DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 32
Zondag 29
Niet doden.'
Hoe luidt het zesde gebod? Antwoord: Gij zult niet doden. Deze inleidende vraag lokt de nadere uit: Is daar alleen het moorden verboden? Na de uitleg der vorige geboden laat het antwoord zich wel raden: Volstrekt niet. Want waar het God is, die hier spreekt, legt Hij ons niet alleen een wet op voor de uiterlijke dingen, maar een, die vooral de neigingen van het hart betreft. We vinden hier terug, wat we gedurig tegenkwamen: het verbod sluit altijd ook een gebod in en van de daad wordt teruggegaan op de gezindheid.
Meteen kan de leerling de toepassing maken: Dus je bedoelt, dat er een soort innerlijke moord is, die God ons hier verbiedt? De uitdrukking is wat ongewoon: innerlijke moord, maar de bedoeling kan ons niet ontgaan. Calvijn denkt natuurlijk aan dat woord van de Here Jezus Christus, waar Hij het ook al moord noemt, als wij iemand boos aanzien, omdat we dan in ons hart al bezig zijn, zijn dood te wensen. De leerling bevestigt, dat die gezindheid eigenlijk in niets van de daad verschilt, want hij antwoordt: Ja, dat is namelijk haat en wraakzucht en het begeren, om onze naaste kwaad te doen. Daarmee is de wortel van het kwaad aangewezen en Gods wet opgeheven van een politiereglement, dat men wettisch volgt of poogt te ontlopen, tot , , een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten".
Dan besluit Calvijn zijn uitleg van dit zesde gebod met de vraag: Is dat voldoende, dat we niet haten en niemand kwaad toedragen? Natuurlijk: Neen. Want als God de haat veroordeelt, geeft Hij daarmee te kennen, dat Hij eist, dat we onze naasten zullen liefhebben, hun welzijn zullen voorstaan en dat alles uit echte liefde en ongehuicheld. Zo is de liefde de vervulling der wet. Als de Here Jezus Christus het zó stelt, hebben Parizeen Hem van gebrek aan eerbied jegens Mozes, van ondermijning van het duidelijke gezag der wet beschuldigd. Maar Hij kon naar waarheid antwoorden, dat zij dat laatste deden en Hij juist de wet vervulde in haar rijke zin. Het doet blijken, dat ook Calvijn niet tot de Parizeen en de Rabbijnen hoort, als hij deze vervulling, deze geestelijke zin der wet, met heel de Reformatie, zo krachtig en eerbiedig voorstaat.
Het zevende gebod.
Merkwaardig, dat Calvijn dit zesde gebod zo kort kan bespreken. Het waren toch wel harde en wilde tijden, die hij beleefde; een mensenleven telde niet zoveel. Toch: voor het exces, voor de moord deinzen velen nog wel terug. Het zesde gebod wordt gedurig als heel zwaar en de breuk ervan als heel erg beschouwd. Dat zou een goede zaak kunnen zijn! Maar de kwade keerzijde hiervan is, dat men de breuk van andere geboden, waarmee men niet zó de aandacht trekt, dan meteen al weer als niet zo erg gaat beschouwen.
Door op de bredere en diepere zin van de letter van, het gebod te wijzen, heeft Calvijn dit kwaad pogen te bestrijden. Of het hem ook gelukt is?
Zo volgt dan het zevende gebod. Als de leerling wordt gevraagd, hoe het zevende gebod luidt, antwoordt hij: Gij zult niet echtbreken. De vraag moet daar wel op volgen: Wat wil dat zeggen? en de verklaring luidt dan: Dat alle overspel (ontucht) door God vervloekt is en dat we er ons daarom van moeten onthouden als we niet Zijn toorn tegen ons willen uitlokken.
Met opzet gaven we een dubbele vertaling, want reeds hier gaat Calvijn over van het engere , , overspel", dat het huwelijk veronderstelt, naar het bredere woord ontucht. Het oude Geneve was een zwoele, onreine stad. Het schuim van allerlei naties werd er gevonden en met name in zake het zevende gebod heeft Calvijn een verbitterde strijd moeten voeren. De Catechismus schreef hij vóór die strijdperiode; we kunnen vermoeden, dat deze uitleg, had hij ze later in zijn leven geschreven, wel heel wat breder had kunnen zijn. Het tekent zijn vroeg-rijp zijn, dat we niet kunnen zeggen, dat die latere Calvijn ook zoveel dieper over deze zaak zou hebben kunnen spreken.
Daad en gezindheid.
Calvijn begon alweer met de daad. Maar achter de daad ligt altijd de gezindheid. Dat blijkt, als op de vraag: Vraagt Hij niets anders, laat antwoorden: We moeten altijd op het doen van de Wetgever letten, die zich niet bepaald tot het uiterlijke werk, maar de gezindheid van het hart eist. Dus niet maar: door de wettische overleggingen en levenshouding pogen, juist nog onschuldig te blijven, maar niet tevreden te zijn, eer de Here tevreden is, doordat Hij nl. het hart ontvangt.
Ook deze zondag behandelt Calvijn kort. Het verdient immers ook aanbeveling een zo delicate en intieme zaak, als waarom het hier gaat, wel bij de naam te noemen en niet te ontduiken, maar daarbij toch wel een breedheid en détail te vermijden, dat de zaak slecht dient. Calvijn komt dus weer tot de slotvraag, die sterk ^herinnert aan die in vorige zondagen: Waar gaat het dus om? Hij hoort antwoorden: Daar onze lichamen en zielen tempels zijn van de Heilige Geest (1 Cor. 3 : 16 en 6 : 15; 2 Cor. 6 : 16), moeten we die in alle eerbaarheid bewaren. Op deze wijze, dat we niet alleen zuiver zijn; waar het op onze daden aankomt, maar ook, waar het onze wensen, woorden, en gebaren geldt, op zulk een wijze, dat geen deel van ons bevlekt worde door onreinheid.
Deze uitleg komt sterk overeen met die van onze Heidelberger, al is uiteraard laatstgenoemde de ontlenende partij. We merken er een hoge huwelijksstandaard in op, maar evenzeer een , , publieke zedelijkheid", die aan niemand verloorlooft, mens en dier te verwarren of te vermengen. Zoals Paulus in een diep onreine oude wereld dit machtige woord als een kaars liet branden: Duur gekocht, om met lichaam en ziel des Heren te zijn, waar lichaam en ziel bestemd zijn, om tempel van de Heilige Geest te zijn. Deze gedachte heeft een zeer „mystieke" grond; ie knoopt dan ook gaarne aan bij het beeld van Christus de Bruidegom en Zijn Kerk Zijn Bruid. Maar deze gedachte gaat niet op in de mystiek, alsof, wanneer dit verborgene er maar is, al het andere zo nauw niet steekt. Integendeel: Een ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is. We merken, helaas, in de kerkgeschiedenis op, dat in tijden van religieuze hoogspanning (overspanning) er zo gedurig ontsporingen plaats vinden in het sexuele leven. Denk aan de Wederdopers in Munster, aan de , , Zwijndrechtse Nieuwlichters", en dgl. Het is duidelijk, hoe scherp Calvijn deze moet afwijzen. Want de Bruidegom nam (en neemt) Zijn Bruid (gemeente) niet ómdat zij zo rein was, integendeel. Maar juist daarom: opdat zij zou rein zijn, gelijk zij rein is in Hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's