24, 89, 115).

Kanaan is heilig land, zoals Abram een geheiligd man moet heten: aan de kant gezet en onderscheiden. Maar niet, om dat alleen en bij uitsluiting te zijn, maar opdat de zegen, hem bereid, zou uitstromen naar alle volken.

Zo spreekt dit vijfde gebod stellig eerst van Israël en Kanaan. Maar over hen heen ziet het ook op de volken na en naast Israël en op heel die aarde, die des Heren is. Overal waar de Here woonplaats geeft, daar geldt Zijn eis en daar mag Zijn 'belofte leven.

Ouders en overheden.

Calvijn gaat nu eindigen. Hij maakt het zich werkelijk niet licht. Hij zocht de moeilijlkheden meer dan dat hij ze ontliep. Toch vraagt hij nu nog: Is dit nu de hele inhoud van het gebod? De leerling weet: Hoewel er alleen sprake is van vader en moeder, moet het verstaan worden van alle meerderen (overheden), omdat die een zelfde reden van bestaan hebben.

Het ouderlijk gezag is openbaring, ook wel onderafdeling van heel dat gezag, dat de Here in Zijn wereld, vooral Zijn gevallen wereld, stelde, opdat Zijn orde zou blijven en niet alles, tot een chaos zou worden. Juist daarom is de gezagskwestie, nabij en ver, zo brandend en belangrijk, omdat een wereld zonder gezag wel zijn moet een van God verlaten wereld. Calvijn erkent, dat het vijfde gebod inderdaad alleen van vader •en moeder spreekt. Maar, zo vervolgt hij: wanneer onze ouders en hun gezag reden van bestaan hebben in onze gesteldheid, dan geldt dat evenzeer van alle gezagsverhouding, in politiek, school, kerk enz. Waar het in dit alles om de zelfde kwestie gaat (het gezag), daarom is het niet maar geoorloofd, maar zelfs geboden, dit gebod ook daarop te betrekken. Dat geldt zeer apart van Israël, waar de overgang van het gezag in het gezin naar die in het koninkrijk zo eenvoudig loopt, denk aan Saul en David. Maar het blijft van kracht in een moderne samenleving, hoe krachtig die het 'ontkent.

Wat is nu de kern van het gezagsprobleem? Waarin ligt dat? Slotantwoord, dat de zaak samenvat, is: Dat God hen een voorrang heeft gegeven. Want er is geen gezag, zomin van vaders, vorsten of andere overheden, dan dat God heeft ingesteld. (Rom. 13). Daarom zij alle ziel (iedereen) aan alle machten over hem gesteld, onderdanig, om Gods wille. Ook om zichzelfswille, opdat het hem welga en hij léve.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 31

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's